Artikelen
 

DE CORRUMPERINGEN VAN HET LOBBYEN:

LESSEN UIT DE VERENIGDE STATEN

 

(De Helling: Kwartaalblad voor Linkse Politiek, Nr.3, herfst 2006, pp.36-40

 

Hans Blokland

 

Lobbyen, het behartigen van belangen door druk uit te oefenen op diegenen die beslismacht hebben, is van alle tijden. Zeker in een open, pluriforme democratie met vrijheid van vereniging en meningsuiting is lobbyen onvermijdelijk: mensen zullen hierin vaak tegengestelde belangen bezitten en men kan hen niet verbieden de eigen belangen, al dan niet in georganiseerd verband, te verdedigen. Ook kan men burgers en hun organisaties niet verbieden anderen in te huren die van belangenbehartiging hun specialisme hebben gemaakt.

Naast onvermijdelijk is lobbyen geenszins onwenselijk. Het kan bijdragen aan de kwaliteit van de besluitvorming door waardevolle informatie en inzichten onder de aandacht van beleidsmakers te brengen. Door reeds in een vroeg stadium direct betrokkenen bij de besluitvorming te betrekken, kunnen beslissers op hun beurt het draagvlak van hun beleid vergroten, en daarmee de kans op een succesvol beleid.

Lobbyen kan echter ook corrumperen. Dit gebeurt allereerst wanneer ‘druk uitoefenen’ overgaat in omkopen. De kans hierop groeit naarmate het lobbyen heimelijker kan plaatsvinden. Omkoping botst met vigerende noties van ‘eerlijk spel’: minimaal een van de deelnemers aan de besluitvorming strijdt niet met open vizier omdat hij zijn standpunt eerder heeft verkocht en dus met geen enkel argument van dit standpunt is af te brengen. Anders dan hij zal suggereren, is de betrokkene niet werkelijk geďnteresseerd in een open uitwisseling van argumenten. Hij is een bedrieger die zijn gesprekspartners minacht.

Hiermee samenhangend ondermijnt omkoping de kwaliteit van de publieke besluitvorming en van het uiteindelijke beleid omdat zij gerede argumenten en afwegingen buitenspel zet. Deze krijgen niet het gewicht dat zij verdienen omdat minder valide argumenten en overwegingen zijn verzwaard met geld, geschenken en andere attenties. Beleid dat onder druk van valse overwegingen tot stand is gekomen, is niet optimaal en brengt dus maatschappelijke kosten met zich mee. De burgers zullen deze uiteindelijk moeten betalen.

Lobbyen kan voorts de democratie corrumperen. Dit gebeurt wanneer deze activiteit leidt tot een structureel ongelijke toegang tot en invloed op de publieke besluitvorming. De gemiddelde burger verliest dan de controle over de politieke agenda en besluitvorming. Deze controle vormt een eerste vereiste van een democratie, een stelsel waarin iedere burger een gelijke kans behoort te hebben zijn belang of zijn visie op het algemeen belang te verdedigen. De kans op deze corrumpering groeit met het toenemen van de maatschappelijke ongelijkheid. Onderwerpen die degenen op de bovenste sporten van de ladder onwelgevallig zijn, zullen meer en meer van de politieke agenda worden geweerd naarmate politieke hulpbronnen als kennis, geld en organisatie ongelijker zijn verdeeld. De reeds bestaande sociale en politieke ongelijkheid zal zich vervolgens verdiepen en met ‘democratie’ verbonden noties van ‘gelijkheid’ en ‘algemeen belang’ zullen langzaam oplossen in een ondoorzichtige poel van particularistische belangenbehartiging.

 

Abramoff

De recente geschiedenis van de Amerikaanse toplobbyist Jack Abramoff illustreert de gevaren van lobbyen. De bekentenissen die hij in januari aflegde van oplichting, fraude, belastingontduiking en van samenzwering met als doel publieke functionarissen om te kopen, zijn de opmaat tot een proces dat kan verworden tot een van de grootste Amerikaanse corruptieschandalen van de laatste eeuw. Abramoff, voormalig medewerker van Reagan en overtuigd Republikein, betaalde in januari een boete van 25 miljoen dollar en in ruil voor strafvermindering zegde hij toe volledig mee te werken aan een federaal strafrechtelijk onderzoek naar corruptie in de Amerikaanse politiek. In een statelijke, in Florida lopende zaak werd Abramoff begin april bovendien veroordeeld tot bijna zes jaar gevangenis en ruim 20 miljoen dollar schadevergoeding. De straf was hoger uitgevallen, hadden de openbare aanklagers Abramoff niet uitvoerig geprezen voor zijn medewerking aan het corruptie-onderzoek in Washington.Vooral Republikeinse congresleden kijken hun toekomst zorgelijk tegemoet. In een paniekerige poging zich van Abramoff te distantiëren hebben zij inmiddels in groten getale eerdere schenkingen geretourneerd of doorgegeven aan liefdadigheidsinstellingen.

Congresleden en hun medewerkers, kabinetsleden en topambtenaren fęteerde Abramoff in eigen gokpaleizen, restaurants en skyboxen en trakteerde hij op allerhande geschenken, waaronder golftrips naar Schotland en het tropische eiland Saipan. Columnisten betaalde hij heimelijk om positieve stukken over zijn cliënten te schrijven.[1] Bovenal droeg hij op grote schaal bij aan de verkiezingsfondsen van tientallen Republikeinse politici, in ruil voor, of in de verwachting van, politieke gunsten. Met Tom Delay, voormalig leider van de Republikeinen in het Huis van Afgevaardigden, startte hij medio jaren negentig een succesvol project om te bevorderen, dat lobbyisten en hun klanten de verkiezing van Republikeinen financieel zouden steunen. Dit leidde tot een innige verstrengeling van de Republikeinse Partij en een groot deel van de in Washington verzamelde lobbyisten.

Abramoff recruteerde zijn medewerkers uit de staf van het Congres en uit het ambtenarenkorps van de regering. Op dezelfde wijze poogde hij mensen uit eigen kring benoemd te krijgen op belangrijke overheidsposities. The Washington Post, die de affaire in het afgelopen jaar grotendeels op gang bracht, omschrijft Abramoff als een gespleten persoonlijkheid (28 december 2005). Enerzijds presenteerde hij zich als een ethisch bewogen en diep-religieus man (zo financierde hij uit eigen middelen een orthodox Joodse jongensschool). Anderzijds had hij weinig moeite met bedrog en oplichting en met zakelijke contacten met lieden uit het criminele circuit. Gaarne zag hij zichzelf als een Godfather die op een vergelijkbare gewetenloze wijze als Don Corleone aan een imperium bouwde. Aanvankelijk ging het hem buitengewoon voor de wind. In 2003 raakte Abramoff echter financieel aan de grond en kwam hij steeds meer in opspraak door dubieuze financiële transacties en buitensporige declaraties. Begin 2004 volgde een justitieel onderzoek naar zijn activiteiten, hetgeen uiteindelijk leidde tot zijn bekentenissen in januari 2006 en zijn eerste veroordeling in Florida.

 

Algemeen belang en deelbelangen

De ontspoorde lobbyactiviteiten van Abramoff staan niet op zich. Noties van ‘algemeen belang’ zijn in de Verenigde Staten minder ontwikkeld dan in Europa. Eerder ziet men de politiek als een deelbelangenstrijd tussen een grote pluriformiteit van elkaar beconcurrerende groepen. Congresleden vinden het dan ook heel gewoon om exclusief op te komen voor de staten die zij vertegenwoordigen, ook al gaat dit ten koste van de algemene middelen en de samenhang en de consistentie van het landelijke beleid. De stappen naar het behartigen van de exclusieve belangen van met name ondernemingen en vervolgens naar het aannemen van beloningen hiervoor zijn bijgevolg relatief klein.

Zowel Republikeinse als Democratische leden van het Congres komen dus onveranderlijk op voor de belangen van de ondernemingen in hun staat en worden hiervoor ruimhartig beloond met bijdragen aan hun verkiezingsfondsen. Een illustratie vormt Joe Lieberman, die sinds 1992 voor Connecticut (CT) een Senaatszetel bemant, in 2000 door Al Gore als ‘running mate’ werd gekozen en in de winter van 2003 zelf kortstondig campagne voerde voor het presidentschap. Lieberman heeft zich nauw verbonden met een drietal industrieën: verzekeringen, technologie en gezondheidszorg. De belangrijkste bijdragen aan zijn verkiezingscampagnes zijn uit deze industrieën afkomstig en hun lobbyisten verklaren onveranderd zeer tevreden te zijn met de wijze waarop Lieberman hun agenda in Washington verdedigt. Zijn sympathie voor verzekeringen laat zich verklaren door de aanwezigheid van 36 verzekeringsmaatschappijen in Connecticut, maatschappijen die van groot belang zijn voor de werkgelegenheid in deze staat. In de Senate Armed Services Committee heeft Lieberman zich over de jaren tevens met succes sterk gemaakt voor meer militaire uitgaven, met name voor onderzeeboten (voor tweeëneenhalf miljard dollar per stuk gemaakt in Groton, CT) en helicopters (gemaakt door Sicorsky in Bridgeport, CT). Lieberman spande zich in dit verband onder meer in voor de daadwerkelijke productie van de Comanche helicopter, een pro­gramma van 39 miljard dollar dat de rege­ring-Bush begin 2004 annuleerde om­dat, zo erkende ook Sicorsky, nieuwe technologieën de helicopter overbodig hadden gemaak­t. In de New York Times stelde de senator niettemin, dat hij zich op twee gronden geroepen voelde deze beslissing aan te vechten: nationale veiligheid en banen. En, vervolgde hij opgewekt, ‘we’re going to do it even if Sikorsky is not with us’ (4 april 2004). De diep religieuze Lieberman ‘brengt een zeker moreel gezag in het debat’, liet een lobbyist voor de wapenindustrie de New York Times eerder weten, ‘zelfs wanneer het in het belang is van zijn achterban’ (27 Augustus 2000).

Een minder onbevlekt blazoen heeft inmiddels voormalig Republikeins Congreslid Randy Cunningham. In maart werd hij veroordeeld tot 8 jaar cel vanwege het aanpakken van, onder meer, 2,4 miljoen dollar aan smeergelden van producenten van militair materieel. Cunningham had zelfs een prijslijst opgesteld waarvan lobbyisten konden aflezen hoeveel zij hem moesten betalen om specifieke overheidscontracten in de wacht te slepen. Naast geld ontving hij auto’s, een boot, antiek meubilair, Oosterse tapijten, kroonluchters en tal van andere zaken die het leven veraangenamen. Ook liet hij zich veelvuldig in exquise restaurants verwennen en naar exclusieve binnen- en buitenlandse ontspanningsoorden vliegen. Functionarissen die zijn bezigheden dreigden te belemmeren, werden door Cunningham, een voormalige oorlogsheld, schandelijk gekoeioneerd en geďntimideerd. Zij die tegen hem konden getuigen, probeerde hij door omkoping in zijn web van corruptie te verstrikken (New York Times, 24 maart 2006).

 

Een industrie van lobbyers

Gezien de enorme bedragen die in omloop zijn in de Amerikaanse lobby-industrie, moeten de verleidingen voor politici en andere beleidsmakers geregeld onweerstaanbaar zijn. In de rechtszaal terugkijkend kon ook Cunningham nauwelijks bevatten hoe hij zo had kunnen afglijden. Indrukken van het geheel bieden onderzoekingen van onafhankelijke instituten als The Center for Public Integrity en The Center for Responsive Politics.[2] Het laatste instituut becijferde dat er in 1999 in Washington in totaal ruim 12.000 lobbyisten actief waren die gezamenlijk ongeveer anderhalf miljard dollar verdienden. Gemiddeld werd ieder Congreslid bewerkt door 22 lobbyisten met een gezamenlijk budget van bijna drie miljoen dollar. Uit recent onderzoek van The Center for Public Integrity bleek dat tussen 1998 en 2004 meer dan 2200 voormalige hooggeplaatste werknemers van de federale overheid en bijna 250 voormalige Congresleden en bureauhoofden zich als lobbyist hadden geregistreerd. In 2004 werd aan lobbyen op federaal niveau inmiddels minimaal drie miljard dollar gespendeerd, ongeveer twee keer zoveel als in hetzelfde jaar aan verkiezingscampagnes werd uitgegeven. Tot voor kort concentreerde de aandacht zich niettemin bijna volledig op deze campagnes. Ook overheidsinstellingen, zoals publieke universiteiten en lokale overheden, huren lobbyisten in om hun zaak in Washington te bepleiten. Zo gaven tussen 1998 en 2004 meer dan 1400 lokale overheden ruim 352 miljoen dollar uit om de financiering van hun noden – van wegen tot brandweerwagens – veilig te stellen.

Voormalige politici en topambtenaren worden dus geregeld lobbyist, om in deze hoedanigheid vervolgens optimaal gebruik te maken van hun connecties, voorkennis en inside information. De omgekeerde weg wordt echter ook bewandeld, hetgeen de nauwe verstrengeling van beide domeinen verder illustreert. De Republikeinse Senator John Thune van South Dakota is een van de minimaal acht huidige Congresleden waarvoor dit geldt. In 2003 en 2004 was hij een goed betaalde lobbyist voor Dakota, Minnesota & Eastern Railroad, een private onderneming die ruim 2000 kilometer spoorweg in herbruik wilde nemen. Reeds in het eerste jaar dat hij lid was van de Senaat maakte hij het door een wetsaanpassing mogelijk, dat zijn voormalige opdrachtgever in aanmerking kwam voor 2,5 miljard dollar overheidssteun. Tegen de New York Times verklaarde hij: ‘Ik zal mij er nooit voor verontschuldigen voor bedrijven uit South Dakota te werken die banen in South Dakota scheppen’ (28 februari 2006).

Juist omdat lobbyen onvermijdelijk, wenselijk, van alle tijden en wijdverbreid is, is het vaak zo moeilijk een duidelijke lijn te trekken tussen bona fide belangenbehartiging en corruptie. In aanvulling op een publieke moraal kunnen heldere regels en voorschriften hierin helpen. Bij hun afwezigheid is het zeker voor de zwakkere knieën moeilijk aan de juiste kant van de lijn te blijven. Ook de voormalige Republikeinse gouverneur van Illinois George Ryan illustreert dit. In april werd hij door een jury schuldig bevonden aan 18 misdrijven, waaronder afpersing, fraude, corruptie en meineed. Hij kan hiervoor maximaal 20 jaar krijgen. Een jurylid verklaarde dat men geen enkele beslissende ‘smoking gun’ had gevonden, maar een eindeloze optelsom van dubieuze praktijken, die tezamen een pijnlijke les hadden gevormd van de wijze waarop kennelijk in Illinois politiek wordt bedreven. In zekere zin stond daarom eerder deze politiek terecht, dan Ryan. De gouverneur reageerde dan ook zeer verbolgen op het vonnis: het deed naar zijn overtuiging geen recht aan de 40 jaar die hij aan de publieke zaak van Illinois had gewijd. De publieke aanklager meende dat Ryan’s wijding neerkwam op een deurbordje ‘for sale’. Ryan en zijn familie hadden in totaal voor minimaal 167.000 dollar aan geld, geschenken en vacanties van lobbys geaccepteerd, in dank voor het toedelen van overheidsopdrachten. Niettemin, stelde de politicoloog Kent Redfield, ‘At his core, George Ryan is quintessential Illinois politics: power-oriented, jobs-winning, control kind of politics. There is an access here, but this is not a bad person corrupting a good system’ (New York Times, 18 april 2006). Het systeem werkt dus zo, en niet alleen in Illinois: John G. Rowland en Bob Taft, Republikeinse gouverneurs van Connecticut, respectievelijk, Ohio werden bij voorbeeld recentelijk na vergelijkbare aanklachten uit hun functie ontheven.

Het lobbyen beperkt zich in Amerika, het blijkt reeds uit het bovenstaande, niet tot het federale niveau. Uit cijfers van opnieuw The Center for Public Integrity blijkt, dat in 2004 allerhande rechtspersonen gezamenlijk ruim 963 miljoen dollar aan lobbyisten besteedden om wetgevers in 42 staten te beďnvloeden (in de andere staten is men niet verplicht de uitgaven voor lobby-activiteiten te openbaren en daarom is het beeld onvolledig). In totaal waren er ruim 38.000 geregistreerde lobbyisten actief. Op iedere statelijke volksvertegenwoordiger waren er gemiddeld vijf lobbyisten, een aantal dat de laatste jaren voortdurend was toegenomen. Het laatste hangt samen met de overheveling van wetgevende bevoegdheden van het federale naar het statelijke niveau die sinds de jaren zeventig gaande is. De invloed van lobbyisten is hierdoor sterk vergroot omdat hun statelijke tegenspelers doorgaans relatief slecht betaalde beginners zijn, minder ervaring en kennis hebben en over een zeer kleine staf beschikken. Wetgeving wordt bijgevolg geregeld feitelijk door lobbyisten geschreven. De volksvertegenwoordigers blijken tevens vaak nauwe financiële banden te onderhouden met ondernemingen die beleidskwesties agenderen, waarover deze volksvertegenwoordigers worden geacht namens de burgers beslissingen te nemen. Volgens The Center for Public Integrity had 20 per cent van hen zitting in een commissie waarin wet- en regelgeving werd opgesteld voor ondernemingen waarin zij een persoonlijk financieel belang hadden.

 

De corrumpering van het lobbyen

Kortom, het lobbyen in de Amerikaanse politiek kent tal van ontsporingen. Politici en andere beleidsmakers gaan geregeld door de knieën voor de verlokkingen van lobbyisten, hetgeen de reputatie en de geloofwaardigheid van de democratie ondermijnt. De kwaliteit van het totale beleid wordt schade berokkend omdat deelbelangen vaak algemene belangen ondersneeuwen. Ook dit ondermijnt het algemene vertrouwen in de politiek. En de democratie wordt aangetast omdat de toegang tot de publieke besluitvorming volstrekt ongelijk is. Dit heeft twee hoofdoorzaken.

Allereerst hebben zeker (organisaties van) ondernemingen in het verkrijgen van deze toegang een geprivilegieerde positie omdat zij doorgaans over beduidend meer politieke hulpbronnen beschikken, dan organisaties die opkomen voor concurrerende belangen. Bovendien kunnen hun vertegenwoordigers altijd rekenen op een meer dan gewillig oor bij politici omdat deze politici voor hun legitimiteit in hoge mate afhankelijk zijn geworden van het functioneren van de private sector. Politici verliezen hun baan wanneer ondernemers bedrijven sluiten.

Daarnaast zijn belangengroepen geen afspiegeling meer van de Amerikaanse bevolking. Mede dankzij hun sociaal pluriforme achterban kwamen zij in het verleden vaak op voor algemene, of in ieder geval breed gedragen belangen. Vandaag behartigen zij vooral specifieke, doorgaans beroepsgebonden belangen en dan met name van de hoger opgeleiden en beter betaalden. De betrokkenen participeren ook niet langer zelf in de politiek, maar huren professionals in om voor hun belangen op te komen. Belangengroepen die nog wel opkomen voor de lagere strata, zoals vakbonden, hebben tegelijkertijd sterk aan belang ingeboet of beschikken over aanmerkelijk minder politieke hulpmiddelen.[3]

Het leidt weinig twijfel dat de sterke toeneming van de sociale ongelijkheid in de Verenigde Staten sinds de jaren zeventig mede wordt verklaard door deze nog altijd groeiende ongelijke toegang tot de publieke besluitvorming. Evenzo leidt het weinig twijfel dat individuen, groepen en instellingen die tot de maatschappelijke elite gerekend kunnen worden, dankzij deze ongelijke toegang meer en meer invloed kunnen uitoefenen op de publieke meningsvorming. Veel van de vigerende meningen rechtvaardigen en bevestigen dan ook de geprivilegieerde positie van de bovenste strata, hetgeen de sociale ongelijkheid verder verdiept. Voorbeelden hiervan zijn de meningen dat brede verzorgingsstaten en sociale gelijkheid slecht zijn voor de economie, dat overheidsinstellingen per definitie inefficiënter en klantonvriendelijker zijn dan private instellingen en dat een ieder volledig verantwoordelijk is voor het eigen succes en falen op de arbeidsmarkt en in het leven. Stuk voor stuk opinies waarvoor geen enkel ondubbelzinnig wetenschappelijk bewijs te vinden is. Maar iedereen gelooft het.

De beroepsvereniging van Amerikaanse politicologen, de American Political Science Association, heeft inmiddels een in de professie breed gedragen onderzoek gestart naar de politieke gevolgen van de nog steeds toenemende maatschappelijke ongelijkheid. Leidende onderzoekers hiervan als Theda Skocpol en Lawrence Jacobs hebben hun vakgenoten opgeroepen hun ivoren torens te verlaten, voordat het te laat is, en grootschalig onderzoek te doen naar macht en onmacht in de Amerikaanse democratie en naar wegen om deze democratie te redden van geld, lobbys en cynisme.[4]

 

Wetgeving gewenst?

De Lobbying Disclosure Act schrijft voor dat lobbyisten zich registreren en een jaarlijks overzicht geven van hun klanten, salarissen en onkosten. Deze overzichten en dus ook de hierboven genoemde cijfers zijn incompleet omdat de wet tal van activiteiten niet dekt. Men kan denken aan de ‘grassroots campaigns’ waarbij ondernemingen en belangenorganisaties individuen en groepen financieel ondersteunen zodat deze effectiever die standpunten en wensen kenbaar kunnen maken, die stroken met hun belangen. In reactie op de Abramoff-affaire staat thans een aanscherping van de wet op de agenda. Zo werd in maart in de Senaat overeengekomen (de complementerende besluitvorming in het Huis van Afgevaardigden zal nog even op zich laten wachten), dat niet alleen politici en ambtenaren een jaar moeten wachten voordat zij als lobbyist te werk gaan, dit zou ook voor lobbyisten moeten gelden die de omgekeerde weg willen bewandelen. Ook wil men verbieden dat beleidsmakers geschenken accepteren en zich uit eten laten nemen. Het voorstel te verbieden dat zij zich gratis laten vervoeren en fęteren in private bedrijfsvliegtuigen, haalde het opmerkelijk genoeg niet. Hoe dan ook, de belangen van zowel politici als lobbyisten zijn te groot om voorstellen te accepteren, die werkelijk zoden aan de dijk zouden zetten. Het zou onder meer te overwegen zijn om, zoals de politiek econoom Charles Lindblom heeft voorgesteld, ondernemingen in zijn geheel te verbieden gelden te spenderen aan zaken die niet rechtstreeks met de productie en distributie van hun product vandoen hebben.[5] Sinds wanneer hebben ‘bedrijven’ immers meningen over zaken als een rechtvaardig belastingstelsel, een sociaal verzekeringsstelsel, een verkiezingsstrijd of over een adequate defensie? En waarom zouden zij deze met onwaarschijnlijk meer politieke hulpbronnen kenbaar mogen maken dan gewone burgers?

Ook de Europese Commissie is bezig de activiteiten te reguleren van de ongeveer 20.000 lobbyisten die in Brussel actief zijn.[6] Men begrijpt dat zolang het lobbyen zich grotendeels in het duister afspeelt, dit de legitimiteit van de Europese Unie geen goed doet. Begin mei deed Europees Commissaris Siim Kallas een voorstel voor een vrijwillig registratiesysteem, een (door de lobbywereld zelf te ontwikkelen) gedragscode en een sanctiesysteem voor lobbyisten die deze code met voeten treden. Doel is onder meer dat het voor beleidsmakers transparant wordt welke belangen lobbyisten dienen en dat lobbyisten geen onjuiste informatie verspreiden, bij voorbeeld over de gevolgen van voorgenomen wetgeving. Wanneer de lobbysector dit voorstel niet honoreert zal Kallas, belast met fraudebestrijding en bestuurlijke zaken, zelf een registratiesysteem en een gedragscode invoeren. Critici achten zijn voorstellen overigens veel te mager. Zij beschouwen het een grote stap voorwaarts wanneer een systeem zou worden ingevoerd als vandaag in de Verenigde Staten van kracht is.

In Nederland is het lobbyen op geen enkele wijze aan wet- en regelgeving gebonden. Mede hierdoor is volstrekt onhelder in welke mate het professionele lobbyen inmiddels in Nederland is verbreid.[7] Ook is er geen serieus debat over dit onderwerp. Het wordt tijd dat daarin verandering komt.



[1] Deze praktijk lijkt geen incident. Zo blijkt althans uit een recent artikel in The American Prospect (20 april 2006) van de Harvard-econoom Robert B. Reich, de voormalige minister van Economische zaken onder Clinton. Reich meldde dat hij was benaderd door een public-relations firma die voor General Motors werkte, om een positief stuk te schrijven over een financieel voorstel dat GM aan zijn medewerkers had gedaan. Als ‘uiting van respect’ zou hij hiervoor een aardige geldelijke beloning krijgen. Reich meldde voorts dat hij in zijn omgeving tal van vergelijkbare verhalen had gehoord. Sommige collega’s gaven toe de beloningen soms ook te innen omdat zij, naar eigen zeggen, in deze gevallen toch reeds van plan waren geweest een positief oordeel over het desbetreffende bedrijf of voorstel te vellen. Reich waarschuwde dat wanneer grote ondernemingen als GM inmiddels kennelijk zonder gęne columnisten als hij met dit soort voorstellen benaderen, de Amerikaanse democratie in ‘real trouble’ was: de vrije pers zou zijn opgeheven, deskundigen zouden niet langer te vertrouwen zijn en iedere, in de publieke discussie naar voren gebrachte opinie zou volkomen waardeloos zijn geworden.

[2] Zie hun websites http://www.publicintegrity.org/ en http://www.opensecrets.org/

[3] Zie Theda Skocpol. 2003. Diminished Democracy: From Membership to Management in American Civic Life. University of Oklahoma Press. Zie ook de volgende noot.

[4] Lawrence R. Jacobs and Theda Skocpol. 2006. ‘Restoring the tradition of rigor and relevance to political science’. Political Science & Politics, Vol.xxxix, No.1. pp.27-32. Dezelfde auteurs redigeerden het eindverslag van het genoemde onderzoek naar de politieke gevolgen van de toenemende maatschappelijke ongelijkheid: Inequality and American Democracy (New York: Russell Sage Foundation, 2005). Zij concluderen onder meer: ‘Citizens with lower or moderate incomes speak with a whisper that is lost on the ears of inattentive government officials, while the advantaged roar with a clarity and consistency that policymakers readily hear and routinely follow’ (2006: 27).

[5] Zie zijn The Market System: What It Is, How It Works, and What to Make of It (New Haven & London: Yale University Press, 2001, pp. 212-253).

[6] Persbericht Europese Commissie, 3 mei 2006: ‘Greater transparency in EU affairs will strengthen legitimacy’.

[7] Serieus politiek-wetenschappelijk onderzoek naar macht en onmacht in de publieke besluitvorming wordt in Nederland evenzo niet of nauwelijks verricht. Het weinige wat wij weten over de besluitvorming over bijvoorbeeld grootschalige bouwprojecten, komt van klokkenluiders, journalisten en parlementaire onderzoekscommissies. De paar overgebleven politicologen spenderen de helft van hun tijd doorgaans aan het voorspellen van wat wij bij de volgende verkiezingen gaan stemmen, en de andere helft van hun tijd aan het uitleggen waarom deze voorspelling niet is uitgekomen. Het is overigens onduidelijk waarom deze activiteit niet wordt geprivatiseerd.