Artikelen

 

De opkomst van het marktdenken binnen de wereld der openbare bibliotheken

(in: Publiek Gezocht: Essays over Cultuur, Markt, en Politiek, Amsterdam: Boom, pp. 97-105)

Hans Blokland

 

 

 

1 Inleiding

Al enige jaren leeft er binnen de openbare biblio≠theken en de hiervoor verant≠woorde≠lijke overheden een groeiende onzekerheid over de taken en functies van het biblio≠theekwerk. De neergang van het geschreven woord, de opkomst van alterna≠tieve media alsmede een toenemend cultuurrelativisme en hiermee verbonden marktdenken heb≠ben deze onzekerheid gevoed. De bij het biblio≠theekbeleid betrokken partijen pogen sinds kort duidelijkheid te schep≠pen. Een nadere analyse geeft echter weinig hoop op een spoedig succes.

 

2 Neergang van het geschreven woord

De twijfels der bibliothecarissen worden in de eerste plaats opgeroepen door de sterk teruglopende belangstelling voor het geschreven woord. Er wordt, zo blijkt onomsto≠telijk uit tijdsbeste≠dingson≠der≠zoek (Knulst en Kraaykamp 1996), buiten werktijd steeds minder gelezen. Slechts een kleine, oudere boven≠laag van de bevol≠king neemt vandaag nog literaire boeken ter hand. Laagopgelei≠den en jongeren zijn grotendeels voor deze cultuuruitingen verloren gegaan. Tegelijkertijd maken mensen meer gebruik van andere informa≠tiedra≠gers. Ge≠dacht moet dan vooral worden aan de televisie. De informatie die via `electro≠nische snelweg' en huiscompu≠ter opvraagbaar is, bereikt vooralsnog slechts een zeer kleine groep en het valt te bezien of hier ooit verandering in zal komen.

De vraag waarvoor de bibliotheken zich gesteld zien, is in hoe≠verre zij zich aan deze veranderingen zouden moeten aanpas≠sen: moeten zij, zoals vanouds, uitsluitend boeken uitlenen of zich tevens rich≠ten op de verstrekking van `infor≠matie' in de brede zin van het woord en ongeacht de wijze waarop deze wordt overgebracht?[i] Hoewel de twijfels blijven leven, lijkt de biblio≠theek≠wereld hier inmid≠dels wel uit te zijn: de betrokkenen hebben voor `informatie' gekozen en beperken zich dus niet langer tot het uitlenen van boeken. Door te trachten `het centrale informatiepunt' in de samenle≠ving te worden, pogen de openbare bibliotheken aldus te voorko≠men dat de klanten≠kring even snel slinkt als het boeken lezende publiek. Hierin is men ook ge≠slaagd.

 

3 Dichtbundels of Bouquetreeksen

Op een tweede probleem heeft men in mindere mate een ant≠woord kunnen formuleren. Dit probleem is ontstaan door de verbreiding van het cultuurre≠lativisme en van een hiermee verbon≠den individualisme. De bibliotheken hebben van oudsher een cultuurpolitieke func≠tie gehad: zij hadden tot taak de burger tot het betere boek te brengen, of, in hedendaagse termen, tot de betere informa≠tie. Het probleem is nu echter wat `beter' is. Is het geen onduldbare uiting van paternalisme en elitisme wanneer de over≠heid zich, via haar biblio≠thecaris≠sen, bemoeit met de vrije tijdsbe≠steding van burgers en met hun keuze uit het beschikbare literaire aanbod? Het is een vraag die steeds meer mensen zich zijn gaan stellen en waar een steeds kleiner aantal een afdoend antwoord op heeft weten te formuleren. Bijgevolg zijn de bibliothe≠ken zich in hun beleid in toenemende mate gaan richten op de bestaande vraag en in afne≠mende mate op een door cultuurpoli≠tieke over≠wegingingen ingegeven aanbod (cf. Blokland 1992). Dat wat de burger aan het loket vraagt wordt hem dus geboden: dit is een uiting van respect voor het individu en voor de grondgedachte van de democratie, de gelijkwaardigheid tussen men≠sen.

Het grote voordeel van deze benadering is tevens dat zij kwantificeer≠baar is. Wan≠neer de opdracht van bibliotheken is om het indi≠vidu en het cultu≠rele leven te `verheffen' dan is zeer moeilijk vast te stellen in hoeverre zij deze opdracht daadwerkelijk vervullen. Hoe meet men immers zoiets? Anders ligt het met de uitleen van boeken of met de aantallen bezoekers: deze zijn betrekkelijk eenvoudig te berekenen en zelfs relatief eenvoudig te stimule≠ren. Dat geeft houvast. En aange≠zien in onze tijd, bij gebrek aan inhou≠delijke maatsta≠ven, steeds meer wordt gekwantificeerd en gecal≠cu≠leerd, bestaat er een sterke neiging om het eigen functioneren te meten en te recht≠vaardi≠gen met in cijfers uit te drukken grootheden als de totale uitlening van boeken of het totale aantal bezoekers.

Deze neiging binnen de bibliotheken wordt nog versterkt door de druk die de overheid in toenemende mate op de betrokke≠nen uitoe≠fent om een `zake≠lijk', `doelmatig', `op de markt gericht' beleid te voeren. Doelma≠tigheid en zakelijk≠heid drukt men uit in kwantiteiten en niet in doelein≠den, motie≠ven of strevingen. Deze druk is overigens vooral afkom≠stig vanuit de lagere overhe≠den, overheden waaronder de bibliothe≠ken sinds het midden van de jaren tachtig ressorte≠ren.

Het gevolg van dit alles is dat bijvoorbeeld de bundels van toch redelijk vooraanstaande dichters slechts in betrekkelijk kleine aantal≠len (10 ŗ 15 stuks) door de 1300 openbare bibliotheken worden aange≠schaft. Uit de computer blijkt dat hun uitleencijfers laag zijn en dus is er ook geen reden om hen in grote aantallen aan te bieden.

 

4 Cultuurpolitieke functies volgens de overheid en haar adviseurs

Niet alleen de schrijvers en de uitgevers, maar ook de beleidsmakers van de overheid, en dan vooral de landelijke overheid, zijn hier niet gelukkig mee. Politici en andere beleidsmakers hebben bij ver≠schillen≠de gelegenheden te kennen gegeven dat zij de subsidiŽring van de bibliotheken slechts voor zinvol houden wanneer deze cultuur≠poli≠tieke functies vervullen. Hiertoe rekent men leesbevorde≠ring, collectie≠vorming en het stimu≠leren van de kwali≠teit van het informa≠tiegebruik, of het nu om boe≠ken gaat of om audiovisu≠ele media. De bibliotheken worden geacht deze functies uit te oefenen, ook al gaat dit in tegen `de markt': het laatste is immers juist de primaire motivatie van de overheidsinterventie in de productie, verspreiding en con≠sumptie van culturele uitingen.

In een interview in het vakblad van de bibliotheekmedewer≠kers (Bibliotheek & Samenleving, Jg.20, Nr.9, 1992) liet bijvoorbeeld de topambtenaar Van de Roer zich in deze richting uit. Van de Roer is al vele jaren verant≠woorde≠lijk voor het bibliotheekbeleid van het ministerie van OC en W (vroeger WVC). De bibliotheken, ook wanneer zij uitgaan van een breed cultuur≠begrip, dienden naar zijn mening nadrukkelijk kwaliteits≠maat≠staven te hanteren bij het aan≠schaffen en het aanbieden van informatie. Doen zij dit niet dan gaat hun aan≠bod steeds meer gelijkenis vertonen met dat van een gemiddelde BRU≠NA-stations≠boekhandel. Voor de overheid zijn er geen gewichtige redenen om deze handel te subsidi≠ren. Een dergelijke subsidiŽring zou trouwens als markt≠verval≠sing kunnen worden opgevat. Van de Roer stelde: `Door kwali≠teitsgren≠zen los te laten, door je sterk door de gebruikers≠vraag te laten leiden, stel je de legitima≠tie ter discus≠sie waarom het biblio≠theekwerk door de overheid uit de alge≠mene middelen betaald dient te wor≠den.' En even verder in hetzelfde interview: `In feite constate≠ren wij (de beleidsmakers van het ministerie, HB) dat de biblio≠theken in de afgelopen vijftien jaar in toenemen≠de mate zijn gaan kiezen voor kwaliteit in de zin van doelmatig≠heid en dat zij hiermee dan ook steeds meer de legitima≠tievraag over zich hebben afgeroe≠pen.' Verge≠lijkbare opvattingen waren te lezen in onder meer de Notitie Open≠baar Bibliotheekwerk (1992) en de Nota Cultuurbeleid 1993 - 1996 (1992) van het Ministerie van WVC.

Ook de leden van de Raad voor Cultuur zetten in een aan de overheid uitge≠bracht advies over het letterenbeleid (Advies Banden tussen boek≠handel en biblio≠theek, oktober 1995) vraagte≠kens bij de huidige ontwik≠kelingen binnen het bibliotheekwerk. De betrokken adviseurs van de minister onder≠schrijven dat `cultuurpolitieke doelstellingen de legi≠timiteit (vormen) voor de overheids≠interventie in de biblio≠theeksec≠tor'. Zij constate≠ren echter dat `het niet ondenk≠beel≠dig (is) dat de provin≠ciale en lokale overheden met hun privatise≠ringsbeleid en door in subsidievoorwaar≠den sterk het accent te leggen op kostenbe≠heer≠sing, de oor≠spronkelij≠ke culturele kernfunctie van de biblio≠theek uit het oog verlie≠zen.' (1995: 3)

Er is volgens de leden van de Raad een duidelijk trend naar commercialise≠ring binnen de biblio≠theekwereld, een commercialisering waar≠toe de betrok≠kenen ook worden gedwongen door de lagere overheden: `Openbare biblio≠the≠ken worden gestimuleerd tot meer markt-conform denken, kostenbesef en het verwerven van eigen inkom≠sten. Hun dienstverlening richt zich daardoor eerder op effi≠ciency en minder op het - tijdrovend - advise≠ren van de ge≠bruiker.' (1995: 3) De verantwoordelijken binnen de bibliotheken gaan zich volgens de leden van de Raad meer en meer als `marktpartij' opstel≠len en trachten steeds meer eigen inkom≠sten≠bron≠nen aan te bo≠ren. Zij gaan er dus toe over compact discs en video's te≠ verhuren, een copy- of coffee≠shop te drijven, de toegang tot electro≠nische netwerken en databanken com≠mer≠cieel te exploi≠teren, informa≠tie en docu≠menta≠tie≠sys≠te≠men te verkopen, et cetera.De collectievorming wordt tevens steeds `zakelijker' beschouwd. De leden van de Raad schrijven: `In het streven naar laagdrempelig beleid, is in de biblio≠theek≠sector een trend waar te nemen waarin de vraag het aanbod gaat bepa≠len.' En: `Boeken waar zelden naar wordt gevraagd, worden zonder meer uit de collectie verwijderd als "onbemid≠delbaar". De subsidiŽrende gemeente≠be≠stu≠ren beoorde≠len de bibli≠otheken immers ook op het aantal uitlenin≠gen.' (1995: 5) De museale functie van de biblio≠theken is door deze tenden≠tie sterk onder druk komen te staan. De collectievorming wordt daarenboven belem≠merd door de groeiende nadruk op het verschaffen van, via verschillende media aangeboden, `informatie'. Deze media zijn tamelijk kostbaar en de aanschaf van de betreffende apparatuur gaat uiteraard ten koste van die van boeken. Tot slot hebben al deze ontwikkelingen volgens de leden van de Raad ook hun verta≠ling gekregen in de oplei≠ding van bibliotheca≠rissen: deze is steeds minder ago≠gisch en vakinhoudelijk van karakter en steeds meer bedrijfs≠economisch. De in de opleiding gestelde vraag is niet langer wat een goed boek is en hoe men mensen tot het lezen daarvan kan verleiden, maar hoe men alge≠mene infor≠matie ontsluit en een bedrijf draaiende houdt. Het perso≠neel van de bibliotheken is dan ook volgens de leden van de Raad voor Cultuur in afnemen≠de mate in staat om de traditionele cultuurpolitie≠ke functies te vervul≠len.

 

5 Marktpartij of cultuurpolitiek instrument

Kortom, het probleem waarvoor men zich gesteld ziet, is of de bibliotheek een cultuurpo≠li≠tiek instrument vormt of een marktpartij. Anders geformu≠leerd: moet de bibliotheek zonder meer uitgaan van de reeds be≠staande vraag of behoort zij deze tevens te stimuleren of te vor≠men? Ziet men de biblio≠theek als een zakelijk, op de markt gericht instituut dan zal men trachten de bestaande voorkeuren te bedienen. Binnen de biblio≠theekwereld wordt dit uitgangs≠punt, zoals gesteld, steeds meer onder≠schreven. In de toekomst wensen de betrokkenen de resulterende tendentie ook te versterken. Zo schrijft de NBLC/Vereni≠ging van Openbare Biblio≠theken in de nota `Op weg naar 2005: voorstel voor een strategie van de openbare bibliotheken in Nederland' (Den Haag, 1994), dat de door haar gewenste toekomstige openba≠re bibliotheek `een actuele en op de vraag afgestemde collec≠tie van grafische en andere media' zal bieden (1994: 10) Het moet volgens de auteurs in het vervolg afgelopen zijn met de `vrijblij≠vend≠heid'. `Resultaat≠gericht≠heid, interne en externe zakelijkheid en kwali≠teitsga≠ranties' moeten daarentegen de trefwoor≠den worden. Met betrek≠king tot de kwaliteitsgaranties wordt verder gesteld: `Geen toezeg≠ging dat we iets bevor≠deren, of ergens ons best voor doen, maar garanties met betrek≠king tot resultaten waarop kan worden afgere≠kend' (1994: 11). Het lijkt evident dat het laatste opnieuw slechts kan gebeuren op basis van uitleencijfers en bezoekersaantal≠len. Dit blijkt ook te sporen met de uit≠gangs≠punten die worden genoemd voor het toekomstige biblio≠theekbeleid: `bij het verlenen van diensten aan klanten zijn hun motie≠ven voor de keuze en het gebruik van informa≠tiebronnen bepalend; de openbare bibliotheek streeft onafhankelijk≠heid na van politieke, levensbe≠schou≠welijke en commer≠ciŽle beÔnvloe≠ding van de inhoud van de dienstver≠lening; de effectiviteit van de functievervul≠ling vereist een metho≠dische en systematische werkwijze, mede gebaseerd op onder≠zoek.' (1994: 12) Met andere woorden: men kijkt in de computer wat wordt gevraagd of uitgeleend en dat schaft men aan. Kafka's Het Proces van de schappen en Van Kools Jij houdt toch van die ander! erop. De betrokke≠nen lijken zich hiermee in toenemende mate te ver≠vreemden van de (centrale) overheid en haar advi≠seurs.[ii]

In een poging haar leden houvast te bieden in een domein waar zij eerst sinds kort verantwoordelijkheid dragen, heeft inmiddels ook de Vereni≠ging van Nederland≠se Gemeen≠ten (VNG) een nota over de betreffende proble≠matiek gepubli≠ceerd (`Aan≠dachts≠punten in Gemeentelijk Bibliotheekbe≠leid', Den Haag, 1995). De auteurs hiervan nemen weliswaar niet ondubbel≠zinnig stelling, maar lijken toch meer oog te hebben voor de cultuur≠politieke motie≠ven achter de over≠heidsinterven≠tie in de markt. Zij bena≠druk≠ken dat de bibliotheek `een culture≠le instelling' is, welke is `gericht op de verspreiding van het boek en het bevorderen van het lezen'. Tegelij≠kertijd wensen zij de bibliotheek echter ook op te vatten `als een instrument op de informatie≠markt' (1995: 22) en beplei≠ten zij mede `een vraag≠gerichte benade≠ring' daar deze `meer houvast biedt voor een bedrijfsma≠tige benadering van het biblio≠theekwerk.' (1995: 11). Niette≠min wordt over≠heidsin≠ter≠ventie in beginsel uitsluitend gewenst geacht `als burgers voor bepaalde crucia≠le infor≠ma≠tie een te hoge (markt)prijs moeten betalen' (1995: 18) Een dergelijke formulering biedt meer ruimte voor een op cultuurpo≠litieke doelein≠den gebaseerd beleid daar het mede aan de overheid en de biblio≠theek wordt overgelaten om te bepalen wanneer hiervan sprake is. Van wezenlijk belang blijft echter wat men met de aldus verzamel≠de, door de private sector te duur op de markt gebrachte, infor≠matie gaat doen: zet men deze simpelweg in de kast en wordt men dus een museum van het geschre≠ven woord of gaat men deze actief aanbie≠den? Aan de laatste vraag brandt het VNG zijn vingers liever niet te opzichtig. Men bepleit zowel `gebruikersge≠richt denken' dat `inspeelt' op `de behoeften van de klanten' (1995: 24), als het `uitnodigen van potentiŽle klanten tot lezen of ander informa≠tie≠ge≠bruik' (1994: 34).

 

6 Conclusie

De overheid subsidieert in de culturele sfeer datgene wat de markt laat liggen. Dit geldt bij uitstek voor het realise≠ren van cultuurpo≠litieke doelein≠den. De markt streeft er niet naar om mensen tot de betere literatuur en informatie te brengen opdat zij meer kans hebben zich in de samenleving overeind te houden en hun leven zinvol en zelfbewust in te richten. Afgezien van private instellingen, kan alleen een politieke gemeen≠schap dit doen, waarbij de overheid het instrument vormt. Wan≠neer de over≠heid dus de bibliotheken subsi≠dieert dan doet zij dit primair met cultuur≠poli≠tieke motie≠ven. Naarmate de bibliothe≠ken zich meer als een op de markt gerichte onderneming gaan opstellen, neemt de motivatie van de overheid af om de biblio≠theeksector via subsidies overeind te houden. Ook is het mogelijk dat de centrale overheid zich gedwongen ziet om de decentrali≠satie die in de jaren tachtig werd gereali≠seerd, terug te draaien. Reeds uit eigenbelang doet de bibliotheekwereld er derhalve zeer verstandig aan om zichzelf niet te veel als een op de bestaande vraag gerichte commer≠ciŽle instelling te be≠schouwen. Gaat men verder op de inge≠slagen weg dan zal men mogelijk eerst zijn subsidies zien afnemen en vervolgens worden weggecon≠cur≠reerd door private ondernemingen die veel beter zijn toegerust om op de markt te overleven. De ontwikke≠lingen binnen de publieke omroep kunnen hierbij als weinig aanlok≠kelijk voorbeeld dienen.

 



[i]. Een hiermee verbonden vraag is overigens of er uitspraken mogelijk zijn over de kwali≠teit van de verschillende media: is het geschreven woord al dan niet een beter medium om informa≠tie over te dragen dan het beeld (zie hiervoor: Blokland 1995: 308-16)?

[ii]. Overigens wordt in dezelfde nota ener≠zijds benadrukt dat de overheid de be≠leidsvrij≠heid van de bibliothe≠ken volledig moet respec≠teren opdat de laatsten gevrijwaard worden van politieke en levensbe≠schouwe≠lijke invloeden, terwijl anderzijds wordt erkend dat de over≠heid het recht en de plicht heeft om te toetsen in welke mate de biblio≠theken `het algemene nut' dienen (1994: 14). De vraag is dan natuurlijk op grond van welke criteria de overheid dit laatste zou moeten doen. Het lijkt evident dat dit slechts kwalitatieve, cultuur≠politieke criteria kunnen zijn.