Artikelen
 

De regering is oordelaar van wetenschap en kunst

(Metropolis M: Tijdschrift over Hedendaagse Kunst, Jg.5, Nr.6, december 2007)

 

Hans Blokland

 

Hoewel hij te pas en te onpas in de desbetreffende discussies wordt aangehaald, had Thorbecke weinig diepzinnige gedachten over cultuurbeleid. In reactie op een kamervraag over de tekst van de troonrede stelde hij in september 1862: ‘De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst’. Dit weerhield hem er niet van om onder meer het kunstvakonderwijs te steunen, reisbeurzen voor talenten te verstrekken en het nationale kunstbezit voor het publiek openbaar te maken. Bij de behandeling van zijn begroting enige maanden later verduidelijkte hij daarom: ‘De kunst is geen regeringszaak, in zoverre de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst’. Dit weinig uitgediepte standpunt is sindsdien voortdurend gebruikt om, enerzijds, aan de overheid een zak met geld te vragen en, anderzijds, dezelfde overheid te ordonneren zich absoluut niet met de besteding hiervan te bemoeien. Kunstenaars zouden zich anders gedwongen weten zich te conformeren aan de politieke preferenties van hun weldoener, hetgeen de vrijheid van de kunsten in gevaar zou brengen en een grauwe, stalinistische ‘staatskunst’ zou voortbrengen.

Iets meer doordenken laat al snel de onhoudbaarheid, zelfs malheid, van deze redenering zien. Waarom zou de overheid een aantal bestuurders in de culturele sector een zak met geld geven om onder kunstenaars te verdelen? En op basis van welke overwegingen zou de overheid moeten besluiten hoe groot die zak dient te zijn? Bestuurders uit de sportwereld, de agrarische sector, de wegenbouw, de zorgsector komen met hetzelfde verzoek bij de overheid en allen wensen een zo groot mogelijke zak. Vaak hebben ze daar nog argumenten voor ook. Gegeven de schaarste aan middelen zullen al deze verzoeken tegen elkaar moeten worden afgewogen. Het relatieve belang, dat bovendien door wijzigende omstandigheden voortdurend verandert, moet worden vastgesteld. Daar is niets plats of vulgairs aan: ook kunstenaars die zich compromisloos wijden aan de kunst, aan het Schone, gaan af en toe naar de supermarkt of naar het strand. Mensen hebben vele talenten en vele behoeften, en ten behoeve van de eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid doen zij er in de regel verstandig aan dit bijtijds te onderkennen. De talenten en de behoeften van een samenleving zijn nog vele malen diverser en de politiek komt er daarom niet onderuit in haar beleid keuzen te maken. Sterker: de noodzaak het laatste te doen, vormt de bestaansreden van ‘politiek’.

Op de vraag naar de reden van de zak met geld en de relatieve omvang hiervan dient dus onvermijdelijk een antwoord te komen. Dit antwoord wordt bepaald door altijd betwistbare normatieve opvattingen over het (relatieve) belang van de kunsten voor individuen, groepen en samenlevingen en over de verantwoordelijkheden van overheden met betrekking tot deze belangen. Het fundament van deze opvattingen bestaat weer uit visies op het Goede leven en op de Goede samenleving waarin dit leven mogelijk is, visies die evenzeer altijd betwistbaar zijn en op hun beurt berusten op specifieke mens-, maatschappij- en wereldbeelden. Op het moment dat de overheid een zak met geld geeft, oordeelt zij dus over de kunsten: zij geeft een inhoudelijk antwoord op de vraag wat het persoonlijke en maatschappelijke belang van kunst is en dit antwoord is onherroepelijk gebaseerd, expliciet of impliciet, op politieke overtuigingen over zin en betekenis van leven en samenleven. Iedere euro die wordt besteed aan kunst is een oordeel over kunst. Wanneer men absoluut geen regeringsoordeel over kunst wenst, dient men, wil men althans consistent blijven, geen enkele overheidssteun te verlangen. Maar ook dit standpunt herbergt onontkoombaar een oordeel over kunst, politiek, overheid en samenleving: bijvoorbeeld het oordeel dat de overheid een dermate onbetrouwbare, stalinistische actor vormt, dat iedere overheidsbemoeienis uiteindelijk ontspoort in propaganda, onderdrukking en artistieke hersendood.

Biedt het wellicht soelaas wanneer de overheid ‘fondsen’ in het leven roept, bevolkt met verstandige en deskundige oordelaars, en het oordeel aan deze fondsen overlaat? Deze strategie wordt meer en meer toegepast, niet alleen in de kunstwereld, maar over het hele spectrum van het overheidsbeleid. Het aantal ‘verzelfstandigde bestuursorganen’ of ‘hybride organisaties’ is mede daarom de laatste twee decennia dramatisch toegenomen, met overigens weinig positieve effecten op de ‘productie’ van de desbetreffende instellingen. Het zijn welkome constructies voor bange politici die in een meer en meer door mediahectiek bepaalde democratie van zoveel mogelijk beslisbevoegdheden lijken af te willen: wanneer de treinen niet meer op tijd rijden, lijkt het politiek en electoraal profijtelijk om naar derden te kunnen wijzen. Dat het electoraat vervolgens steeds minder redenen ziet zich in de politiek te interesseren, dat de publieke legitimiteit van het politieke systeem op deze wijze langzaam wordt ondermijnd, is een langetermijngevolg dat de betrokkenen zelden raakt. Een vergelijkbaar effect dreigt voor de fondsen. Wanneer de kunstwereld steeds meer ‘onder elkaar’ middelen verdeelt, raakt zij nog meer in haar eigen wereld opgesloten dan nu reeds het geval is, en zal de publieke legitimiteit van het gehele beleid langzaam afnemen. Een voortdurend politiek debat over de hierboven genoemde vragen is noodzakelijk om deze legitimiteit te onderhouden. Fondsen frustreren dit onderhoud.

Maar er is nog een belangrijk probleem. Allereerst moeten we constateren dat de oprichting van een fonds de politiek niet ontslaat van de noodzaak de (relatieve) omvang van zijn budget vast te stellen. Deze vaststelling, zo zagen we, herbergt onvermijdelijk een politiek oordeel. Maar daarenboven moet de politiek vaststellen hoeveel fondsen er zijn en hoe groot hun relatieve budgetten zijn: welke kunstsectoren acht de politiek van zoveel relatief belang dat er een apart fonds voor in het leven moet worden geroepen om te voorkomen dat beschikbare gelden, om bijvoorbeeld redenen van ‘kwaliteit’, wegvloeien naar andere sectoren? Ook deze vaststelling is onvermijdelijk zwaar politiek van karakter. Een deskundige die stelt dat hij dit op grond van zijn deskundigheid kan doen, jokt of is niet deskundig.

Stel, dus, we besluiten een fonds voor podiumkunsten op te richten, naast een fonds voor beeldende kunst, amateurkunst, letteren, film, muziek, et cetera. De keuze voor hun oprichting en hun relatieve budget is politiek. Maar vervolgens zal er al snel binnen ieder bestaand fonds een strijd ontstaan tussen pleitbezorgers van afwijkende disciplines en kunstopvattingen, -stromingen of -paradigma’s. De politiek zou deze politieke strijd kunnen beslechten door een apart, nieuw fonds op te richten. ‘Podiumkunsten’ is dus bijvoorbeeld een wel erg grote paraplu. Wat is het belang binnen dit specifieke fonds van mime, toneel, jongerentheater, cabaret, musical (ik noem maar wat)? Wellicht draagt de ene kunstvorm meer dan de andere bij aan de persoonlijke ontplooiing, aan de maatschappelijke binding, aan de ontwikkeling van nieuwe vormen en gedachten? Welk criterium acht iemand binnen een bepaalde maatschappelijke constellatie van hoeveel relatief belang? Zou hij of zij met droge ogen willen beweren dat zijn of haar oordeel dienaangaande puur ‘esthetisch’ is? Wellicht moet de politiek maar ingrijpen en de desbetreffende politieke component van de discussies elimineren door aparte fondsen voor de genoemde subsectoren op te richten. Helaas: nieuwe discussies binnen de nieuwe fondsen dienen zich al snel aan. De oude vragen zijn nog steeds van toepassing, maar daarna komt onder meer bij toneel een discussie op gang over de vraag hoeveel avant-garde toneel er moet zijn in verhouding tot traditioneel, repertoire toneel. En trouwens: er moet meer toneel komen voor de allochtone bevolking, het laatste niet alleen om esthetische redenen – ‘de confrontatie tussen diverse stijlen brengt vernieuwing voort’ –, maar ook om de maatschappelijke integratie en binding te bevorderen. Een nieuw fondsje dan maar? Hoe lang gaat dit door? Net zo lang tot er voor ieder museum, voor ieder theatergezelschap, voor ieder orkest, voor iedere kunstenaar, voor ieder monument een apart fonds in het leven is geroepen, een fonds waarvan het bestaan en de relatieve omvang besloten zal moeten worden door de politiek.

Het laatste zal niet gebeuren – ongeveer halverwege zal men de gekte inzien en stoppen – en daarom zullen veel politieke vragen weggemoffeld blijven in het bestel. Dat de politiek zich niettemin af en toe met de criteria zal bemoeien die in dit bestel worden gehanteerd om afwegingen te maken, is onvermijdelijk en bovendien ten behoeve van de publieke legitimiteit van het gehele bestel uiterst wenselijk. Wenst men, daarentegen, een bestel zonder politiek, dan zal men uiteindelijk het logische gevolg moeten accepteren: een volkomen gepolitiseerd bestel.