Artikelen
 

DE BEAT II

 

Over de kansen van de Rotterdamse jeugd en haar cultuur

Een voorstel voor een multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor de cultuur en de educatie van jongeren

 

Rotterdam, maart 2007




De Beat

Een voorstel om in samenwerking met verwante partijen Hal 4 op te laten gaan in een multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor jongerencultuur,

een centrum

waar jongeren van diverse achtergronden elkaar als vanzelfsprekend zullen ontmoeten,

waar jongeren kennis zullen maken met andere culturele uitingsvormen dan waarmee zij van huis uit vertrouwd zijn,

waar de confrontatie en kruisbestuiving van diverse culturele uitingsvormen, van theater, muziek, dans, digitale media, tot nieuwe uitingsvormen zal leiden,

waar jongeren onderwijsactiviteiten in het culturele domein zullen ontplooien die zullen bijdragen aan hun enthousiasme voor hun school(loopbaan),

en waar kennis zal worden ontwikkeld en doorgegeven over jongeren en jeugdcultuur.

Ons staat een bruisend cultuur- en onderwijscentrum voor ogen met een landelijke uitstraling dat past bij een doortastend Rotterdam en dat recht doet aan zowel de problemen als de mogelijkheden van haar jeugd.





Voorwoord

In april 2006 presenteerden wij een voorstel, met als werktitel De Beat, voor een Rotterdams multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor de cultuur en de educatie van jongeren. Op dit voorstel werd door vele partijen enthousiast gereageerd, niet zelden enthousiaster dan wij hadden verwacht. Het betrof onder meer partijen uit de wereld van de politiek, het stadsbestuur (waaronder wethouder Orhan Kaya), de deelgemeenten, het overheidsbeleid, het onderwijs, de kunsten, de kunstzinnige vorming, het bedrijfsleven, maatschappelijke ondernemingen (met name woningbouwcorporaties) en het jongerenwerk. Onder invloed van al deze reacties hebben zich de ideeën en de plannen uiteraard verder ontwikkeld. In dit vervolgvoorstel zijn deze ontwikkelingen verwerkt. Met name is nog meer aandacht gegeven aan de clustering van culturele en educatieve functies, alsmede jongerenhuisvesting. Veel partijen uit de sferen van kunst, cultuur, onderwijs en wonen bleken hiervan veel te verwachten en wensten hierin te kunnen participeren.

De vloed van enthousiaste reacties had één nadeel: veel partijen lijken ervanuit te gaan dat algemeen verwelkomde voorstellen zonder meer gerealiseerd zullen worden. Er is immers niemand tégen. Zo werkt de wereld echter niet, zelfs niet in Rotterdam. Met dit vervolgvoorstel hopen wij daarom de totstandkoming van De Beat een nieuwe impuls te geven.

Dr. Hans Blokland (Raad van Toezicht Hal4)

Evan van der Most (directeur Hal 4

 


Inhoud

1 Van problemen naar kansen. 5

2 Jeugdcultuur en maatschappelijke integratie. 7

3 Jeugdcultuur en onderwijs. 9

4 Jeugd, vrijheid en cultuur 11

5 Clustering en synergie. 14

6 Een eerste schets van het centrum.. 16

Bijlage: bestaande projecten binnen Hal4. 19

 

 

 


1 Van problemen naar kansen

Rotterdam telt 185.000 jongeren onder de 25 jaar. Meer dan in andere gemeenten hebben deze jongeren het niet makkelijk. Relatief grote aantallen komen uit sociaal zwakkere gezinnen, hebben taal- en leerachterstanden, zijn vroegtijdig schoolverlaters of zijn werkloos. Sommigen hebben al deze kenmerken tegelijkertijd. Velen worden bovendien gediscrimineerd en gestigmatiseerd, hetgeen hun maatschappelijke positie verder ondermijnt. In het algemeen hebben veel jongeren moeite zich staande te houden in een cultureel zeer complexe en geregeld buitengewoon verwarrende samenleving waarin aan mensen steeds hogere eisen worden gesteld en waarin degenen die hieraan niet kunnen voldoen, steeds killer en harder worden genegeerd of aangepakt.

Jongeren hebben vaak niet alleen moeite aansluiting te vinden bij de samenleving. Maar ook bij elkaar: mensen staan, zoals de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling het onlangs uitdrukte, in toenemende mate ‘met de ruggen tegen elkaar’ (RMO-advies 37, 2006). De aantallen interetnische contacten van vooral Turken, Marokkanen en autochtonen zijn in de loop der jaren afgenomen en de wederzijdse opvattingen van allochtonen en autochtonen zijn over de jaren verslechterd. De tweede generatie allochtonen, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, voelt zich slechter thuis in Nederland, dan de eerste generatie en oordeelt ook relatief negatiever over autochtonen (SCP 2005).

De problemen zijn algemeen herkend en erkend en hoeven hier niet opnieuw uitgebreid voor het voetlicht te worden gebracht. Dit is afdoende gedaan, en terecht. Het wordt nu tijd meer dan we tot nu toe hebben gedaan, te zoeken naar oplossingen. Evenzo wordt het tijd meer nadruk te leggen op de vele mogelijkheden die onze jongeren Rotterdam te bieden hebben. Jongeren zijn niet alleen een probleem, maar ook een toekomst. Naast een economisch ‘Manhattan aan de Maas’ kunnen wij een cultureel ‘Harlem aan de Maas’ nastreven, een broedplaats van nieuwe culturele uitingsvormen, van nieuwe economische activiteiten en van nieuwe gemeenschappen. Een tolerante, creatieve stad bovendien, waarin creatieve, tegendraadse gangmakers zich vestigen en tot wasdom komen en op hun eigen, bijzondere wijze bijdragen aan het economisch klimaat.

In het volgende zullen we op vier kwesties ingaan:

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur een bijdrage kan leveren aan de sociale integratie en cohesie in een zeer multiculturele stad.

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van de leerprestaties en de ontginning van talenten van jongeren en daarmee aan hun maatschappelijke kansen.

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur in het algemeen een bijdrage kan leveren aan de persoonlijke ontplooiing en autonomie van jongeren en andere mensen.

·         De synergie die mag worden verwacht bij de clustering van instellingen en activiteiten uit de werelden van kunst, cultuur, educatie, jongerenwerk en wonen.


2 Jeugdcultuur en maatschappelijke integratie

De Rotterdamse samenleving dreigt uiteen te vallen in diverse etnische groepen die goeddeels langs elkaar heen leven en steeds negatiever over elkaar oordelen. Hoe kan de overheid bevorderen dat er meer, uiterst gewenste verbindingen tussen mensen met afwijkende achtergronden ontstaan? De reeds aangehaalde Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling pleit in haar laatste advies over integratie voor een ‘infrastructurele benadering’. De overheid heeft volgens de raad in het verleden te veel ingezet op eenmalige evenementen waarin niet de overeenkomsten tussen mensen centraal stonden, maar hun onderlinge verschillen. Onderzoek laat zien dat dergelijke incidentele ontmoetingen eerder vooroordelen bevestigen, dan nuanceren. Bovendien beklijven deze ontmoetingen niet: men legt weliswaar een verbinding, maar vindt elkaar vervolgens niet meer vanzelfsprekend terug, zelfs niet als men dat zou willen. We faciliteren zo wel ontmoeting, maar geen duurzame integratie. In plaats daarvan pleit de raad daarom voor het duurzaam bijeenbrengen van mensen, niet naast, maar in hun dagelijkse routines, en niet op basis van hun etnische eigenaardigheden, maar op basis van etniciteitoverstijgende gemeenschappelijkheden. Niet louter feesten waarin de diverse etnische groepen elkaar op eigen traditionele gerechten trakteren, maar scholen, kinderspeelplaatsen, parken, culturele instellingen, en uitgaansgelegenheden waar mensen elkaar met gedeelde motieven en belangen herhaaldelijk ontmoeten en leren kennen.

‘Publieke familiariteit’, schrijft de raad, is een cruciale bouwsteen voor sociale relaties. Mensen bouwen deze familiariteit op door ‘de ander’ herhaald te ontmoeten. Om het laatste te bevorderen adviseert de raad concreet (2006: 10):

·         ‘Creëer of benut vanzelfsprekende ontmoetingsplaatsen waar mensen komen om andere redenen dan integratie. Richt je – in scholen, verenigingen, openbare ruimten – op zaken die voor burgers belangrijk, handig, leuk of verplicht zijn in hun alledaagse routines.’

·         ‘Creëer of benut multifunctionele ontmoetingsruimten waar mensen in contact komen om andere redenen dan om die contacten zelf. Verbindt gescheiden circuits door verschillende activiteiten zo veel mogelijk op dezelfde plaats en tijd te organiseren.’

·         ‘Creëer of benut ruimten voor vanzelfsprekende ontmoetingen tussen mensen die in dezelfde levensfase zitten en daardoor dezelfde interesses, belangen of onzekerheden hebben.’

Het is evident dat deze voorstellen van de raad uitstekend passen bij het hier bepleite centrum voor jongerencultuur. Om tal van redenen. We noemen er alvast een paar en zullen dit in de loop van deze notitie verder adstrueren.

De culturele voorkeuren van jongeren uit verschillende etnische groepen vertonen, zo komt uit onderzoek naar voren, grote overeenkomsten. Wanneer er wel verschillen zijn, dan blijkt sociaal-economische positie de belangrijkste verklarende variabele te zijn. De jeugdcultuur is dus een uitstekend platform om jongeren van diverse etnische achtergronden als vanzelfsprekend bijeen te brengen. Vertrekkend vanuit dit platform kunnen vervolgens interessen voor andere culturele uitingen, uitingen die al dan niet van andere etnische groepen afkomstig zijn, worden opgewekt en ontwikkeld.

Het centrum zal een multifunctionele ontmoetingsruimte vormen omdat er zowel binnen- als buitenschoolse onderwijsactiviteiten zullen plaatsvinden, in bovendien een scala van culturele sferen. Te denken valt aan de activiteiten van de reeds nu zeer populaire projecten Digital Playground en Rotterdams Lef (voor een omschrijving van deze projecten, zie de bijlage). Daarnaast zullen er tal van activiteiten worden geprogrammeerd die samenhangen met de jongerencultuur, van optredens en workshops tot lezingen en discussies.

Het centrum onderscheidt zich op fundamentele wijze van alles wat er in Rotterdam reeds aan jeugd- en jongerenwerk bestaat, omdat het programma consistent inzet op cultuur en culturele overdracht, omdat het niet primair is gericht op de oplossing van concrete problemen (zoals criminaliteit of drugsgebruik) en, bovenal, omdat het niet buurt- of wijkgebonden is. In de steeds meer gesegregeerde buurten van Rotterdam is de grootste kans voor jongeren om zich buiten de eigen groep te begeven en naast bonding ook aan bridging te doen, gelegen in voorzieningen die hen herhaald en vanzelfsprekend buiten de eigen wijk brengen. Van doorslaggevend belang, zo stelt de RMO, voor een sociale infrastructuur waarin mensen vanzelfsprekend anderen ontmoeten, zijn voorzieningen die, enerzijds, op gedeelde interessen zijn gefundeerd en zowel breed toegankelijk als kwalitatief hoogstaand zijn en die, anderzijds, zich uitdrukkelijk niet in de eigen buurt of wijk bevinden.


3 Jeugdcultuur en onderwijs

De socialisatie en enculturatie van jongeren vindt plaats in het gezin, het onderwijs, het jongerenwerk, op straat, op het werk, binnen sportverenigingen, culturele instellingen en het uitgaansleven. Een tekortschietende socialisatie en enculturatie kent en leidt tot diverse problemen.

·         In de eerste plaats problemen in het onderwijs, met name onderpresteren en schooluitval.

·         In de tweede plaats, en hiermee deels verbonden, een gebrekkige maatschappelijke integratie. Zo bemoeilijkt een tekortschietende scholing de aansluiting met onze kennismaatschappij en belemmert een onbegrip van de culturele achtergronden van anderen en van de vigerende cultuur de vorming van gemeenschap. 

·         En in de derde plaats, en eveneens met het voorgaande verbonden, het probleem van een beperkte persoonlijke ontplooiing, leidend tot onmondigheid, onvrijheid en afhankelijkheid, en het niet kunnen vervullen van zijn of haar rol als burger in een moderne democratie.

De eenvoudigste, want de meest afdwingbare weg voor de overheid om jongeren te bereiken, biedt het onderwijs. Het onderwijs is natuurlijk een primaire factor in de socialisatie en de enculturatie van jongeren. Maar daarnaast kan men via het onderwijs de andere actoren bereiken of inschakelen die in deze socialisatie en enculturatie een rol spelen.

Vooral deze bundeling van krachten biedt perspectieven. Problemen die samenhangen met een tekortschietende socialisatie en enculturatie kunnen effectiever worden aangepakt wanneer er, daar waar dit mogelijk is, dwarsverbanden tussen het onderwijs, het gezin, het jongerenwerk, de sportverenigingen, de culturele instellingen, het bedrijfsleven en, zelfs, het uitgaansleven worden gelegd. Op dit moment gebeurt dit onvoldoende, hetgeen mede het gevolg is van het feit dat al deze factoren onder verschillende diensten en verantwoordelijke beleidsmakers vallen. Een centrum voor jongerencultuur waarin al deze factoren met elkaar worden verbonden of worden samengebracht kan hier een voorname stimulerende functie vervullen. Dit centrum zou kunnen vallen onder een wethouder jeugdbeleid.

Een belangrijke illustratie vormt de wijze waarop de jeugdcultuur een versterking kan betekenen van het onderwijs. Tussen beide domeinen gaapt op dit moment een kloof die mede verantwoordelijk is voor de bestaande grote schooluitval. Deze uitval kan mede worden voorkomen door meer dan vandaag gebeurt elementen van de jongerencultuur in het onderwijs als uitgangspunt te nemen en lesmethodieken te ontwikkelen (zoals learning by doing en p2p education) die beter aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Een centrum voor jongerencultuur kan hierin opnieuw een belangrijke rol vervullen.

Het Thorbecke-VO en Hal 4 onderzoeken op dit moment, om één voorbeeld te noemen, gezamenlijk de mogelijkheden van een highschool voor Urban Culture, opgezet op een vergelijkbare wijze als de reeds bestaande ‘voetbalschool’. Het idee is dat jongeren die buitengewoon zijn geïnteresseerd in Urban Culture, als het ware worden verleid ook de andere onderdelen van het curriculum te volgen, door hen binnen en buiten het curriculum extra mogelijkheden te bieden hun interesse te ontwikkelen. Vanzelfsprekend dient Urban Culture hierbij niet als substituut voor de kennis en vaardigheden die in het normale lesprogramma worden overgedragen en ontwikkeld, maar als katalysator (in de bijlage komen we iets uitgebreider terug op deze highschool voor Urban Culture).


4 Jeugd, vrijheid en cultuur

Het bovenstaande sluit naadloos aan bij de culturele en cultuureducatieve doelen, die wij voor het centrum voor ogen hebben. Deze doelen liggen in het verlengde van die van Hal 4: het ontwikkelen, produceren en programmeren van kwaliteitsrijke, multidisciplinaire producties op het gebied van theater, dans, muziek, media en educatie en dit vooral voor die jongeren die de drempels van de traditionele cultuurinstellingen doorgaans als te hoog ervaren en mede daarom minder kansen hebben hun culturele voorkeuren en competenties te ontwikkelen.

Waarom moeten wij inspanningen verrichten jongeren met kunst en cultuur in contact te brengen en hoe verhoudt zich dit tot het voorgaande? De belangrijkste rechtvaardigingen hiervoor hebben betrekking op individuele ontplooiing en autonomie, en op maatschappelijke cohesie, integratie en ontwikkeling. We lichten dit toe.

Kunst zou men, om te beginnen, als een ‘communicatiemiddel’ kunnen omschrijven, voortgekomen uit de wens zich uit te drukken en zich verstaanbaar te maken. Zij onderscheidt zich van andere communicatiemiddelen door de esthetische vorm waarin de boodschap wordt overgedragen. Deze wint hierdoor vaak aan kracht en intensiteit. Wat wordt er met kunst gecommuniceerd? Het is niet noodzakelijk dat de kunstenaar specifieke onderwerpen aansnijdt voordat men van kunst kan spreken. De boodschap kan zelfs louter bestaan uit een bepaald esthetisch genoegen, een mooie vorm waar niets achter gezocht kan en moet worden. Hoe meer er echter sprake is van taal, hoe belangrijker doorgaans de inhoudelijke boodschap. Het kan dan gaan om een bepaalde visie of reflectie op het leven, de dood, de liefde, het samenleven, de maatschappij, de cultuur, de kunst, het voetbal, de politiek, et cetera.

Cultuur en vrijheid heb­ben veel raak­vlak­ken. De kunsten en de letteren kunnen een stimule­rende rol spelen in het ver­gro­ten van het zelfbe­wustzijn en het voor­stel­lingsver­mogen van individuen. Zij kunnen mensen inzicht geven in het eigen bestaan en alterna­tieve manie­ren aanreiken om tegen het leven aan te kijken. Individuen die in het bezit zijn van een grotere culturele bagage hebben derhalve doorgaans ook een grotere kans op een auto­noom be­staan. Omdat zij op de hoogte zijn met alternatieve ideeën, waar­den, opvat­tingen, smaken, stijlen, enzovoorts, hebben zij immers de mogelijkheid eer­der reële keuzen in hun leven te maken, keuzen die niet worden bepaald door onwe­tendheid, vooroordeel of gewoon­te. Daar­naast dienen mensen enigermate hun talenten te ontplooi­en, willen zij werkelijk meester over hun leven kunnen zijn. Mensen moeten leren afstand van zichzelf te nemen, hun vermogens actief te gebruiken en keuzen te maken. Partici­patie in culturele activitei­ten kan hierin een belangrijke rol vervullen.

De kunsten en de letteren kunnen dus een bijdrage leveren aan het vergro­ten van de individuele autonomie en ontplooiing door, wanneer zij een inhoude­lijke boodschap hebben, interpretaties van en visies op de werkelijk­heid te bieden die mensen de moge­lijkheid bieden meer greep te krijgen op hun eigen bestaan. Wanneer kunstuitingen daarentegen hoofdza­kelijk een esthetische vorm communi­ce­ren, wanneer het dus voorna­melijk om schoonheid gaat, dan bevor­dert cultuureducatie de individuele autonomie omdat keuze­vrijheid pas bestaat wanneer men op de hoogte is van de beschikbare alternatieven. Men kan pas zinvol kiezen tussen Bach, Bowie of Kayne West nadat men met allen geconfronteerd is geweest.

Vanuit maatschappelijk perspectief kunnen de kunsten en de letteren uitdrukking geven aan de waarden, doeleinden, ideeën, utopieën die binnen een gemeenschap leven. Iedere gemeenschap moet levend worden gehouden door zowel democratische participatie als door uitdrukking en celebratie van datgene wat men bindt. Zeker in de huidige tijd, een tijd waarin zovelen zo sterk tegenover elkaar zijn komen te staan, is hieraan grote behoefte.

Daarnaast vormen de kunsten geregeld een laboratorium waarin kritisch wordt gereflecteerd op de cultuur in sociologische zin en waarin nieuwe vergezichten en standaarden worden ontwikkeld op basis waarvan deze cultuur zich verder zou kunnen ontwikkelen. Zij leveren aldus een bijdrage aan het elan en de dynamiek van de cultuur, een elan en een dynamiek die een cultuur tot een levende beschaving maken. Het behoeft geen toelichting dat juist vandaag, waarin zoveel onzekerheid bestaat over wijzen van samenleven, dit laboratorium iedere mogelijke ondersteuning verdient. Culturele activiteiten kunnen in deze zin een dialoog vormen om zowel te ontdekken wat mensen vandaag uiteindelijk bindt als wat hen zou kunnen binden.

Hoe dan ook, jongeren participeren vandaag nauwelijks in de traditionele kunsten. Dit geldt zeker voor hen die van huis uit niet vertrouwd zijn met kunst en cultuur. Er zijn hiervoor verschillende verklaringen.

·         Een van de verklaringen is dat een groot deel van het huidige kunstenaanbod sterk onconventioneel, avantgardistisch van aard is en een buitengewoon grote culturele competentie vereist.

·         Hiermee samenhangend is er vandaag een te klein ‘middengebied’ in het culturele aanbod. Aan de ene kant bestaat het enorme, weinig uitdagende aanbod van de commerciële cultuurproducenten. En helemaal aan de andere kant van het culturele spectrum is het moeilijk te begrijpen en te plaatsen gesubsidieerde aanbod. Vooral jongeren hebben hierdoor onvoldoende mogelijkheden om hun culturele competentie langzaam, stap voor stap, op te bouwen, hetgeen, zo laat onderzoek zien, een vereiste is van culturele participatie. 

·         Een andere belangrijke verklaring is, dat het bestaande aanbod onvoldoende aansluit bij de belevingswereld van jongeren, zeker wanneer deze jongeren een niet-Nederlands verleden bezitten. Het heeft geen toelichting nodig dat van het laatste vooral in Rotterdam sprake is.

·         Het gaat hier niet alleen om een belevingswereld in sociologische zin: de problemen, verwachtingen, idealen, waarden van jongeren. Het gaat tevens om de wijzen waarop deze wereld wordt uitgedrukt. Hier moet worden geconstateerd dat er tot nu toe te weinig aandacht is geweest voor die uitingen die betekenis­vol zijn voor jongeren, men denke aan de popmuziek, dans en moderne media. Hetzelfde geldt onder meer voor de uitingen van culturele minderheden. De verrijking die zij voor onze cultuur zouden kunnen betekenen, wordt hiermee genegeerd. Wanneer men, in het algemeen, een cultuurbeleid wilt voeren dat meer is dan een voorzieningenbeleid voor een kleine culturele elite, dan doet men er verstandig aan tevens aan te sluiten bij de massacultuur en te proberen deze cultuur daar aan te vullen – met betrekking tot haar kwaliteit en pluriformiteit – waar zij tekortschiet.

Door de bestaande kloof tussen kunst en jongeren worden veel kansen op individuele ontplooiing en autonomie en op maatschappelijke cohesie, integratie en ontwikkeling gemist. Het streven van Hal 4 is altijd geweest deze leemten op te vullen. Met bijvoorbeeld Rotterdams Lef proberen wij een kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod te scheppen dat aansluit bij de belevingswereld en culturele competenties van jongeren van diverse etnische achtergronden en dat hen de mogelijkheid biedt hun competenties te ontwikkelen. Ook hebben wij altijd gaarne vele gezelschappen met vergelijkbare doelen geprogrammeerd. Gezien de enorme noden binnen de huidige Rotterdamse samenleving en de bestaande diepe kloof tussen Rotterdamse jongeren en gevestigde cultuurinstellingen gebeurt dit alles echter op een veel te kleine schaal. Daarom bepleiten wij een stoutmoedige, tot de verbeelding sprekende samenbundeling van krachten en schaalvergroting: een bruisend, multifunctioneel, multidisciplinair centrum voor jongerencultuur.


5 Clustering en synergie

Zoals we in het voorwoord hebben uiteengezet, heeft het idee een multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor cultuur en educatie veel weerklank gekregen. Veel partijen hopen in een dergelijk centrum elkaars activiteiten te kunnen versterken dankzij elkaars fysieke nabijheidheid.

Dit geldt ten eerste in artistieke zin: door kruisbestuivingen tussen verschillende kunstdisciplines bestaat er uitzicht op de ontwikkeling van nieuwe kunstvormen en -uitingen. De binnen de muren van Hal4 ontwikkelde en door publiek en media enthousiast verwelkomde hiphopopera Atalanta is hiervan een recent sprekend voorbeeld.

Ten tweede geldt dit in (kunst-)economische zin. Schaalvergroting maakt professionalisering met vakspecialisten mogelijk. Men kan hier denken aan programmeurs, cultuureducatieontwikkelaars, debatleiders, productieleiders, workshopleiders (p2p van autodidact naar hbo-kunstvakdocenten), zakelijk leider(s) en communicatie- en salesmedewerkers. De diverse cultuurproducenten die in De Beat zouden participeren zouden dus bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van één professionele organisatie om hun producten naat het publiek te communiceren. Gebundelde krachten in een samenwerkingsverband leveren bovendien synergie op.

Ten derde geldt dit in strikt markteconomische zin: het spreekt voor zich dat het hier beoogde centrum direct en indirect een enorme economische activiteit zal genereren en een stimulerende uitwerking zal uitoefenen op zijn fysieke omgeving. Het gaat om inkomens die worden verdient én uitgegeven, en om competenties die worden ontwikkeld en vervolgens economisch kunnen worden aangewend.

Ten vierde zijn er, zoals uiteengezet in paragraaf drie, grote cultuurpolitieke en cultuursociologische voordelen te verwachten van de hier bedoelde clustering van activiteiten. Het centrum zou, zoals bepleit door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, een vanzelfsprekende ontmoetingsplaats vormen waar mensen komen om andere redenen dan integratie. Het zou een multifunctionele ontmoetingsruimte zijn waar mensen in contact komen om andere redenen dan om die contacten zelf. Gescheiden circuits zouden worden verbonden door verschillende activiteiten op dezelfde plaats en tijd te organiseren. En het centrum zou een ruimte vormen voor vanzelfsprekende ontmoetingen tussen mensen die in dezelfde levensfase zitten en daardoor dezelfde interessen, belangen of onzekerheden hebben.

Ten vijfde zou er, zoals uiteengezet in paragraaf vier, sprake kunnen zijn van een synergie tussen cultuur en onderwijs. Cultuur zou tot een vanzelfsprekender onderdeel van het curriculum kunnen worden gemaakt. De thans bestaande kloof tussen onderwijscultuur en jeugdcultuur, een kloof die een van de verklaringen vormt van onderpresteren en uitval, zou via dit centrum verkleind kunnen worden. Cultuur zou als katalysator kunnen dienen voor het opwekken van enthousiasme voor school en schoolloopbaan.

En ten zesde en hierop aansluitend, zouden dankzij het centrum problemen van jongeren die samenhangen met een tekortschietende socialisatie en enculturatie, effectiever kunnen worden aangepakt. Dit door dwarsverbanden te leggen tussen onder meer het onderwijs, het jongerenwerk, de culturele instellingen, het bedrijfsleven en het uitgaansleven. Het integraal aanpakken van problemen door juist deze dwarsverbanden te leggen, biedt het meeste perspectief op het oplossen van de problemen waarmee vandaag helaas te veel Rotterdamse jongeren worden geconfronteerd. In deze integrale aanpak zou het centrum voor de cultuur en educatie van jongeren een belangrijke stimulerende rol kunnen spelen.


6 Een eerste schets van het centrum

Het idee voor De Beat is aan een groot aantal partijen uit de werelden van kunst, cultuur, onderwijs en wonen voorgelegd om een eerste reactie te peilen. Zoals gesteld, hebben veel partijen enthousiast gereageerd. Hieronder noemen we concreet de woningcorporatie Vestia en het Grafisch Lyceum Rotterdam. Het spreekt voor zich dat andere partijen in dit stadium terughoudend moeten zijn in het openbaren van concrete belangstelling: deelname aan een ongewis toekomstscenario leidt geregeld tot interne onzekerheid (gaat men bij voorbeeld nog investeren in de huidige locatie?) en kan repercussies hebben voor de subsidierelatie met lokale overheden. Niettemin kunnen we toch reeds enige contouren schetsen.

De woningcorporatie Vestia en haar dochteronderneming Estrada die integrale gebieds- en projectontwikkelingen verzorgt, zijn enthousiast over de combinatie van Theater Hal 4, bioscoopzalen, poppodia, onderwijs en wonen op de Pols van Katendrecht. Samen met het European Chinese Centre (ECC) op Katendrecht en de komst van de SS Rotterdam zou op deze wijze een interessant cultureel cluster kunnen ontstaan. De betrokkenen denken aan 200 à 400 units jongerenhuisvesting van 70m2 voor maximaal € 350 per maand.

Het Grafisch Lyceum Rotterdam wil uitbreiden van 4.000 naar 5.000 studenten, hetgeen een uitbreiding betekent van de huidige 23.000 naar 30.000m2. De huidige locatie biedt daartoe geen mogelijkheden. Het GLR wil niet uitbreiden door de vestiging van dependances maar wil uitdrukkelijk alle activiteiten accommoderen onder één dak. Het is daartoe op korte termijn op zoek naar een geschikte locatie voor nieuwbouw. Het GLR afficheert zich op het gebied van innovatief media-onderwijs als het grootste en meest toonaangevende media-instituut van Europa. Met opleidingen die zich richten op multimedia vormgeven, grafisch vormgeven, art & mediadesign, gamedesign, animatie, film & video, fotografie, audiovisuele productie, podium- en evenemententechniek, mediamanagement, printmedia en mediatechnologie. Het GLR speelt een actieve rol in het positioneren van Rotterdam als “capital for the creative industry”.

De situatie van de poppodia in Rotterdam laat, zoals bekend, al enige tijd te wensen over. Los van de plaatselijke situatie meent de directeur van het Fonds voor de Podiumprogrammering en Marketing (FPPM), Martin van Ginkel, dat er in Nederland in aanvulling op de reeds bestaande zalencomplexen in Den Haag, Amsterdam, Haarlem en Tilburg behoefte bestaat aan een complex met meerdere kleinere popzalen naast elkaar. Deze zalen zouden ook geschikt moeten zijn om (pop)festivals te accommoderen. Problemen met publieksstromen, zoals bijvoorbeeld bij het North Sea Jazz Fetival in het Nederlands Congres Centrum in Den Haag, zouden door het ontwerp voorkomen moeten worden. Gedacht wordt aan een zaal met een capaciteit met 1.500 bezoekers in combinatie met twee zalen van 750 bezoekers (waaronder Theater Hal 4, die bij festivals aan het popcomplex kan worden toegevoegd).

Stichting Hal 4 zal de bestaande producten Digital Playground, Rotterdams Lef en de jongerenprogrammering in Theater Hal 4 in De Beat inbrengen. De nieuwe ruimte zal uiteraard niet onder moeten doen voor de huidige locatie van Hal4 op het DWL-terrein. De zaal zal bij popconcerten geschikt moeten zijn voor ten minste 700 staanplaatsen en een telescooptribune met 250 zitplaatsen. Er zal ook een repetitieruimte aanwezig dienen te zijn waar Rotterdams Lef voorstellingen in kan afmonteren. Tevens dient er voldoende kantoorruimte te zijn. Locatieprojecten als de hiphopera Atalanta moeten ook op de nieuwe locatie tot de mogelijkheden behoren. In de programmering wordt voorts de samenwerking uitgebreid met groepen als Rotterdams Lef, Made in da Shade, Ish, Aya, Meekers, Waterhuis, The History of Hip Hop, Like Minds, Dox, Rotjong en het internationale aanbod. Het betreffen gezelschappen die consistent urban elementen verwerken in hun voorstellingen.

Kortom, de gedachten gaan op dit moment in ieder geval uit naar een clustering van jongerenhuisvesting, onderwijs, Theater Hal 4 en een popcomplex met tenminste twee zalen. Daarnaast zijn er tal van optionele invullingen denkbaar:

-          kantoor- en studioruimten voor organisaties op het gebied van grootstedelijke (podium- gerelateerde) jongerencultuur, die hun publieksevenementen ook in het gebouw kunnen onderbrengen

-          kantoren en studiofaciliteiten van de Rotterdamse professionele dansgezelschappen

-          bioscoopzalen (mogelijke opvolging Cinerama, arthouse programmering van Pathe)

-          studie- en kenniscentrum jongerencultuur: Met regelmaat vinden debatten plaats over facetten van jongerencultuur, die worden gehost door bekende presentatoren van FunX, The Box en MTV en door bekende journalisten en opiniemakers uit politiek en wetenschap. Potentiële mediapartners hebben aangegeven hierin geïnteresseerd te zijn. Daarnaast organiseert het centrum voor directies en docenten uit het onderwijs expertmeetings over de rol van cultuureducatie, learning by doing, p2p educatie, etcetera. De talentontwikkeling waar Studio Lef en Digital Playground ervaring mee hebben opgedaan, bouwt het centrum verder uit. Het gaat de samenwerking aan met organisaties die eveneens op dit gebied actief zijn.

-          organisaties van het jongerenwerk

-          organisatiebureau voor stageplaatsen

-          onderwijsvoorlichtingsbureau

-          aan jongeren gerelateerde middenstand (telefoonwinkels, mode, muziekwinkels, gaming, horeca, etc.)

 

Een locatie in de nabijheid van metrostation Rijnhaven zou zeer geschikt zijn. Het gaat hier om een gebied dat zeer goed bereikbaar is met het openbaar vervoer en dat gevoelsmatig nog dicht bij het centrum ligt. Het betreft bovendien een locatie waar nog voldoende ruimte is om een grootschalig nieuwbouwcomplex met architectonische allure te realiseren. En tenslotte zou vestiging van De Beat juist op deze plek een enorme economische en culturele stimulans kunnen geven aan zijn directe fysieke omgeving. In deze zin zou de Beat een belangrijk onderdeel van het Pact op Zuid kunnen vormen.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat alle participerende partijen opgaan in één nieuwe hiërarchische organisatie. Partijen behouden hun onafhankelijkheid. Synergie wordt gezocht in samenwerking. Onnodige, dure overlap in zaken als administratie en communicatie wordt evenwel tegengegaan. Daarenboven is er een koepel- of netwerkorganisatie ‘De Beat’ die, naast het “branden” van de naamsbekendheid van de verschillende projecten, werkt aan de corporate identity van de organisatie als geheel. De Beat zoekt samenwerking met zoveel mogelijk betrokken partijen, teneinde een zo breed mogelijk draagvlak binnen de samenleving te creëren. Men denke hier aan instellingen als SKVR, DSO, Nighttown, Now & Wow, Passionate, Hiphophuis, aan het jongerenwerk en aan onderwijs- en sportinstellingen.


Bijlage: bestaande projecten binnen Hal4

Het centrum zal een platform zijn voor een breed pallet aan projecten. Ter verdere verduidelijking van waaruit deze projecten zouden kunnen bestaan, zetten we in deze bijlage in het kort uiteen wat de reeds bestaande projecten Rotterdams Lef en Digital Playground behelzen, en wat drie projecten inhouden die we thans ontwikkelen: de highschool voor Urban Culture, de structurele samenwerkingsverbanden tussen individuele onderwijsinstellingen en individuele theatergezelschappen en de lezingencyclus over nieuwe lesmethodieken die een bijdrage kunnen leveren aan het dichten van de kloof tussen jongeren en scholen.

 

Digital Playground

In de huidige maatschappij spelen media een centrale rol. Media zijn steeds meer context, inhoud en bemiddelaar van informatie, kennis en ervaring. Digital Playground stimuleert het creatieve gebruik van digitale media onder jongeren en wil zo een bijdrage leveren aan het kritische vermogen van jongeren ten aanzien van media, beeldcultuur en digitale informatie; niet alleen als consument maar juist ook als producent. Sinds 1998 organiseert Digital Playground workshops voor het voortgezet onderwijs. Alleen al in Rotterdam experimenteren jaarlijkse duizenden leerlingen met film, fotografie, webdesign en geluid. Voor de inhoud van de workshops wordt samengewerkt met kunstinstellingen zoals de Kunsthal, het Wereldmuseum en V2.

Daarnaast reist het project als evenement door Nederland, DP On Tour. Dit gebeurt in samenwerking met gemeenten, culturele centra of educatieve organisaties. DP als evenement is onder meer gerealiseerd in Amsterdam, Almere, Zoetermeer, Heerlen, Goes, Leiden en Arnhem.

DP ontwikkelt ook educatief maatwerk voor culturele festivals, DP Special. In opdracht van festivalorganisaties en culturele instellingen wordt inhoudelijk aansluiting gevonden bij tentoonstellingen, films en andere kunstinhoudelijke programma’s. Voorbeelden van opdrachtgevers zijn het Nederlands Filmfestival, IDFA, Filmhuis Den Haag, Films by the Sea en het International Film Festival Rotterdam.

Het nieuwste product van DP is Shop4Media, een educatieve website waar leerlingen van alles kunnen leren over media en mediatoepassingen. De website geeft in woord, (bewegend) beeld en gesproken tekst, uitleg over de onderwerpen media, beeld, montage, geluid, vormgeving en beeldtaal. Leerlingen kunnen zelf experimenteren met deze onderwerpen via de knop ´Try b4 u buy´. Door te klikken en te schuiven ondervindt de leerling wat de effecten zijn van andere keuzen en oplossingen. Leerlingen kunnen zelf experimenteren met deze onderwerpen in een interactieve leeromgeving.

Digital Playground is zowel opgenomen in de Cultuurplan van de gemeente Rotterdam als van het Ministerie van OCW.


Rotterdams Lef

Rotterdams LEF maakt urban theater; eigentijds theater vanuit een streetwise benadering. De hartslag van de grote stad wordt zo vertolkt door jonge professionele spelers die uitgedaagd worden om de waan van de dag te overstijgen. In de voorstellingen van Rotterdams Lef worden klassieke theatertradities vermengd met expressievormen van de straat. Op deze manier ontstaat er dynamisch en actueel theater dat een nieuw, jong en cultureel divers theaterpubliek aanspreekt. De voorstellingen zijn populair onder jongeren omdat zij, vaak voor de eerste keer, in aanraking komen met een vorm van theater die uitgaat van hun eigen belevingswereld en de daarbij behorende muziek-, kleding-,  leef- en dansstijlen. Rotterdams Lef maakt twee voorstellingen per jaar die zowel in het binnen – als in het buitenland te zien zijn in theaters en op scholen.

Naast de productie van publieksvoorstellingen heeft Rotterdams Lef een trainingstraject voor jonge getalenteerde spelers en dansers: Studio Lef. Zij krijgen de mogelijkheid om hun talenten uit te diepen. Na het volgen van dit traject auditeren velen van hen voor een theateropleiding of stromen zij door naar producties in het professionele circuit.

Naast het bevorderen van doorstromingsmogelijkheden op uitvoerend gebied is Rotterdams Lef, als talentontwikkelaar, ook een katalysator zijn op het gebied van regie, schrijverschap en choreografie. Lef heeft hiertoe het project Shorties ontwikkeld. In Shorties krijgen talentvolle spelers met ambitie de kans om onder professionele begeleiding een eigen artistiek concept te ontwikkelen en uit te voeren.

Rotterdams Lef is opgenomen in het Cultuurplan van de gemeente Rotterdam.

 

Highschool voor Urban Culture (vmbo-tl/havo)

Thorbecke Voortgezet Onderwijs in samenwerking met Hal 4 en SKVR

Een highschool voor urban culture sluit aan bij het sportprofiel van het Thorbecke Voortgezet Onderwijs (Thorbecke VO), ´s lands grootste topsportschool. Behalve een topsportschool herbergt de school opleidingen die tot doel hebben sportieve en culturele talenten bij leerlingen te herkennen en te ontwikkelen. Er zijn sportklassen, dansklassen, highschools voor sport, kunst en cultuurklassen en een opleiding voor sport en dienstverlening. In dit rijtje past de nieuwe highschool die wij thans samen ontwikkelen. Te meer daar de expansie van het highschoolmodel, dat tot nog toe werd uitgevoerd met sportverenigingen onder auspiciën van een sportbond, allerminst een expeditie is op een onbekend terrein. In het curriculum van de nieuwe opleiding krijgt een eigentijdse variant van ´sport en beweging´ een voorname plaats. Het sportieve gebied wordt dus niet verlaten.

Tegelijk wordt de nieuwe opleiding een voorbeeld van de samenwerking tussen een onderwijsinstituut en culturele organisaties, een samenwerking die in de literatuur geregeld wordt bepleit, maar zelden tot stand komt. Door toepassing van het highschoolmodel op cultureel terrein lukt dit met een organisatie die gespecialiseerd is op het gebied van de urbane cultuur (HAL 4) én een organisatie waar een stedelijke publiek kennismaakt met vormen van moderne kunst en cultuur (de Stichting voor Kunstzinnige Vorming Rotterdam, SKVR). Uniek zal de highschool zijn vanwege haar primaire aandachtsgebied: urban culture. Nergens in Nederland bestaat een opleiding die zich richt op dit culturele terrein.

Hal 4 draagt de docenten aan voor de lessen in urban culture, die in de gekozen opzet vallen onder de regie en de verantwoordelijk van de school. Zij blijven een onderdeel van het curriculum en zijn aan wettelijke eisen gebonden. Er wordt naar gestreefd de lessen op de highschool te geven door bevoegde docenten. Indien een docent niet onderwijsgerechtigd is, dan kan hij of zij echter bekwaam worden verklaard voor een onderdeel. Op het Thorbecke VO wordt gewerkt met een ´basispakket´ en een ´talentzone´. In het basispakket worden de lessen gegeven die wettelijk voorgeschreven zijn. In de ‘talentzone’ werken de leerlingen aan hun specifieke interessen. Op de highschool voor urban culture bestaan de lessen uit een vak uit het ´basispakket´ en de uren van de ´talentzone´. De lessen ´sport en beweging´ zijn verplicht en worden op scholen nog vaak aangeduid als lichamelijke oefening. Dit laatste is niet meer juist, omdat door een ruimere omschrijving van het vak ook diverse bewegingsvormen, waaronder dans, er onder te brengen zijn. De wettelijke eisen zijn verruimd

 

Match theater- en dans gezelschappen met onderwijs

De vraag vanuit het onderwijs naar podiumkunsten is na de introductie van het CKV gestabiliseerd. Het aanbod podiumkunsten voor vmbo-jongeren is kwantitatief en kwalitatief toegenomen. Bij de gezelschappen bestaat echter onvrede over het vluchtige karakter van het spelen van voorstellingen, al of niet gevolgd door een kortstondige workshop. De gezelschappen zouden graag met lokale organisaties en scholen meerjarige relaties opbouwen. Een veel gehoorde klacht van acteurs en dansers is, dat ondanks het beschikbare educatieve materiaal, de docenten hun leerlingen slecht hebben voorbereid op het bezoek aan de voorstellingen.

Sinds de introductie van het CKV blijkt niettemin de kennis van de docenten toe nemen. Men is kritisch, weet goed wat het aanbod is en ontwikkelt visies over de langere termijn. De vraag naar workshops is dan ook toegenomen. Inmiddels heeft Hal 4 een intensief netwerk binnen het onderwijs opgebouwd. Onderwijsinstellingen nemen met regelmaat producten van ons af en vragen steeds vaker advies over kunst- en cultuuractiviteiten die zij aan het ontwikkelen zijn. Het gaat dan om adviezen over de inrichting van een nieuwe school tot de opzet van een urban art opleiding. Vanuit de behoefte van Hal 4, in combinatie met de signalen die wij zowel vanuit het onderwijs als van de gezelschappen krijgen, gaan wij met individuele scholen en individuele gezelschappen intensieve samenwerkingsverbanden opbouwen.

In dit kader is er intensief contact geweest met de zakelijk leiders van tien organisaties of gezelschappen, die op een consistente manier bezig zijn de urban culture in hun voorstellingen te verwerken. Het gaat om: Aya, Ish, Cosmic, Made in da Shade, Waterhuis, Meekers, Rotterdams Lef, Atalanta en Epitome Entertainment. Vier van deze gezelschappen zijn afkomstig uit Amsterdam en zes uit Rotterdam. Er is een breed draagvlak voor het idee om de gezelschappen te binden aan ieder twee instellingen van het voortgezet onderwijs in Rotterdam. Het idee om een intensief voortraject met natraject te organiseren rond een voorstelling heeft grote bijval gekregen. De Amsterdamse gezelschappen zijn zodanig geïnspireerd dat zij voornemens zijn eenzelfde traject met onderwijsinstellingen in Amsterdam op te zetten. We spreken inmiddels over een project met als werktitel RoAm-Connection (ROAM = ROTTERDAM AMSTERDAM CONNECTION). Als organisaties uit de twee grote steden gaan we een gezamenlijk plan opzetten, met een landelijke voorbeeldfunctie.

Voor dit ambitieuze plan zullen de Amsterdamse gezelschappen bij het Amsterdamse Fonds voor de Kunsten aanvullend geld aanvragen en de Rotterdamse gezelschappen bij de dienst Kunst en Cultuur van de gemeente Rotterdam. Gezien de te verwachten landelijke voorbeeldfunctie zal ook een beroep gedaan worden op een op te richten cultuureducatiefonds van FAPK.

Theater Hal 4 heeft in Rotterdam een hechte band ontwikkeld met tal van instellingen voor het voortgezet onderwijs. Het gaat om de Thorbecke Voortgezet Onderwijsgroep, het City College Sint Franciscus, het Lodewijk Rogier College, het ROC Albeda College, het Libanon Lyceum, het Einstein College, het Melanchton College, het OSG Nieuw Zuid, het Junior College, de Toorop Mavo, het Zuiderpark College, het Laurens College, het ROC Zadkine College en het Grafisch Lyceum Rotterdam. Afhankelijk van de aard van de opleiding en het niveau van de leerlingen maken wij voor iedere school een match met één van de gezelschappen waarmee een samenwerkingsverband overeen is gekomen.

Vanaf het seizoen 2006/2007 worden de gezelschappen in overleg met het onderwijs geboekt. Van de 200 zitplaatsen nemen zij er verplicht 140 af. De resterende 30% worden vrij gehouden voor individueel bezoek. Hierdoor staat bij voorbaat vast dat er voldoende publiek zal zijn om een voorstelling door te kunnen laten gaan. Het beleid past in de ontwikkeling dat cultuureducatieve instellingen zich in de toekomst meer vraaggericht gaan opstellen en minder aanbodgericht.

 

Lezingen- en discussiecyclus over jeugd- en schoolcultuur

Het nieuwe centrum moet geen plek worden voor het onderwijs, maar een plek van het onderwijs. Er wordt geluisterd naar wat er op de scholen leeft. Om de kloof tussen onderwijs en jeugdcultuur te dichten worden nieuwe lesmethodieken ontwikkeld. Op het raakvlak van onderwijs en cultuureducatie worden in samenwerking met schooldirecties en docenten debatten georganiseerd over tal van relevante onderwerpen: de gevolgen van de ontwikkelingen van het competentiegericht onderwijs op het vak ckv, hoe jongeren kan worden geleerd kritisch en kundig met media om te gaan, straattaal, gaming, receptief aanbod versus actief aanbod, hoe culturele instellingen meer vraaggericht kunnen gaan werken in plaats van aanbodgericht, hoe podiuminstellingen scholen kunnen coachen bij het ontwikkelen van theatervoorstellingen door leerlingen, de behoefte vanuit het onderwijs naar een aanbod van kunstinstellingen dat specifieker is gericht op het niveau en de leeftijd van hun leerlingen (vmbo, havo, vwo, en mbo), learning by doing, en peer two peer education.