Artikelen

 

De corrumpering van de Amerikaanse democratie

Hans Blokland

(Socialisme en Democratie, Jg.61, Nr.3, pp.8-24)

 

Een kleine, zeer welvarende ‘upper class’ heerst in de Verenigde Staten over de regering en de andere sociale klassen. De leden hiervan, waaronder de eigenaren en managers van grote banken en bedrijven, bedingen belastingreducties, subsidies en andere economische voordelen van de overheid, bepalen haar beleid op voor hun relevante terreinen, beïnvloeden in hoge mate verkiezingen en bevorderen met groot succes de verspreiding van die opvattingen en houdingen, die hun privileges, status en macht bevestigen.[1] 

Met deze stellingen maakte G.William Domhoff zich in de jaren zestig en zeventig binnen (en zeker buiten) de Amerikaanse politieke wetenschappen tot een paria. Zijn werk paste binnen het oude politicologische debat tussen zogenaamde elitisten en pluralisten. Pluralisten als David Truman, Robert Dahl en Gabriel Almond meenden dat er een betrekkelijk grote diversiteit aan maatschappelijke groepen bestaat, die elk op zich beschikken over specifieke politieke hulpbronnen en die elk, doorgaans in concurrentie met andere groepen, op slechts een klein aantal terreinen de besluitvorming beïnvloeden, terreinen die vooral voor hen relevant zijn. Elitisten als Floyd Hunter, C. Wright Mills en Domhoff stelden dat één kleine cohesieve elite op bijna alle belangrijke terreinen de dienst uitmaakt. Haar leden hebben het geld, de relaties met elkaar, de overheid en de politiek, en zij maken in hoge mate de publieke opinie. We zijn nu dertig jaar verder en eigenlijk moeten we constateren dat het in een aantal opzichten allemaal nog veel erger is geworden dan Domhoff toendertijd geloofde. Dat is geen particuliere mening. Ook binnen de Amerikaanse politicologie en in media als The New York Times zijn tal van stellingen van Domhoff inmiddels gemeengoed geworden. Ik zal dit in het volgende adstrueren. Wat er is veranderd, is dat niemand zich meer werkelijk druk maakt over sociale en politieke ongelijkheid. Dit feit bewijst echter nogmaals Domhoffs gelijk.

Om de aanwezigheid van een cohesieve heersende klasse in de Verenigde Staten aan te tonen, heeft Domhoff een lange reeks, op elkaar voortbouwende en elkaar aanvullende onderzoekingen verricht. De degelijkheid en plausibiliteit van zijn methoden en analysen lieten aanvankelijk te wensen over, maar groeiden met de jaren. Hij vestigde zijn naam met Who Rules America? (1967) waarin hij de oververtegenwoordiging liet zien van de leden van de ‘upper class’ op vooraanstaande politieke en economische posities. Vervolgens onderzocht hij in The Higher Circles (1970) hoe zij de totstandkoming en implementatie van belangrijk overheidsbeleid pogen te sturen. Zijn Fat Cats and Democrats (1972) bevatte een analyse van de wijze waarop prominente ondernemers de Republikeinse en vooral Democratisch Partij domineren via hun bijdragen aan verkiezingsfondsen. In The Bohemian Grove and Other Retreats: A Study in Ruling Class Cohesiveness (1974) trachtte hij de samenhang binnen en het klassebewustzijn van de kapitalistische klasse aannemelijk te maken door hun samenzijn te bestuderen in drie exclusieve ontspanningsoorden in Californië. Daarna volgden twee complementaire publicaties: The Powers That Be: Processes of Ruling Class Domination in America (1978a) en Who Realy Rules: New Haven and Community Power Re-Examined (1978b). In het eerste boek, waarbij ik hier iets langer stil zal staan, geeft Domhoff een overzicht van zijn theoretische uitgangspunten en empirische bevindingen tot dan toe en in het tweede gaat hij in op Dahls befaamde, op onderzoek in New Haven gebaseerde Who Governs? (1961) een boek dat tot de allerbelangrijkste pluralistische publicaties behoort.[2]

In The Powers That Be schat Domhoff de omvang van de Amerikaanse heersende klasse op ongeveer een half per cent van de bevolking.[3] De betrokkenen leven in afgesloten wooncomplexen (‘gated communities’), sturen hun kinderen naar private (kost)scholen, bezoeken gezamenlijk allerlei besloten clubs en recreatieoorden, beschikken over bijna een kwart van het totale persoonlijke vermogen, scoren hoger dan de leden van andere klassen op tal van welzijns- en gezondheidsstatistieken, controleren de belangrijkste sociale en economische instellingen, en beheersen de maatschappelijke besluitvorming (1978a: 5, 12). De heersende klasse heeft volgens Domhoff verder voldoende cohesie om een ‘wil’ en een ‘klassebewustzijn’ te ontwikkelen en een hierop gebaseerd beleid. Deze cohesie blijkt uit zaken als het interregionaal bezoek van private onderwijsinstellingen, het huwen binnen de eigen kringen, de overlappende lidmaatschappen van maatschappelijke verenigingen en van ondernemingsraden, het bezoek aan nationale, besloten bijeenkomsten met een politiek karakter, en het onderschrijven van een gezamenlijke ideologie die wordt ontwikkeld in aan de elite verbonden organisaties als de Council on Foreign Relations, de Committee for Economic Development, de Business Council en de Conference Board (1978a: 17). Opvallende uitdrukking van het bestaan van een heersende klasse vindt Domhoff de grote continuïteit van de bestaande sociale ongelijkheid. Wanneer politiek inderdaad, zoals de politicoloog Harold Lasswell onderstelde, handelt over de vraag ‘Wie krijgt wat?’ van het gezamenlijke product, dan kan men in Domhoffs optiek gezien deze continuïteit niet anders dan tot de conclusie komen, dat de rijken een disproportionele invloed op de politiek uitoefenen. Meer politieke gelijkheid zou immers vanzelf tot meer sociale gelijkheid leiden (1978a: 7).[4]

Een onderdeel van de heersende klasse is volgens Domhoff de machtselite. Zij bestaat, schrijft hij onder verwijzing naar C.Wright Mills, uit actieve, werkende leden van deze klasse en uit hooggeplaatste werknemers van instellingen die door haar worden beheerst (1978a: 13). Niet alle leiders, zoals die van de vakbonden en de milieubeweging, behoren tot de machtselite. Hun bestaan lijkt pluralisme te impliceren, maar volgens Domhoff is dit slechts schijn: uiteindelijk delven zij bijna altijd het onderspit. Evenzo vormt de aanwezigheid van politieke conflicten geen afdoend bewijs van pluralisme en van de afwezigheid van een dominante klasse: zij vinden voornamelijk plaats binnen deze klasse (1978a: 199).[5]

Domhoff is ook niet onder de indruk van de tegenwerping, dat er een ‘managerial revolution’ (Burnham 1941) heeft plaatsgevonden, hetgeen tot gevolg zou hebben dat de eigendom van banken en ondernemingen is gescheiden van hun bestuur, dat de nieuwe managers een heterogener sociale achtergrond bezitten en meer op publieke doelen zijn gericht en dat een bureaucratisch economisch systeem is ontstaan waarin een ieder wordt beloond en benoemd op basis van zijn prestaties en niet op basis van zijn sociale achtergrond.[6] Volgens Domhoff, echter, komt een sterk onevenredig aantal van de directeuren van ondernemingen en banken nog altijd uit dezelfde hoogste klasse.[7] Topmanagers blijken bovendien dezelfde ideologie aan te hangen als hun broodheren en in dezelfde sociale instituties te worden geassimileerd. Ondernemingen die primair door managers worden bestuurd, blijken verder niet minder eenzijdig op winst te zijn gericht dan hun voorgangers. En tenslotte delen financiële instellingen als banken en verzekeringsmaatschappijen in menig bedrijfstak de lakens uit. En deze instellingen worden weer beheerst door de heersende klasse (1978a: 20-1).

Vier processen van machtsuitoefening

De heersende klasse, betoogt Domhoff verder in The Powers That Be, heeft via vier algemene processen de Verenigde Staten in haar macht. In de eerste plaats stelt zij haar belangen veilig door het ‘special-interest process’. Dit bestaat uit de diverse wijzen ‘by which individuals, families, corporations and business sectors within the ruling class obtain tax breaks, favors, subsidies and procedural rulings that are beneficial to their short-run interests’ (1978a: 25). Het is de wereld van lobbyisten, achterkamerjuristen, handelsassociaties en adviescommissies van overheidsinstellingen. In deze netwerken worden belangen geborgen via het uitwisselen en geven van informatie, adviezen, giften, smeergelden, banen en beloften en via vriendschappen en ‘insider dealing’.

Via het ‘policy-formation process’ formuleren de leden van de machtselite, in de tweede plaats, het algemene beleid dat de belangen van de heersende klasse verdedigt. De betrokkenen laten zich voorstaan op distantie, onafhankelijkheid, expertise en ‘het nationaal belang’. Zij zijn actief in onderzoeksinstituten, denktanks, foundations en speciaal door de president ingestelde ‘commissies’ die bepaalde problemen (variërend van rassenrellen tot overheidssalarissen) onderzoeken.[8]

In de derde plaats laat de elite volgens Domhoff haar invloed gelden via het verkiezingsproces. Gedurende dit proces ontwikkelen de meeste politici ‘binding ties to one or another clique within the power elite while professing to speak for “the people”’ (1978a: 129). Dit is in tegenspraak met de vigerende pluralistische leerstelling, dat verkiezingen op de lange termijn zorgdragen voor politieke responsiviteit daar politici wier voorkeuren te veel afwijken van de voorkeuren van de burgers, uiteindelijk zullen worden weggestemd. Domhoff acht deze voorstelling van zaken onhoudbaar. Hij wijst er op dat de twee Amerikaanse partijen geregeld opvattingen negeren, die grote meerderheden van het electoraat aanhangen (1978a: 132). Daarnaast ontwikkelen politici na hun verkiezing niet zelden een heel ander beleid, dan zij tijdens hun campagne beweerden te gaan doen. Lyndon Johnson beloofde in 1964 een einde aan de oorlog in Vietnam te maken, maar liet deze onmiddellijk na zijn verkiezing escaleren. Het electoraat kan voorts via zijn keuzen weinig invloed uitoefenen daar partijen en kandidaten bij voorkeur geen duidelijke standpunten innemen en vooral de indruk wekken alle electorale wensen te zullen inwilligen. Tegenwoordige campagnes zijn mediagebeurtenissen waarin een soort sportwedstrijd tussen twee breed uitgemeten persoonlijkheden centraal staat en hebben weinig te maken met het pluralistische tekstboekbeeld van verkiezingen. In geen van de hem bekende studies over presidentsverkiezingen is er naar Domhoffs mening ‘any evidence of serious efforts to learn the concerns of voters and to develop policies to respond to those concerns. Rather, the whole emphasis is on manipulation and impression management, tasks made easier perhaps by the hordes of pollsters, media consultants, advance men and other image-creating advisors hired by both parties’ (1978a: 141). Instemmend citeert hij Theodor Lowi: ‘Majorities produced by the American two-party system are simply numerical majorities; they usually have no political content whatsoever’ (1978a: 142).

Amerikaanse politieke partijen, constateert Domhoff net als Dahl, Lindblom en Truman in de jaren vijftig, spelen dus geen rol van betekenis in de ontwikkeling van beleid of in de politieke educatie. Zij zijn slechts vehikels voor politici om verkiezingscampagnes te voeren. Omdat deze campagnes steeds meer draaien om individuen en bijgevolg om naamsbekendheid en imago, is het belang van verkiezingsfondsen sterk toegenomen, hetgeen weer sterk in het voordeel werkt van de leden van de heersende klasse. Zij bezitten private fondsen of hebben eenvoudiger toegang tot mensen en instellingen die hierover beschikken. Domhoff maakt melding van de vele hervormingsvoorstellen die vanaf het einde van de jaren zestig zijn gedaan voor de financiering van campagnes, maar spreekt zijn twijfel uit over hun uiteindelijke succes (1978a: 149 e.v.). De Supreme Court deed veel van deze voorstellen en feitelijke hervormingen in 1976 teniet door uit te spreken, dat individuen eigen vermogens mogen aanwenden voor campagnes en dat rechtspersonen de campagnes van anderen ongelimiteerd mogen ondersteunen, zolang zij hun steun maar niet coördineren met die van de betrokken kandidaten.[9] Onderzoek in de jaren zeventig leert daarom weinig verrassend dat ongeveer driekwart van de ouders van de leden van het Congres ondernemer was of een vrij beroep uitoefende, terwijl bijna alle leden deze achtergrond zelf hebben. Presidenten, constateert Domhoff in 1978, zijn bijna altijd afkomstig uit zeer rijke families. Dit gold in de twintigste eeuw voor Theodore Roosevelt, William Taft, Franklin Roosevelt en John F.Kennedy. Herbert Hoover, Jimmy Carter, Lyndon Johnson en Richard Nixon maakten een eigen fortuin voordat zij president werden (1978a: 157 e.v.).

In de vierde plaats oefent de machtselite volgens Domhoff macht uit via ‘the ideology process’. Dit bestaat uit ‘the formation, dissemination and enforcement of the assumptions, beliefs and attitudes that permit the continued existence of policies and politicians favorable to the wealth, income, status and privileges of members of the ruling class (1978a: 10). De onderliggende beginselen van het Amerikaanse systeem worden in dit proces voortdurend bekrachtigd. Men kan hier denken aan individualisme, vrij ondernemerschap, competitie, gelijkheid van kansen (maar niet van resultaat) en een minimale overheid (1978a: 170). Zij worden verspreid door dezelfde ondernemingen, denktanks, fondsen, instituten en organisaties die actief zijn in het ‘policy-formation process’. Alleen richten zij zich nu rechtstreeks tot de burgers via een uitgebreid netwerk van burgerlijke discussiegroepen, reclamebureaus, ‘public relations’ -firma’s en allerhande comités die speciaal zijn opgericht om de opinies over bepaalde kwesties te beïnvloeden (1978a: 172).[10] In het algemeen verkoopt uiteraard ook de dagelijkse stortvloed aan reclames het systeem.

Belangrijk onderdeel van de heersende ideologie acht Domhoff de voortdurend impliciet en expliciet geuite boodschap, dat mensen verantwoordelijk zijn voor het eigen succes of falen. Deze leidt ertoe, schrijft hij onder verwijzing naar Robert Lane’s Political Ideology (1962), dat de verliezers het systeem niet werkelijk durven te opponeren daar zij ‘ergens’ het gevoel hebben, dat hun falen uiteindelijk hun eigen schuld is. Het resultaat is een ‘resigned acquiescence’ (1978a: 195). Het belang van ideologie moet echter volgens Domhoff niet worden overdreven. Zij helpt de eerste drie processen makkelijker te laten verlopen, maar zij kan hiervoor niet compenseren. Mensen zouden niet onmiddellijk in opstand komen wanneer de bestaande ideologie haar suprematie zou verliezen. Dit zou volkomen ten onrechte suggereren dat alle mensen contemplatieve filosofen zijn. De stabiliteit van een samenleving, schrijft Domhoff, is in hoge mate afhankelijk van ‘the “institutional fit” between the daily lives of citizens and the central institutions of a society… Routine involvement in a daily round of social activities – and particularly in a job – is one of the most important factors in social control and social stability’ (1978a: 197). Van markt en bureaucratie, schreef ik in De Modernisering en haar Politieke Gevolgen (2001) gaan een enorme stabiliserende kracht uit. Zij compenseren zelfs voor de innerlijke leegte die de modernisering – de rationalisering, differentiëring en individualisering – met met zich meebrengt.

Het gelijk van de politicologie en de maatschappelijke overwinning van rechts

Niet ten onrechte schrijft Harold Kerbo in de American Journal of Sociology (Vol.82, No.3) over Domhoffs The Bohemian Grove and Other Retreats (1974), dat sociologen ‘of a less crusading nature will pass over this work as representing “sloppy” research, while sociologists of a critical nature will accept it as a significant contribution’ (1976: 723).[11] Enigszins geforceerd verwijzend (zoals zovelen in deze jaren) naar Kuhns paradigma’s constateert hij, dat er maar weinig onderzoeksgebieden zijn waar de normatieve uitgangspunten van de desbetreffende onderzoeker dermate belangrijk zijn gebleken voor het bereiken en accepteren van conclusies, als in het onderzoek naar macht. Kerbo veronderstelt dat het belang van deze uitgangspunten groeit naarmate onderzoek methodologisch moeilijker is te verrichten en naarmate zijn resultaten een grotere politieke lading hebben. Domhoffs bevinding dat een aantal welgestelde leden van de economische en politieke elite tijd met elkaar doorbrengt en gemeenschappelijke problemen bespreekt, zal de pluralisten daarom vermoedelijk niet overtuigen. Domhoff bewijst immers niet dat zij een consensus bereiken of een gezamenlijk front vormen. En ook al zouden zij gemeenschappelijke belangen formuleren, dan nog heeft Domhoff niet bewezen dat zij er vervolgens in zouden slagen om deze belangen effectief op nationaal niveau te behartigen.

Een andere mogelijke kritiek op Domhoff is dat hij net als de pluralisten te vaak op zoek is naar concreet aanwijsbare personen in machtige posities en opvallend weinig aandacht heeft voor de macht die uit kan gaan van anonieme maatschappelijke structuren als bureaucratie en markt. Hij kijkt dus te veel naar Who Rules? en te weinig naar What Rules?. Scherpe kritiek kreeg Domhoff in deze zin in de jaren zeventig van ‘structuralisten’ als Nicos Poulantzas.[12] Zij achten het zoeken naar concrete banden tussen vertegenwoordigers van de overheid en het bedrijfsleven een vorm van complotdenken. In plaats daarvan garanderen in hun optiek diepe structurele relaties dat de activiteiten van de overheid de belangen van het kapitalisme ten goede komen.

Maatschappelijke structuren als markt en bureaucratie, betoogde ik eveneens in De Modernisering en haar Politieke Gevolgen, kunnen individuen en samenlevingen in een specifieke, door hen mogelijk verfoeide richting duwen. Deze macht werkt echter uiteindelijk via de beslissingen en invloed van concrete personen, of zij zich hiervan nu wel of niet bewust zijn. Door de relatie tussen staat en kapitalistische klasse goedbeschouwd tot een definitiekwestie te maken, verlossen de structuralisten zich te makkelijk van de last empirisch onderzoek te doen naar deze activiteiten van aanwijsbare personen.

Waarin Domhoff in het algemeen slaagt, schrijft Kerbo, is ‘to provide another small bit of research indicating that the governing-class argument is at least plausible’ (1976: 724). Kerbo hoopt dan ook dat op dit terrein vele nieuwe onderzoekingen verricht zullen worden, onderzoekingen die elk een additioneel stukje van de legpuzzel zullen voortbrengen. Langer dan vele anderen is Domhoff inderdaad onvermoeibaar doorgegaan met het aanleveren van deze stukjes. Sinds het begin van de jaren zeventig hebben zijn methoden en conclusies, zo merkte ik reeds op, hierbij aan plausibiliteit gewonnen. Hij gaat meerdere onderzoeksmethoden tegelijkertijd hanteren en wordt voorzichtiger met het trekken van conclusies uit zijn materiaal. De waardering binnen de academische wereld van Domhoffs analysen groeit gestaag en reeds aan het einde van de jaren zeventig is men doorgaans betrekkelijk positief over zijn werk.[13] Wel neemt, tot zijn groeiende en nauwelijks verholen ergernis, de belangstelling voor zijn favoriete onderwerp vanaf het midden van de jaren zeventig steeds meer af. Zo zeer zelfs dat Jill Quadagno in 1991 meldt, dat Domhoff met zijn The Power Elite  and the State (1990) ‘convincingly demonstrates that it is time to end the pariah status of power research (and researchers)’ (1991: 565).[14]

Voor deze afnemende belangstelling zijn verschillende verklaringen. Een belangrijke is een veranderend politiek klimaat waarin grove machtsongelijkheden aanmerkelijk minder problematisch worden geacht dan voorheen. Deze verandering kan men overigens zien als een manifestatie van dezelfde ongelijkheden. Binnen de maatschappijwetenschappen groeit daarnaast een ongeloof in de mogelijkheid kennis te ontwikkelen die door een ieder betrouwbaar wordt geacht. Zeker in een tijd van slinkende onderzoeksmiddelen, hetgeen eveneens samenhangt met politiek-culturele veranderingen, vallen onderwerpen af die uit de aard van hun zaak belangrijke methodologische moeilijkheden en relatief grote onderzoekskosten met zich meebrengen. Voorts treedt er onder politicologen en sociologen een zekere onderzoeksmoeheid op: het beeld van de maatschappelijke machtsverhoudingen raakt, ondanks alle methodologische problemen, redelijk compleet. In zoverre de betrokkenen nog aandacht voor dit onderwerp hebben, is het niet overdreven te stellen, dat er vanaf de jaren tachtig binnen de sociale en politieke wetenschappen gaandeweg nog maar weinigen overblijven, die het bestaan ontkennen van de door Domhoff beschreven processen waarmee een sociaal-economische elite de publieke meningsvorming en besluitvorming beïnvloedt.[15] Ook pluralisten als Dahl en vooral Lindblom zijn hierop geen uitzondering. Het empirische bewijs is simpelweg te overweldigend.

Deze ontwikkeling binnen de maatschappijwetenschappen naar een bijna algemene acceptatie van tal van Domhoffs stellingen staat haaks op die binnen de maatschappij en de politiek (cf. Blokland 2001: 33-6). De in beide domeinen vigerende opvattingen zijn vanaf de jaren zeventig steeds verder uit elkaar gaan lopen. In de politieke wetenschap werden de analysen doorgaans kritischer en werd, omwille van de democratie, in toenemende mate gepleit voor een herverdeling van macht, kennis en inkomen, voor een democratisering van de economische sector en voor een drastische beperking van de invloed van private ondernemingen en hun organisaties op de publieke besluitvorming en meningsvorming. Het werk van Dahl en Lindblom vormt hiervan een krachtige illustratie. De in de samenleving en de politiek heersende opvattingen ontwikkelden zich in omgekeerde richting. Vooral hierdoor konden de ongelijkheden in inkomen, vermogen en invloed op de publieke menings- en besluitvorming gestaag toenemen. Aan het einde van de jaren negentig heeft dit proces zich in die mate voltrokken, dat de machtsverhoudingen, nog meer dan in het verleden, volkomen uit balans zijn geraakt. Ook bedaarde uitgaven als The New York Times, The Independent, The Economist of, ten onzent, NRC-Handelsblad en Elsevier gaan tegen deze tijd bijna dagelijks of wekelijks verslag doen van de enorme invloed die een betrekkelijke hechte, steeds welvarender, economisch gefundeerde elite uitoefent op de publieke besluitvorming. Een belangrijk verschil met de jaren zestig en zeventig is evenwel dat hiertegen geen relevante politieke oppositie meer bestaat. De enige weg om verkiezingen te winnen zagen de sociaal-democraten in Europa en de liberals in de Verenigde Staten in het overnemen van het programma dat de positie bevestigde van degenen die het meeste baat hebben bij maatschappelijke ongelijkheid: het programma van privatisering, verzelfstandiging, deregulering, flexibilisering, individualisering, globalisering, het programma dus van onbelemmerde functionele rationaliteit

Uit één uitgave van de bovengenoemde, The New York Times, zal ik ter illustratie enige tegenwoordige voorbeelden geven van zaken die Domhoff dertig jaar geleden aan de kaak probeerde te stellen.

Zijn de Verenigde Staten nog een democratie?

Domhoff meende drie decennia terug dat er sprake was van een onduldbare sociale ongelijkheid in inkomen en vermogen. Sindsdien is deze ongelijkheid in de hele westerse wereld en in de Verenigde Staten in het bijzonder alleen maar toegenomen. Sterk zelfs. Dit is niet vanzelf gebeurd, maar weerspiegelt veranderende machtsverhoudingen.[16] Volgens berekeningen van het Economic Policy Institute en de Center on Budget and Policy Priorities daalde in de Verenigde Staten tussen het einde van de jaren zeventig en het einde van de jaren negentig het gemiddelde gezinsinkomen in de laagste twintig per cent van de inkomensschaal, gecorrigeerd voor inflatie, met vijf per cent. De inkomens van de gezinnen in de top vijf per cent stegen in dezelfde periode met gemiddeld drieëndertig per cent. Verdienden de gezinnen in de top vijf per cent in 1968 ongeveer elf keer zo veel als de gezinnen in de laagste twintig per cent, in 1998 was deze verhouding gestegen tot één op twintig (New York Times, 23 januari, 2000). Volgens data van de Congressional Budget Service ontving de onderste tachtig per cent van de Amerikaanse huishoudens in 1977 zesenvijftig per cent van het Nationale Inkomen. In 1999 was dit geslonken tot vijftig per cent (New York Times, 3 september 2000). Sinds 1973 is vierennegentig per cent van de groei in het Nationale Inkomen gegaan naar de rijkste een per cent van de huishoudens (New York Times, 4 april 2002).[17] In 1970 ontving de top 0,01 per cent van de belastingbetalers 0,7 per cent van het Nationale Inkomen. In 1998 was dit gestegen tot 3 per cent. Dit betekent dat de dertienduizend bestverdienende gezinnen in dit jaar gezamenlijk ongeveer evenveel inkomsten genoten als de twintig miljoen armste gezinnen (New York Times, 27 oktober 2002). Domhoff schatte aan het begin van de jaren zeventig dat de top een per cent van de huishoudens een kwart van het totale vermogen bezat. Volgens berekeningen van het Economic Policy Institute steeg dit percentage tussen 1983 en 1997 van 33,8 naar 39,1 per cent.[18]

Niet alleen de kloven in inkomen en vermogen zijn in de Verenigde Staten sinds de jaren zeventig dieper geworden, dit geldt ook voor die in secundaire arbeidsvoorwaarden op terreinen als ziekte, ouderdom, vacantie en arbeidsongeschiktheid. Uit onderzoek van de United States Department of Labor blijkt dat veel leden van de laagste inkomensklassen in de loop der jaren belangrijke ‘benefits’ hebben verloren. In 1982 was negenenveertig per cent van de werknemers in het laagste centiel, bij voorbeeld, gedekt door een ziektekostenverzekering van hun werkgever. In 1996 was dit gedaald tot zesentwintig per cent. Voor de middeninkomens (vijftig per cent van het hele spectrum) en de werknemers in het hoogste centiel daalden de percentages eveneens, maar veel minder: respectievelijk van negentig naar vierentachtig per cent, en van achtennegentig naar negentig per cent. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn op de andere terreinen te constateren (New York Times 14 juni 1998).[19]

Domhoff wees erop dat het politieke belang van het bezit van private fondsen aan het groeien was en dat Amerikaanse congresleden in toenemende mate tot de welgestelden behoorden. De wetgeving die reeds in de jaren zeventig werd aangenomen om de invloed van het geld op verkiezingscampagnes te verminderen, bracht hierin geen verandering. Volgens het merendeel van de analisten geldt dit ook voor de na lange en heftige strijd in maart 2002 aangenomen ‘campaign finance bill’. Deze door de senatoren John McCain en Russell Feingold aanbevolen wet maakt het voor bedrijven, vakbonden en individuen onmogelijk om nog langer ongelimiteerde sommen aan nationale politieke partijen te doneren (‘Soft Money’). Daar staat echter onder meer tegenover dat de maximale bijdrage die een individu aan één campagne (er zijn er vele) mag leveren, steeg van duizend naar tweeduizend dollar (‘Hard Money’ – in totaal mag men nu 95.000 dollar in plaats van 50.000 dollar per verkiezingscyclus spenderen). Door het laatste zal het in de jaren negentig reeds sterk toegenomen belang van zogenaamde ‘bundlers’ nog verder toenemen. Dit zijn, vaak betrekkelijk anonieme miljonairs die hun vrienden, familieleden en kennissen weten te bewegen elk tweeduizend dollar te doneren en die het totaal in één keer aan hun favoriet schenken. Vooral de Republikeinen beschikken over dergelijke ‘Pioneers’. Voor Bush bundelden zij voor de verkiezingen in 2000 op deze wijze 113 miljoen dollar (op een totaal van 191 miljoen; tegenkandidaat Al Gore beschikte over 133 miljoen). De totale ‘oorlogskas’ van de Republikeinse Partij (rond de 700 miljoen dollar) was in 2000 voor vijfenzestig per cent gevuld met hard geld, die van de Democratische Partij (rond de 500 miljoen dollar), de krachtigste pleitbezorger van de nieuwe wetgeving, voor drieënvijftig per cent. Sinds de aanname van de wet heeft ook de laatste partij evenwel fors geïnvesteerd in het blootleggen en het creëren van een landelijk, per internet te bereiken netwerk van mogelijke donateurs. Het via ‘direct mail’ vragen om donaties zal vermoedelijk dermate in omvang toenemen, dat de rol van het geld nog verder zal groeien. Hetzelfde geldt voor het belang van netwerken.[20]

De in 2002 aangenomen wetswijzigingen zullen bovendien nauwelijks effect sorteren omdat individuen het recht behielden om eigen vermogens aan te wenden voor campagnes. Als gevolg hiervan zitten er vandaag vooral miljonairs in het Congres. Een voorbeeld is Jon S.Corzine, voormalig voorzitter van de directieraad van Goldman Sachs. Van zijn privé-vermogen van vierhonderd miljoen dollar besteedde hij in 2000 zestig miljoen dollar om voor de Democratische Partij een senaatszetel van de staat New Jersey te veroveren. Omgerekend was dit 242 dollar per stem. Zijn Republikeinse tegenstander Bob Franks spendeerde ruim 6 miljoen dollar, ongeveer tien per cent van het budget van Corzine. Dergelijke scheve verhoudingen, zo blijkt uit gegevens van The Center for Responsive Politics[21], zijn eerder de regel dan de uitzondering. Van de vierendertig senatoren die in 2000 werden gekozen, werden er drieëntwintig herkozen en beschikte de uitdager van een zittende senator slechts in één geval over een (iets) groter verkiezingsfonds dan zijn opponent. In alle andere gevallen waren de verschillen dermate groot dat er voorhands sprake was van een gelopen koers. Slechts zes keer werd een senator die zich herverkiesbaar had gesteld, verslagen. In drie van deze zes gevallen had de uitdager een aanmerkelijk groter verkiezingsfonds. De strijd voor de vijf open zetels werd slechts één keer gewonnen door een kandidaat die beduidend minder te besteden had: Hillary Rodham Clinton.[22]

Amerikanen, verklaart Charles Lewis van ‘The Center for Public Integrity’ in The New York Times, hebben slechts twee keuzen: ‘We can either elect rich, bored multinationals or plastic figures, with perpetual smiles on their faces who are bought and paid for by special interests’ (11 juni 2000). In totaal werd in 2000 ongeveer drie miljard dollar besteed aan de presidents- en congresverkiezingen. Een gevolg van de enorme kosten die zijn verbonden aan politieke campagnes, is dus dat veel kandidaten, met name zittende congresleden die relatief eenvoudig fondsen kunnen verwerven, in de verkiezingen geen opponent hebben: mogelijke kandidaten stappen niet in de race omdat zij geen geldbronnen weten aan te boren of omdat hun fondsen dermate gering zijn dat zij bij voorbaat hebben verloren.[23] Volgens analisten werd in 2000 minder dan tien per cent van de 435 zetels van de House of Representatives na een werkelijke verkiezingsstrijd vergeven (New York Times, 11 juni 2000). In 2002, na de tienjaarlijkse herschikking van de districten, waren slechts ongeveer 55 van de 435 zetels competitief. Normaliter zal dit getal gedurende het decennium verder dalen (New York Times, 13 maart, 2002).[24]

Presidenten, constateerde Domhoff evenzo in de jaren zeventig, zijn bijna altijd afkomstig uit zeer rijke families of hebben eerst zelf een fortuin gemaakt. Ook George W.Bush is hiervan een voorbeeld. De wijze waarop hij een gefortuneerd man werd, illustreert bovendien aardig de verwevenheid van de economische en de politieke elite. In 1989 kocht Bush, ook toen al een groot pleitbezorger van een kleine overheid en de vrije markt, samen met enige zakenrelaties een honkbalteam in Arlington, Texas. Deze relaties wilden Bush vooral in hun midden hebben, zo verklaarden zij later in de New York Times, vanwege diens vele politieke connecties (24 september 2000). Zo was zijn vader op dat moment president van de Verenigde Staten. Bush investeerde 500.000 dollar, een bedrag dat hij leende van een bank waar hij eerder in de raad van commissarissen had gezeten. Voor een basissalaris van 200.000 dollar werd Bush de directeur van de Texas Rangers. Gebruik makend van zijn politieke relaties en dreigend dat hij het team, de plaatselijke trots, zou verplaatsen naar een andere stad, wist hij al snel Arlington te bewegen een nieuw stadion voor de Rangers te bouwen voor een bedrag van 135 miljoen dollar. Daarnaast nam de stad een schuldenlast van zeventien miljoen over. De waarde van de bespeler van het stadion steeg hierdoor enorm. Toen Bush daarom in 1998 zijn aandeel in het team verkocht, leverde het hem ongeveer zestien miljoen dollar op, ruim dertig keer zoveel als zijn oorspronkelijke investering (New York Times, 24 september 2000).

Na zijn ‘verkiezing’ installeerde president Bush een energie ‘task force’ die onder leiding van vice-president Dick Cheney (net als Bush eerder werkzaam in de olie-industrie) op dit terrein een  beleidsplan formuleerde. De General Accounting Office (GAO) van het Congres moest er een (uiteindelijk verloren) rechtszaak voor aanspannen om te achterhalen met welke belanghebbenden de leden van deze werkgroep in overleg waren getreden.[25] Uit haar (danig geredigeerde) notulen bleek uiteindelijk dat afgezanten van energiebedrijven en hun belangenorganisaties zwaar waren oververtegenwoordigd ten opzichte van hun evenknieën van milieuorganisaties en van bedrijven uit de alternatieve energiesector.[26] Bovendien waren vooral die ondernemingen geraadpleegd (zoals Enron, ChevronTexaco, ExxonMobil en BP) die de verkiezingscampagnes van de Republikeinse Partij in de laatste jaren financieel ruimhartig hadden gesteund (New York Times, 28 februari, 27 maart 2002). Hoe meer een bedrijf voorts had gedoneerd, hoe meer toegang het had gekregen.[27] Het in mei 2001 gepubliceerde nationale energieplan voorzag in een beleid waarmee de betrokken (meest fossiele) energieproducenten moeiteloos konden instemmen: geen aanscherping van de emissiestandaarden voor kooldioxide[28], geen ondertekening van het Kyoto-verdrag, geen bevoordeling van alternatieve energiebronnen (onder meer werden de onderzoekssubsidies op dit terrein gehalveerd), geen hernieuwde overheidsregulering om, onder andere, energiecrises zoals in Californië te voorkomen, geen continuering van de restricties op het boren naar olie in natuurreservaten in Alaska en elders, grote belastingreducties en subsidies, et cetera. Een beleidsmaker van de Bush-regering verwachtte bovendien opgetogen, dat vijfentachtig van de honderdenvijf voorstellen zonder de tijdrovende democratische afwegingen in het Congres geïmplementeerd konden worden. President Bush benoemde voorts minimaal dertig voormalige functionarissen, lobbyisten en juristen uit de energiesector op invloedrijke posities in zijn regering. Fredrick D. Palmer, topfunctionaris van Peabody Energy, de grootste kolenonderneming van de wereld (vijftig per cent van de energie wordt in de Verenigde Staten met kolen opgewekt), verklaarde in The New York Times: ‘The people running the United States government are from the energy industry. They understand it and they believe in energy supply’ (21 april 2002).

De energiesector is slechts een voorbeeld. Een algemeen kenmerk van de rege­ring-Bush, schrijft The Center for Responsive Politics op zijn website, ‘is not only the bona fide government credentials that the staff sports – it’s also the corporate connections they bring into the White House… those on Bush’s staff who don’t have extensive corporate connections are the exception, not the rule.’ Zo zijn tal van kabinetsleden en beleidsmakers in het bedrijfsleven gerecruteerd (waarbij, zoals in de energiesector, grote donateurs niet onopgemerkt zijn gebleven) en hebben vele vroegere volksvertegenwoordigers grote bijdragen aan hun verkiezingscampagnes ontvangen uit geregeld zeer specifieke bedrijfstakken.[29]

Ook de regering-Bush is maar een voorbeeld. Zowel Republikeinse als Democratische leden van het Congres komen onveranderlijk op voor de belangen van de ondernemingen in hun staat en worden hiervoor ruimhartig beloond met bijdragen aan hun verkiezingsfondsen. Een illustratie vormt Joe Lieberman, die sinds 1992 voor Connecticut (CT) een Senaatszetel bemant en in de winter van 2003 kortstondig campagne voerde voor het presidentschap. Lieberman, in de presidentsverkiezingen van 2000 vooral door Gore als ‘running mate’ gekozen vanwege zijn morele integriteit, ‘closely aligned himself with three industries – insurance, high technology and health care – that are the main sources of his campaign contributions, and whose lobbyists say they are pleased with how he has promoted their agendas in Washington’ (New York Times, 27 Augustus 2000). Zijn sympathie voor verzekeringen laat zich verklaren door de aanwezigheid van zesendertig verzekeringsmaatschappijen in Connecticut, maatschappijen die van groot belang zijn voor de werkgelegenheid in deze staat (en met name voor die in de hoofdstad Hartford). Herbert Perone, de woordvoerder van de American Council of Life Insurers verklaart: ‘You can count on Joe Lieberman to understand why something is important to us and vote the right way and not scoff at our reasons. He’s been a friend to us.’ In de Senate Armed Services Committee heeft Lieberman zich over de jaren tevens met succes sterk gemaakt voor meer militaire uitgaven, met name voor onderzeeboten (tegen een prijs van tweeëneenhalf miljard dollar per stuk gemaakt in Groton, CT) en helicopters (gemaakt door Sicorsky in Bridgeport, CT). De diep religieuze Lieberman ‘brings a certain moral authority to the debate,’ laat een lobbyist voor de wapenindustrie weten, ‘even if it is in his constituents’ interest’ (New York Times, 27 Augustus 2000).

Lieberman is niet meer dan een voorbeeld. Een indruk van het geheel biedt The Buying of the Congress: How Special Interests Have Stolen Your Right to Life, Liberty, and the Pursuit of Happiness, dat een kleine veertig onderzoekers van The Center for Public Integrity in 1998 publiceerden[30] en de studies van het eveneens onafhankelijke The Center for Responsive Politics. De auteurs van The Buying of the Congress laten zien hoe de (non-)activiteiten van tal van Congresleden op menig beleidsgebied samenhangen met hun banden met belangengroepen. De vijfhonderd grootste Amerikaanse ondernemingen doneerden bij voorbeeld tussen 1987 en 1996 in totaal minimaal een kwart miljard dollar aan de verkiezingscampagnes van Congresleden. Tussen 1991 en 1996 registreerde minimaal vijftien per cent van de topmedewerkers van de Congresleden, na de beëindiging van hun betrekking, zich als lobbyist.[31] Voor sommige beleidsterreinen lag dit percentage drie keer zo hoog. De website van The Center for Responsive Politics laat zien dat er in 1999 honderdennegenentwintig voormalige Congresleden waren geregistreerd als lobbyist. Officieel waren er in dat jaar in Washington in totaal ruim twaalfduizend lobbyisten actief die gezamenlijk ongeveer anderhalf miljard dollar verdienden. Gemiddeld werd ieder Congreslid bewerkt door tweeëntwintig lobbyisten met een gezamenlijk budget van bijna drie miljoen dollar. Een groot deel van hun activiteiten was gericht op het beïnvloeden van de belastingwetgeving.

Het lobbyen beperkt zich niet tot het federale niveau. In het jaar 2000 besteedden allerhande rechtspersonen gezamenlijk ruim 570 miljoen dollar aan lobbyisten om wetgevers in vierendertig staten te beïnvloeden.[32] Op iedere statelijke volksvertegenwoordiger waren er gemiddeld vijf lobbyisten, een aantal dat de laatste jaren voortdurend was toegenomen. Het laatste hangt samen met de overheveling van wetgevende bevoegdheden van het federale naar het statelijke niveau die sinds de jaren zeventig gaande is. De invloed van lobbyisten is hierdoor sterk vergroot omdat hun statelijke tegenspelers doorgaans relatief slecht betaald zijn, minder ervaring en kennis hebben en over een zeer kleine staf beschikken. Wetgeving wordt bijgevolg geregeld feitelijk door lobbyisten geschreven. De volksvertegenwoordigers blijken tevens vaak nauwe financiële banden te onderhouden met de ondernemingen en de hieraan gerelateerde beleidskwesties, waarover zij worden geacht namens de burgers beslissingen te nemen.[33] In een reactie op het onderzoek stelt Peggy Kerns, directeur van het Center for Ethics and Government van de National Conference of State Legislatures: ‘The question is not so much how much money is spent, but what does the money get them? They are suggesting it buys a special influence, but that’s not necessarily so’ (New York Times, 2 mei 2002). Het laatste is uiteraard juist. Maar zouden belangengroepen werkelijk jaarlijks minimaal 570 miljoen dollar aan statelijke lobbyisten uitgeven en minimaal anderhalf miljard aan hun federale collega’s om er vervolgens nooit iets voor terug te krijgen?

Het maken van maatschappelijke consensus en de ideologie van de winnaars

Domhoff stelde in de jaren zestig en zeventig, dat de leden van de maatschappelijke elite een beslissende invloed uitoefenen op de publieke meningsvorming. Het lijkt inderdaad moeilijk te ontkennen dat individuen, groepen en instellingen die tot de maatschappelijke elite gerekend kunnen worden, met succes de vigerende opinies bewerken. Een belangrijk deel van het succesverhaal van de opkomst van het neoliberale denken in de jaren tachtig valt te herleiden tot de activiteiten van denktanks in de Verenigde Staten en Engeland die door deze elite werden gesteund en zelfs opgericht.[34] Evenzo is een groot deel van de gelden die ondernemingen en hun organisaties besteden aan lobbyen, gericht op het beïnvloeden van de publieke opinie.[35] Dit geldt zeker voor de formidabele uitgaven die zij gedurende verkiezingscampagnes doen om hun favoriete kandidaat te laten winnen. ‘Money talks’, stelt men eufemistisch in de Verenigde Staten. Eufemistisch, omdat het werkelijke probleem is, dat er naar wordt geluisterd.

Anders dan Domhoff vaak suggereert gaat het hier echter niet in de eerste plaats om een komplot van een cohesieve groep geprivilegieerden die welbewust die waarden, houdingen en opvattingen verspreiden, die hun positie rechtvaardigen en bevestigen. Onder meer aan de hand van het denken van Lindblom (1977, 1990, 2000), zal ik hierop uitgebreid elders terugkomen.[36] Vooralsnog merk ik slechts op dat degenen die maatschappelijke topposities bekleden een onmiskenbaar psychologisch en politiek belang hebben in het geloven in en het verspreiden van specifieke waarden, houdingen en opvattingen. Daarenboven zitten zij ontegenzeglijk in posities waar zij onevenredig grote mogelijkheden tot het laatste hebben. Een deel van de hierbij uitgeoefende invloed bestaat uit het definiëren van de publieke agenda. Gezamenlijk bewerkstelligen de betrokkenen dat een groot aantal onderwerpen als niet opportuun, niet ter zake doende of als te extreem terzijde wordt geschoven. Aldus bereiken zij een enorme, wat Lindblom (1990) heeft genoemd, ‘impairment’ van de publieke discussie van ideeën.[37] Aangaande de waarden, houdingen en opvattingen die zij collectief verspreiden kan men denken aan het geloof, dat mensen volledig verantwoordelijk zijn voor het eigen maatschappelijke succes en falen en dat de verzorgingsstaat deze verantwoordelijkheid ondermijnt; dat belastingen en sociale vezekeringen mensen ertoe brengen minder gebruik te maken van hun talenten en daarom verantwoordelijk zijn voor stagnerende economieën; dat herverdeling en relatieve sociale gelijkheid de meest getalenteerde mensen ertoe brengen hun talenten niet langer te ontplooien, en dat een rechtvaardige samenleving slechts vereist dat mensen gelijke kansen hebben om een, niet ter discussie staande maatschappelijke ladder te bestijgen – een opvatting die onlangs zelfs door een Europese sociaaldemocratische leider werd geventileerd.[38] Het psychologische belang van de winnaars in onze samenleving hierin te geloven, is evident: een ieder denkt graag – en laat anderen graag denken – dat zijn succes volledig aan de eigen inspanningen is toe te schrijven.[39] Deze gedachte komt niet alleen voort uit een universele behoefte tot zelfrechtvaardiging. Van belang is tevens dat wanneer men de eigen voorspoed niet volledig op het eigen conto kon schrijven, men ieder moment zijn geprivilegieerde positie zou kunnen verliezen. En dat is een onverdraagbare gedachte. Het politieke belang dit soort opvattingen te verspreiden ligt evenzo voor de hand: zij rechtvaardigen maatschappelijke ongelijkheid en dus de bevoorrechte posities van de betrokkenen. De ideologie van de winnaars is in de westerse samenleving, eerst vooral in de Verenigde Staten en daarna ook in Europa, dermate krachtig gepropageerd, dat ook de verliezers haar zijn gaan omarmen. Ook zij geloven dat zij hun falen volledig aan het eigen wanpresteren te danken hebben.[40] Het maatschappelijk draagvlak voor een verzorgingsstaat of een sociaaldemocratische beweging is daarom in Europa, zoals eerder in de Verenigde Staten is gebeurd, langzaam maar zeker ondermijnd. Dit is geen spontaan proces of het resultaat van voortschrijdend inzicht. Dit is het resultaat van het maken van opinie. Juist binnen het aldus geschapen opinieklimaat is het echter onmogelijk maatschappelijk te onderzoeken hoe dit proces gestalte heeft gekregen. Hedendaagse burgers zijn immers geëmancipeerd, mondig, zelfbewust, vrij, autonoom en onafhankelijk. Toch?

 



[1] Bij het schrijven van dit artikel heb ik gebruik gemaakt van mijn Pluralisme, Democratie en Politieke Kennis. Dit zal dit jaar bij Uitgeverij Van Gorcum verschijnen. Betogen zijn in boeken doorgaans uitvoeriger onderbouwd dan in artikelen. Zo ook hier.

[2] Na de publicatie van Who Really Rules is Domhoff onverdroten doorgegaan met onderzoek naar sociale ongelijkheid en machtsongelijkheid. Belangrijke publicaties zijn Who Rules America Now? (1983), The Power Elite and the State: How Policy is Made in America (1990) en State Autonomy or Class Dominance? (1996).

[3] Op andere plekken schat hij haar op een half tot een heel procent, hetgeen in de Verenigde Staten ongeveer anderhalf miljoen mensen scheelt. In Politics and Markets (1977) betoont Charles Lindblom zich overigens buitengewoon opgelucht over deze, volgens hem, grote omvang van de heersende klasse.

[4] Wil men deze conclusie kunnen trekken, dan zijn enige additionele onderstellingen over de authenticiteit en de inhoud van de bestaande waarden en ideeën noodzakelijk.

[5] In zijn latere werk erkent Domhoff in hogere mate de mogelijkheden van tweedracht en conflicten binnen de heersende klasse en van intrede door nieuwe leden.

[6] Vergelijk hier Schumpeters voorspellingen in Socialism, Capitalism and Democracy (1942) over de langzame bureaucratisering en socialisering van private ondernemingen en de evenredige ondermijning van de positie van de kapitalistische entrepreneur. Uiteindelijk zou het socialisme bijna ongemerkt worden gevestigd. Een belangrijke verklaring waarom deze voorspelling niet is uitgekomen, ligt op hetzelfde terrein waar Domhoff het falen van de ‘managerial revolution’ zoekt. Zie mijn De Moderniseing en haar Politieke Gevolgen (2001: 234-5).

[7] Hij schat dit op dertig per cent van het totaal. Anders dan Domhoff kan men natuurlijk ook benadrukken, dat zeventig per cent dus niet uit deze klasse afkomstig is. Interessant is overigens de vraag welk percentage van de telgen van het hoogste stratum geen economische of politieke (en trouwens ook universitaire) toppositie krijgt toebedeeld. Hoeveel domheid, onbekwaamheid en luiheid kan iemand zich dus permitteren voordat hij of zij uit het hoogste stratum valt? Wanneer zeventig per cent afkomstig is uit andere strata, suggereert dit een groot afvalpercentage. In werkelijkheid kan echter, door de maatschappelijke differentiëring, het aantal topposities dusdanig toenemen dat aanvulling uit andere strata onontkoombaar is. Een toenemend aantal topposities kan weer, zolang er geen sprake is van cohesie, pluralisme impliceren. Weinig wijst echter op afnemende cohesie.

[8] Men kan volgens Domhoff denken aan de hierboven reeds genoemde Council on Foreign Relations, de Committee for Economic Development, de Business Council, de Conference Board, en de American Assembly. Het belang van dit soort organisaties is in de laatste decennia voortdurend toegenomen. Vergelijk David Ricci’s The Transformation of American Politics: The New Washington and the Rise of Think Tanks (1993).

[9] Dit creëerde het ‘soft-money’ probleem. Ik kom hier later op terug.

[10] Het gaat om een enorm netwerk waarvan Domhoff drie voorbeelden geeft: The Council of Foreign Affairs, The Joint Council on Economic Education en The Advertising Council (1978a: 174-83).

[11] Bruce Johnson en Andrew Hacker zijn representanten van de eerste groep. In Contemporary Sociology (Vol.5, No.3) schrijft Johnson naar aanleiding van hetzelfde boek: ‘All of Domhoff’s work features the same obsessive but narrow empiricism, theoretical and methodological hollowness, and overblown dogmatic conclusions’ (1976: 252). Niettemin geeft hij toe dat Domhoff een grote hoeveelheid empirisch materiaal heeft verzameld dat vruchtbaar voor ‘meer bescheiden doelen’ gebruikt zou kunnen worden. In een razende recensie in Contemporary Sociology (Vol.2, No.4) oordeelt Hacker over Fat Cats and Democrats uit 1972: ‘Every page of this volume is marred by intellectual incompetence’ (1973: 422). Op de retorische vraag waarom hij er eigenlijk aandacht aan besteedt, antwoordt hij dat Domhoff ‘is about the only author around who has sought to describe “The Higher Circles” or has even asked “Who Rules America?” As the only horse in the race, he is bound to win.’ In het laatst zit een belangrijke kern van waarheid. Sociologen en politicologen doen uitgebreid onderzoek naar achterstandswijken, minderheden, lagere strata en middenklassen terwijl de leefwerelden van de sociale, politieke en vooral economische elites doorgaans buiten beeld blijven. Een verklaring hiervoor kan zijn dat dit onderzoek veel moeilijker is te verrichten: de betreffende elites hebben er geen belang bij dat hun tijdverdrijven worden blootgelegd en zullen ook onderzoekers bij voorkeur buitensluiten.

[12] Zie voor Poulantzas zijn Political Power and Social Classes ( 1975). Domhoff geeft een overzicht van zijn positie in de jarenlange debatten tussen de diverse stromingen van machtsonderzoekers in The Power Elite and the State (1990).

[13] Zie de recensies in Social Forces (vol.57, no.2), Political Science Quaterly (vol.94, no.1), The American Political Science Review (vol.73, no.1) en Contemporary Sociology (vol.8, no.2).

[14] Quadagno, J.(1991) ‘Who rules sociology now?’, Contemporary Sociology, Vol.20, No.4

[15] Typerend is de reactie van Lewis Coser op Domhoffs Who Rules America Now (1983) aan het begin van de jaren tachtig. In Political Science Quarterly (Vol.99, No.2) erkent hij met enige ambivalentie tegenover Domhoffs werk te staan. Enerzijds, heeft hij bewondering voor de hardnekkigheid en grondigheid waarmee Domhoff de grote ongelijkheid in Amerika in macht, inkomen, vermogen en andere stratificatiedimensies heeft gedocumenteerd. Anderzijds, ‘he is at least in part battering in open doors’ (1984: 362). Wanneer Domhoff, zoals in Who Rules America Now, toegeeft dat de elite geen volledig gesloten, erfelijk bepaalde en zichzelf in standhoudende groep is, dan, vraagt Coser zich af, ‘what is all the quarrel about?’ (1984: 362). De conclusie dat sommigen meer gelijk zijn dan anderen, acht hij inmiddels nauwelijks opzienbarend.

[16] Ten dele heeft dit proces wel degelijk een eigen momentum (economische rationalisering verzwakt voortdurend de positie van de zwaksten op de arbeidsmarkt), maar het is een politieke keuze in afnemende mate te trachten deze verzwakking politiek te corrigeren (cf. Gorz 1991; Blokland 1997: 136 e.v.). 

[17] Opmerkelijk is de ontwikkeling van het aandeel van de top tien per cent van de huishoudens in het Nationale Inkomen sinds de jaren tien van de vorige eeuw. Tot de Tweede Wereldoorlog besloeg dit aandeel in de Verenigde Staten ongeveer vijfenveertig per cent. Onder invloed van allerlei belastingmaatregelen daalde dit in de oorlog tot ongeveer dertig per cent, een percentage dat tot het einde van de jaren zeventig bleef gehandhaafd. Daarna groeide het voortdurend om vooralsnog in 1998 (het laatste jaar waarvoor cijfers bekend waren) uit te komen op ruim eenenveertig per cent. Voor deze groep is de herverdelende invloed van de welvaartsstaat dus inmiddels opgeheven. Zie: ‘Income Inequality in the United States, 1913-1998’ van Thomas Piketty & Emmanuel Saez.

[18] Zie de website www.epinet.org van het Economic Policy Institute. Vergelijk: Krugman 1998: 57-66.

[19] Werknemers in de top tien per cent van het arbeidsbestel konden in 1982 op $ 35.26 per uur ‘benefits’ rekenen, hetgeen 4,56 maal meer was dan de benefits van het laagste centiel ($ 7.72 per uur). Viertien jaar later was de verhouding toegenomen tot 1 op 5,56. De benefits van de topinkomens waren met $ 1.73 gestegen, die van de laagste inkomens, de ‘working poor’ met $ .93 gedaald (New York Times 14 juni 1998).

[20] Een grootheid op dit terrein is de zakenman en voorzitter van de Democratische Partij Terry McAuliffe. In ongeveer vijf jaar tijd wist hij niet minder dan 275 miljoen dollar bijeen te lobbyen voor Bill en Hillary Clinton. (New York Times, 12 december 1999). Zijn netwerk beslaat naar eigen zeggen ongeveer 5000 miljardairs, lobbyisten, topmanagers, vakbondsleiders en politieke leiders.

[21] Zie de pagina Winning vs. Spending op www.opensecrets.org.

[22] Het is overigens geenszins het geval dat vooral Republikeinen eigen vermogens (kunnen) aanwenden om een Congreszetel te bemachtigen. Van de tien mensen die in 2000 de grootste som eigen geld aan hun campagne spendeerden, waren er zeven Democraat. Een kleine geruststelling is vooralsnog dat zes van deze tien kandidaten de strijd verloren (zie de pagina Top Self Funders op www.opensecrets.org).

[23] De politicologen Sandy Maisel en Walter Stone volgen sinds 1997 potentiële kandidaten voor het Huis van Afgevaardigden om uit te zoeken wie uiteindelijk de verkiezingsstrijd aangaat en waarom. De allerbelangrijkste reden om het niet te doen blijkt de noodzaak te zijn om grote hoeveelheden campagnegelden te verzamelen, zeker wanneer men tegen een zittende kandidaat moet aantreden. De betrokken onderzoekers van The Candidate Emergence Study (zie socsci.colorado.edu/ces) menen dat de electorale competitie mede daarom voortdurend aan het afnemen is.

[24] Een rol speelt hierbij ook dat de politieke partijen proberen het trekken van de districtgrenzen op een dusdanige wijze te beïnvloeden, dat hun zetel ‘veiliger’ wordt.

[25] De terroristische aanvallen van 11 september 2002 hebben een bijna welkome additionele rechtvaardiging geleverd voor de halsstarrigheid waarmee de Bush-regering zich sinds haar aantreden te pas en vooral te onpas beroept op geheimhouding.

[26] The Center for Responsive Politics schrijft op zijn webpagina www.opensecrets.org/bush/100days/energy.asp: ‘Bush’s allegiance to the energy sector is based on more than past experience or even a pro-business ideology. Energy interests gave more than $ 48,3 million (75 percent of their total contributions) to Republican candidates and party committees in 1999-2000, including $2,9 million to Bush. By contrast, Al Gore received a relatively paltry $ 325.000. The oil and gas industry strongly favored Bush over Gore, giving the Texas governor $ 13 for every $ 1 they gave to the vice president. Electric utilities supported Bush over Gore by a factor of nearly 7 to 1, as did the coal industry.’

[27] Enron, de grootste donateur, was hier koploper. Van de bedrijven die geen verzoek indienden te worden geconsulteerd, verklaarden verscheidene managers ‘that with an administration led by an former oilman that shares the priorities of the rest of the energy industry, there is little need for dogged lobbying’ (The New York Times, 28 februari 2002).

[28] Dit ondanks Bush’ tegengestelde belofte in de verkiezingscampagne. Binnen het bestaande krachtenveld blijkt het evenzo goeddeels onmogelijk om de wetgeving op het terrein van de energieconsumptie aan te scherpen. Een voorbeeld vormen de standaarden voor het toegestane benzineverbruik van auto’s. Onder meer omdat de populariteit en de omvang van de zogenaamde Sport Utility Vehicles voortdurende zijn toegenomen, is het gemiddelde benzineverbruik in de laatste jaren sterk gestegen. De Republikeinse senator John McCain bepleitte daarom samen met zijn Democratische collega John Kerry om de standaarden iets aan te scherpen en zo het milieu minder te belasten en minder afhankelijk te zijn van de import van olie. Echter, schrijft David Rosenbaum in de New York Times, ‘they were overwhelmed by senators from rural states and states with automobile factories – backed by an expensive advertising campaign by carmakers and the United Automobile Workers, who argued that Congress had no right to tell Americans what kind of vehicles they should drive’ (14 maart 2002).

[29] De website www.opensecrets.org/bush/cabinet.asp biedt een overzicht van deze relaties.

[30] Zie voor een bijna dagelijks bijgewerkt overzicht van de via geld gesmeden banden tussen vermogend Amerika en de politiek, de webpagina ‘money in politics digest’ van www.publicintegrity.org.

[31] De Lobbying Disclosure Act (DLA) schrijft voor dat lobbyisten zich registreren en een jaarlijks overzicht geven van hun klanten, salarissen en onkosten. Deze overzichten en dus ook de hier genoemde getallen zijn incompleet omdat de wet tal van activiteiten niet dekt. Men kan denken aan de omvangrijke juridische kosten die groepen maken om via rechtszaken hun belangen veilig te stellen, en aan de ‘grassgroots campaigns’ waarbij ondernemingen en belangenorganisaties individuen en groepen financieel ondersteunen zodat zij effectiever die standpunten en wensen kenbaar kunnen maken die stroken met de belangen van hun subsidiegevers.

[32] Zo blijkt uit The Fourth Branch, een in 2002 gepubliceerde studie van The Center for Public Integrity. In de andere staten is men niet verplicht de uitgaven voor lobby-activiteiten te openbaren en daarom is het beeld onvolledig.

[33] Twintig per cent van hen had zitting in een commissie dat ‘regulated industries or issues in which they had a personal financial interest.’ Bovendien had achttien per cent een financiële relatie met een bedrijf of een belangengroep dat bij de eigen volksvertegenwoordiging was geregistreerd als een lobby.

[34] Vergelijk de enthousiaste beschrijving die Daniel Yergin & Joseph Stanislaw hiervan geven in hun The Commanding Heights: The Battle Between Government and the Marketplace that is Remaking the Modern World (1998). Voor een minder enthousiaste kroniek, zie Government by the Market (1993) van Peter Self.

[35] Het bedrijfsleven financiert op dit terrein tevens wetenschapsmensen die hem welgevallige standpunten uitdragen. Oliemaatschappijen subsidieerden gezamenlijk geleerden die de vigerende opvattingen over de oorzaken van het broeikaseffect aanvechten, de tabakindustrie deed dit voor geleerden die het verband tussen kanker en roken betwistten (The New York Times, 26 april 1998).

[36] Een Herdefiniëring van Politiek en Beleid in de Moderne Tijd, 2006

[37] Lindblom, Ch.E. (1990) Inquiry and Change: The Troubled Attempt to Understand and Shape Society, New Haven and London, Yale University Press

[38] Zie voor een aantal andere drogredenen tegen maatschappelijke herverdeling en verzorgingsarrangementen de opmerkingen van Dahl en Lindblom in Politics, Economics, and Welfare (1953: 138 e.v.). De drogredenen tegen maatschappelijke gelijkheid zijn van alle tijden, maar worden naarmate de kracht en de concentratie van communicatiemiddelen toenemen, steeds moeilijker te bestrijden.

[39] Cf. Lane, R.A. (2000) ‘Moral blame and causal explanation’, Journal op Applied Philosophy, Vol.17, No.1, p.45-58

[40] Cf. Lane, R.A. (1962) Political Ideology: Why the American Common Man Believes What he Does, New York, The Free Press of Glencoe