Artikelen

 

DE BEAT III

 

 

Een voorstel voor een multifunctioneel en multidisciplinair centrum

voor de cultuur en de educatie van jongeren

 

 

 

Rotterdam, november 2007

 

 

 

 

 


DE BEAT

 

Een voorstel voor een multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor jongerencultuur, een centrum

waar wonen, leren, werken, uitgaan, cultuurproductie en cultuurparticipatie samenkomen

waar jongeren en ouderen van diverse achtergronden elkaar als vanzelfsprekend zullen ontmoeten,

waar jongeren en ouderen kennis zullen maken met andere culturele uitingsvormen dan waarmee zij van huis uit vertrouwd zijn,

waar de confrontatie en kruisbestuiving van diverse culturele uitingsvormen, van theater, muziek, dans, digitale media, tot nieuwe uitingsvormen zal leiden,

waar jongeren onderwijs volgen en activiteiten in het culturele domein zullen ontplooien die zullen bijdragen aan hun enthousiasme voor hun school(loopbaan),

en waar kennis zal worden ontwikkeld en doorgegeven over jongeren en jeugdcultuur.

 

De Beat wordt een bruisend woon-, onderwijs- en cultuurcentrum met een landelijke uitstraling dat past bij Rotterdam en dat recht doet aan zowel de problemen als de mogelijkheden van haar jeugd.


 

 

 

Voorwoord

Grote ideeën hebben vele moeders en maken in de regel een groeiproces door. De eerste aanzetten tot het voorstel dat hier wordt gepresenteerd, ontstonden gedurende 2005 in de boezem van Stichting Hal 4. Veel van het gedachtegoed achter het voorstel is dan ook verbonden met dat van Hal 4. De missie van deze stichting is het ontwikkelen, produceren en programmeren van kwaliteitsrijke, multidisciplinaire producties op het gebied van theater, dans, muziek, media en educatie. Hal 4 is reeds bijna drie decennia gevestigd op het voormalige waterleidingbedrijf in Rotterdam en heeft drie kernafdelingen: Digital Playground, Rotterdams Lef en Theater Hal 4. Deze ontwikkelen uiteenlopende initiatieven op het gebied van cultuur en educatie, met één gemeenschappelijke noemer: het bereiken van jongeren en jongvolwassenen. Nadruk ligt hierbij op diegenen die de drempel van de traditionele cultuurinstellingen doorgaans als te hoog ervaren en die mede daarom minder kansen hebben hun culturele voorkeuren en competenties te ontwikkelen.

Hal 4 (www.hal4.nl) heeft zich gedurende haar bestaan gekenmerkt door innovatief cultureel ondernemerschap en maatschappelijk idealisme. Wij zijn ervan overtuigd dat kunst en cultuur niet alleen grote intrinsieke bevredigingen bieden, maar ook belangrijke bijdragen kunnen leveren aan maatschappelijke integratie en binding, en aan persoonlijke ontplooiing en autonomie. En dit alles niet alleen voor een kleine bovenlaag, maar zeker ook voor mensen uit de lagere (in de grote steden tegenwoordig in belangrijke mate allochtone) strata van de bevolking.

Nadenkend over de toekomst van Hal 4 en de rol die zij zou kunnen spelen in het culturele en het (in toenemende mate turbulente) maatschappelijke leven in Rotterdam ontwikkelden wij gaandeweg een voorstel voor een Rotterdams multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor de cultuur en de educatie van jongeren. Een noodzakelijk geachte schaalvergroting en een bundeling van krachten met verwante partijen stonden hierin centraal. Dit voorstel werd uiteindelijk in april 2006 gepresenteerd en kreeg als werktitel De Beat. Naast de directie, medewerkers en de Raad van Toezicht van Hal 4 werd aan zijn totstandkoming bijgedragen door drs. Ronald te Loo van het onderzoeksbureau Organise to Learn en door prof.dr. Talja Blokland, buitengewoon hoogleraar samenlevingsopbouw en onder meer verbonden aan de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Dr. Hans Blokland was de hoofdauteur, in samenwerking met Evan van der Most, directeur van Hal 4.

Op het voorstel De Beat werd door vele partijen enthousiast gereageerd, niet zelden enthousiaster, dan wij hadden verwacht. Het betrof partijen uit de werelden van de Rotterdamse politiek, het stadsbestuur, de deelgemeenten, de Rotterdamse beleidsmakers en adviesraden op het terrein van kunst en cultuur, het onderwijs, de kunsten, de kunstzinnige vorming, het bedrijfsleven, maatschappelijke ondernemingen (met name woningbouwcorporaties) en het jongerenwerk. In deze context adviseerde wethouder Orhan Kaya ons concreet te onderzoeken welke partijen interesse hadden in De Beat te participeren.

Onder invloed van alle, vaak leerzame reacties ontwikkelden zich uiteraard de ideeën en de plannen. Deze ontwikkeling werd verwerkt in De Beat II, een voorstel dat in maart 2007 werd gepubliceerd. Met name werd hierin nog meer aandacht gegeven aan de clustering van culturele en educatieve functies, alsmede jongerenhuisvesting. Veel partijen uit de sferen van kunst, cultuur, onderwijs en wonen bleken hiervan veel te verwachten en wensten hierin te kunnen participeren. Participatie, integratie, cohesie, emancipatie en synergie waren hierbij de leidmotieven. De belangrijkste partijen die zich in deze ontwikkelingsfase van De Beat bij Hal 4 aansloten waren Estrade Projecten van de woningbouwcorporatie Vestia en het Grafisch Lyceum Rotterdam. De motieven achter en de belangrijke meerwaarde van deze samenwerking, die sommigen uit de kunstenwereld nochtans heeft verwonderd, zullen in het vervolg uitgebreid aan de orde komen.  

Hal 4, Vestia en het Grafisch Lyceum besloten daarop in april 2007 het architectenbureau MVRDV opdracht te verlenen geschikte bouwlocaties te zoeken en aan te geven welke beelden pasten bij deze locaties en de grondgedachten van De Beat. Uitgangspunten waren onder meer dat De Beat een uitnodigende en architectonisch inspirerende uitstraling moest hebben, zeer zichtbaar gevestigd diende te zijn in het Hart van de Stad en uitstekend met het openbaar vervoer bereikbaar moest zijn. Het gaat daarbij om een tamelijk groot gebouw, vooralsnog bestaande uit ongeveer 30.000 m2 onderwijsfuncties, 36.000 m2 woonruimte (400 woningen van elk 70 m2) en 14.000 m2 voor podia en daaraan gerelateerde culturele functies. Het totale volume en de onderlinge verhoudingen liggen nog niet vast. Zij zijn afhankelijk van het aantal, de aard en de wensen van de partijen die uiteindelijk in dit project willen participeren. De zoektocht naar een optimale vestigingsplaats voerde langs een achttal locaties en eindigde in de Rijnhaven.

Gehorende de suggestie van wethouder Kaya werd tevens opdracht gegeven aan de consultant drs. Joke Mulder een explorerend onderzoek te verrichten naar de programmatische invulling van De Beat. De vragen waren hier: Welke, elkaar aanvullende en versterkende partijen zouden interesse hebben hieraan deel te nemen? Welke mogelijkheden zouden zij daartoe hebben? En welke eisen zouden daartoe, wat hen betreft, vervuld moeten worden? Naast Hal 4, het Grafisch Lyceum Rotterdam en Vestia gingen de gedachten hierbij uit naar poppodia, bioscoopzalen, kantoor- en studioruimten voor professionele dansgezelschappen en voor organisaties op het terrein van de (podiumgerelateerde) jongerencultuur, het jongerenwerk, (waaronder een stageplaatsenbureau en een onderwijsvoorlichtingsbureau), een studie- en kenniscentrum voor jongerencultuur, en middenstand (waaronder aan jongeren gerelateerde horeca, media, mode, muziek, gaming, et cetera).

Ten behoeve van dit programmatisch onderzoek werd gesproken met een groot aantal partijen. Uiteraard staan wij gaarne open voor gesprekken met organisaties die zich evenzeer aangesproken voelen door de ideeën achter De Beat en die overwegen hierin te participeren. Tot nu toe werd van gedachten gewisseld met Chris Bouma (directeur Stichting Kunst Accommodatie Rotterdam), Dirk Monsma & Piet Elenbaas (directeur Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam, respectievelijk, directeur KOA: Kunst Onder Andere), Liane v.d. Linden (Stichting Kosmopolis), Krijn Meerburg (directeur Cinerama en vertegenwoordiger SSOS Kriterion), Kuno Bakker (directeur Buro Fris), Harry Hamelink (directeur en programmeur Stichting Live at Nightown, Motel Mozaique), Giel van Strien (directeur Stichting Passionate), Fred Diaz Bauste (eigenaar en directeur Hollywood Music Hall), Harriët Duurvoort (uitgever en hoofdredacteur Generation Now, Museum The Other Art), Hajo Doorn (directeur WORM), Yvonne Beelen (directeur Nieuw Rotterdamse Cultuur: Cultuurscouts), Steven Engel (Coördinator Popacademie Zadkine College), Peter Hartog (Stichting Welzijn Feijenoord, jongerenwerk), Willem Stegeman (directeur Fun X) en Christian Jongeneel (voorzitter Waterfront). De geautoriseerde verslagen van deze gesprekken zijn als bijlagen opgenomen. Wij danken allen zeer voor hun bijdragen. Gaarne zullen we in de toekomst gebruik maken van het aanbod van sommigen om actief mee te denken over de verdere ontwikkeling van De Beat.

De gevoerde gesprekken leverden een eerste indicatie op van het geheel van partijen dat zou willen participeren in De Beat.[1] Daarnaast leverden de gesprekken een stortvloed op van suggesties, ideeën, overwegingen, aandachtspunten, kritische vragen en zelfs van misverstanden. In deze derde versie van De Beat is gepoogd dit alles te verwerken. Zoals een goede beat betaamt, gaat de ontwikkeling van De Beat dus onverstoorbaar verder.

 

Dr. Hans Blokland

Raad van Toezicht Hal4

 


 

Inhoud

Voorwoord. 3

1 Van problemen naar kansen. 7

2 Jeugdcultuur en maatschappelijke integratie. 9

3 Jeugdcultuur en onderwijs. 12

4 Jeugd, vrijheid en cultuur 15

5 Clustering, synergie en innovatie. 19

6 Vragen, kritieken, angsten, misverstanden. 21

6.1 Bestaan kunst en cultuur om maatschappelijke problemen op te lossen?. 21

6.2 Valt De Beat onder onderwijsbeleid, welzijnsbeleid, jeugdbeleid, integratiebeleid, economisch beleid of cultuurbeleid?. 23

6.3 Is De Beat een ‘politiek correct’ plan?. 24

6.4 Sluit De Beat jongeren op in hun cultuur?. 25

6.5 Is De Beat een uiting van cultuurrelativisme?. 26

6.6 Levert het bijeenbrengen van mensen met afwijkende achtergronden niet eerder aversie, dan begrip op?. 26

6.7 De segregatie is een feit, daar doe je toch niets meer tegen?. 27

7 Een eerste schets van het centrum.. 28

 

 

 


1 Van problemen naar kansen

Rotterdam telt 185.000 jongeren onder de 25 jaar. Meer dan in andere gemeenten hebben deze jongeren het niet makkelijk. Relatief grote aantallen komen uit sociaal zwakkere gezinnen, hebben taal- en leerachterstanden, zijn vroegtijdig schoolverlaters of zijn werkloos. Sommigen hebben al deze kenmerken tegelijkertijd. Velen worden bovendien gediscrimineerd en gestigmatiseerd, hetgeen hun maatschappelijke positie verder ondermijnt. In het algemeen hebben veel jongeren moeite zich staande te houden in een cultureel zeer complexe en geregeld buitengewoon verwarrende samenleving waarin aan mensen steeds hogere eisen worden gesteld en waarin degenen die hieraan niet kunnen voldoen, steeds killer en harder worden genegeerd of aangepakt.

Jongeren hebben vaak niet alleen moeite aansluiting te vinden bij de samenleving. Maar ook bij elkaar: mensen staan, zoals de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling het onlangs uitdrukte, in toenemende mate ‘met de ruggen tegen elkaar’.[2] De aantallen interetnische contacten van vooral Turken, Marokkanen en autochtonen zijn in de loop der jaren afgenomen en de opvattingen over elkaar van allochtonen en autochtonen zijn over de jaren verslechterd. De tweede generatie allochtonen, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, voelt zich slechter thuis in Nederland, dan de eerste generatie en oordeelt ook relatief negatiever over autochtonen.[3]

De problemen zijn algemeen herkend en erkend en hoeven hier niet opnieuw uitgebreid voor het voetlicht te worden gebracht. Dit is afdoende gedaan, en terecht. Het wordt nu tijd meer dan we tot nu toe hebben gedaan, te zoeken naar oplossingen. Evenzo wordt het tijd meer nadruk te leggen op de vele mogelijkheden die onze jongeren Rotterdam te bieden hebben. Jongeren zijn niet alleen een probleem, maar ook een toekomst. Naast een economisch ‘Manhattan aan de Maas’ kunnen wij een broedplaats nastreven van nieuwe culturele uitingsvormen, van nieuwe economische activiteiten en van nieuwe gemeenschappen. Een tolerante, creatieve stad bovendien, waarin creatieve, tegendraadse gangmakers zich vestigen en tot wasdom komen en op hun eigen, bijzondere wijze bijdragen aan het economisch klimaat.

In het volgende zullen we op de volgende onderwerpen ingaan:

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur, naast haar vanzelfsprekende intrinsieke waarde, een bijdrage kan leveren aan de sociale integratie en cohesie in een zeer multiculturele stad.

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur een bijdrage kan leveren aan de ontginning van talenten van jongeren en daarmee aan hun schoolloopbanen en maatschappelijke kansen.

·         De wijzen waarop (jeugd)cultuur in het algemeen een bijdrage kan leveren aan de persoonlijke ontplooiing en autonomie van jongeren en andere mensen.

·         De synergie die mag worden verwacht bij een clustering van instellingen en activiteiten uit de werelden van kunst, cultuur, educatie, jongerenwerk en wonen.

·         Een tentatieve schets van de inhoud of het programma van de Beat: een overzicht van de  instellingen die tot dusverre belangstelling hebben getoond op een specifieke wijze in De Beat te participeren en hoe deze participatie kan bijdragen aan het geheel.

 

Voorafgaand aan deze tentatieve schets van De Beat zal, ter aanvulling van wat reeds in het volgende zal worden geargumenteerd, expliciet worden ingegaan op een aantal vragen, bedenkingen en vrezen die geregeld in de gesprekken met het veld werden geformuleerd.

Onder meer gaat het om de vraag waarom wij geen harde keuze maken tussen beleid voor cultuur, onderwijs of jeugd.

De vraag of wij kunst en cultuur intrinsieke kwaliteiten toeschrijven of louter instrumenteel wensen te gebruiken voor de oplossing van maatschappelijke problemen.

De kwestie of wij jongeren gaan opsluiten in de eigen jeugdcultuur en afsluiten van de rest van de samenleving.

De vraag of wij kwalitatieve onderscheiden denken te kunnen maken tussen culturele uitingen, of alle uitingen groepsgebonden achten en boven de kritiek verheven van andere groepen.

De angst dat het bijeenbrengen van mensen met afwijkende achtergronden eerder eventuele onderlinge antipathieën versterkt, dan bijdraagt aan onderling begrip.

De vrees dat De Beat een bureaucratisch-hiërarchisch instituut wordt onder de straffe leiding van, bij voorbeeld, een woningcorporatie.

En de hoop of vrees dat De Beat een super jongerenuitgaanscentrum wordt met alle onbeheersbare activiteiten die sommigen daarbij associëren: sex, drugs en Rock & Roll, dan wel, groepsverkrachtingen, xtc en hiphop.

Uit de vragen welke sommigen zich bij De Beat stelden, blijkt reeds dat De Beat een hoop heeft losgemaakt. Nog voordat er een spade de grond in is gestoken, vervult zij daarom reeds de functie die wij uiteindelijk voor ogen hebben.


2 Jeugdcultuur en maatschappelijke integratie

De Rotterdamse samenleving dreigt uiteen te vallen in diverse etnische groepen die goeddeels langs elkaar heen leven en steeds negatiever over elkaar oordelen. Hoe kan de overheid bevorderen dat er meer, uiterst gewenste verbindingen tussen mensen met afwijkende achtergronden ontstaan?

De reeds aangehaalde Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling pleit in haar laatste advies over integratie voor een ‘infrastructurele benadering’. De overheid heeft volgens de raad in het verleden te veel ingezet op eenmalige evenementen waarin niet de overeenkomsten tussen mensen centraal stonden, maar hun onderlinge verschillen. Onderzoek laat zien dat dergelijke incidentele ontmoetingen eerder vooroordelen bevestigen, dan nuanceren. Bovendien beklijven deze ontmoetingen niet: men legt weliswaar een verbinding, maar vindt elkaar vervolgens niet meer vanzelfsprekend terug, zelfs niet als men dat zou willen. We faciliteren zo wel ontmoeting, maar geen duurzame integratie. In plaats daarvan pleit de raad daarom voor het duurzaam bijeenbrengen van mensen, niet naast, maar in hun dagelijkse routines, en niet op basis van hun etnische eigenaardigheden, maar op basis van etniciteitoverstijgende gemeenschappelijkheden. Niet louter feesten waarin de diverse etnische groepen elkaar op eigen traditionele gerechten trakteren, maar scholen, kinderspeelplaatsen, parken, culturele instellingen, en uitgaansgelegenheden waar mensen elkaar met gedeelde motieven en belangen herhaaldelijk ontmoeten en leren kennen.[4]

‘Publieke familiariteit’, schrijft de raad, is een cruciale bouwsteen voor sociale relaties. Mensen bouwen deze familiariteit op door ‘de ander’ herhaald te ontmoeten. Om het laatste te bevorderen adviseert de raad concreet (2006: 10):

 

·         ‘Creëer of benut vanzelfsprekende ontmoetingsplaatsen waar mensen komen om andere redenen dan integratie. Richt je – in scholen, verenigingen, openbare ruimten – op zaken die voor burgers belangrijk, handig, leuk of verplicht zijn in hun alledaagse routines.’

·         ‘Creëer of benut multifunctionele ontmoetingsruimten waar mensen in contact komen om andere redenen dan om die contacten zelf. Verbindt gescheiden circuits door verschillende activiteiten zo veel mogelijk op dezelfde plaats en tijd te organiseren.’

·         ‘Creëer of benut ruimten voor vanzelfsprekende ontmoetingen tussen mensen die in dezelfde levensfase zitten en daardoor dezelfde interesses, belangen of onzekerheden hebben.’

 

Het is evident dat deze voorstellen van de raad uitstekend passen bij het hier bepleite centrum voor jongerencultuur. Om tal van redenen. We noemen er alvast een paar en zullen dit in de loop van deze notitie verder adstrueren.

De culturele voorkeuren van jongeren uit verschillende etnische groepen vertonen, zo komt uit onderzoek naar voren, grote overeenkomsten. Wanneer er wel verschillen zijn, dan blijkt sociaal-economische positie de belangrijkste verklarende variabele te zijn. De, internationaal georiënteerde grootstedelijke jeugdcultuur is dus een uitstekend platform om jongeren van diverse etnische achtergronden als vanzelfsprekend bijeen te brengen. Vertrekkend vanuit dit platform kunnen vervolgens interessen voor andere culturele uitingen, uitingen die al dan niet van andere etnische groepen afkomstig zijn, worden opgewekt en ontwikkeld.

Het centrum zal een multifunctionele ontmoetingsruimte vormen omdat er, ten eerste, zowel binnen- als buitenschoolse onderwijsactiviteiten zullen plaatsvinden, in bovendien een scala van culturele sferen. Te denken valt aan de activiteiten van de reeds nu zeer populaire projecten Digital Playground en Rotterdams Lef (voor een omschrijving van deze projecten, zie de bijlage) en van het Cultuurpodium van het Grafisch Lyceum Rotterdam. Daarnaast zullen er tal van activiteiten worden geprogrammeerd die samenhangen met de jongerencultuur, van optredens en workshops tot lezingen en discussies.

Ten tweede faciliteert De Beat vanzelfsprekende ontmoetingen tussen mensen die in dezelfde levensfase zitten door een scala van private en publieke instellingen te huisvesten, die aansluiten bij de interessen en belangen van jongeren. Gedacht kan hier worden aan een stageplaatsen- en onderwijsvoorlichtingsbureau, een studie- en kenniscentrum voor jongerencultuur, een of meerdere poppodia, een of meerdere bioscoopzalen, jongerenhuisvesting, en middenstand welke op jongeren is gericht: horeca, mode, muziek, gaming, et cetera.

Het centrum onderscheidt zich op fundamentele wijze van alles wat er in Rotterdam reeds aan jeugd- en jongerenwerk bestaat, omdat het programma consistent inzet op cultuur en culturele overdracht, omdat het niet primair is gericht op de oplossing van concrete problemen (zoals criminaliteit of drugsgebruik) en, bovenal, omdat het niet buurt- of wijkgebonden is. In de steeds meer gesegregeerde buurten van Rotterdam is de grootste kans voor jongeren om zich buiten de eigen groep te begeven en naast bonding ook aan bridging te doen, gelegen in voorzieningen die hen herhaald en vanzelfsprekend buiten de eigen wijk en omgeving brengen. Van doorslaggevend belang, zo stelt de RMO, voor een sociale infrastructuur waarin mensen vanzelfsprekend anderen ontmoeten, zijn voorzieningen die, enerzijds, op gedeelde interessen zijn gefundeerd en zowel breed toegankelijk als kwalitatief hoogstaand zijn en die, anderzijds, zich uitdrukkelijk niet in de eigen buurt of wijk bevinden.

Een plek ergens in het Rotterdamse water zou dus eigenlijk ideaal zijn.


3 Jeugdcultuur en onderwijs

De socialisatie en enculturatie van jongeren vindt plaats in het gezin, het onderwijs, het jongerenwerk, op straat, op het werk, binnen sportverenigingen, culturele instellingen en het uitgaansleven. Een tekortschietende socialisatie en enculturatie kent en leidt tot diverse problemen.

·         In de eerste plaats problemen in het onderwijs, met name onderpresteren en schooluitval.

·         In de tweede plaats, en hiermee deels verbonden, een gebrekkige maatschappelijke integratie. Zo bemoeilijkt een tekortschietende scholing de aansluiting met onze kennismaatschappij en belemmert een onbegrip van de culturele achtergronden van anderen en van de vigerende cultuur de vorming van gemeenschap. 

·         En in de derde plaats, en eveneens met het voorgaande verbonden, het probleem van een beperkte persoonlijke ontplooiing, leidend tot onmondigheid, onvrijheid en afhankelijkheid, en het niet kunnen vervullen van zijn of haar rol als burger in een moderne democratie.

De eenvoudigste, want de meest afdwingbare weg voor de overheid om jongeren te bereiken, biedt het onderwijs. Het onderwijs is natuurlijk een primaire factor in de socialisatie en de enculturatie van jongeren. Maar daarnaast kan men via het onderwijs de andere actoren bereiken of inschakelen die in deze socialisatie en enculturatie een rol spelen.

Vooral deze bundeling van krachten biedt perspectieven. Problemen die samenhangen met een tekortschietende socialisatie en enculturatie kunnen effectiever worden aangepakt wanneer er, daar waar dit mogelijk is, dwarsverbanden tussen het onderwijs, het gezin, het jongerenwerk, de sportverenigingen, de culturele instellingen, het bedrijfsleven en, zelfs, het uitgaansleven worden gelegd. Op dit moment gebeurt dit onvoldoende, hetgeen mede het gevolg is van het feit dat al deze factoren onder verschillende diensten en verantwoordelijke beleidsmakers vallen. Een centrum voor jongerencultuur waarin al deze factoren met elkaar worden verbonden of worden samengebracht kan hier een voorname stimulerende functie vervullen. Dit centrum zou kunnen vallen onder een wethouder jeugdbeleid.

Een belangrijke illustratie vormt de wijze waarop de jeugdcultuur een versterking kan betekenen van het onderwijs. Tussen beide domeinen gaapt op dit moment een kloof die mede verantwoordelijk is voor de bestaande grote schooluitval. Deze uitval kan mede worden voorkomen door meer dan vandaag gebeurt elementen van de jongerencultuur in het onderwijs als uitgangspunt te nemen en lesmethodieken te ontwikkelen (zoals learning by doing en p2p education), die beter aansluiten bij de belevingswereld van jongeren. Een centrum voor jongerencultuur kan hierin opnieuw een belangrijke rol vervullen.

Een voorbeeld van waaraan wij denken vormt Digital Playground, onderdeel van Stichting Hal 4 (zie voor zijn website: www.hal4.nl). In de huidige maatschappij, en zeker binnen de jeugdcultuur, spelen media een centrale rol. Media zijn steeds meer context, inhoud en bemiddelaar van informatie, kennis en ervaring. Digital Playground stimuleert het creatieve gebruik van digitale media onder jongeren en wil zo een bijdrage leveren aan het kritische vermogen van jongeren ten aanzien van media, beeldcultuur en digitale informatie. Dit niet alleen als consument, maar juist ook als producent. ‘Learning by doing’ en ‘peer to peer education’ staan hierin nadrukkelijk centraal, en met groot onderwijskundig succes. Digital Playground is daarom zowel opgenomen in het Cultuurplan van de gemeente Rotterdam als dat van het Ministerie van OCenW.

Sinds 1998 organiseert Digital Playground workshops voor het voortgezet onderwijs. Alleen al in Rotterdam experimenteren jaarlijkse duizenden leerlingen met film, fotografie, webdesign en geluid. Voor de inhoud van de workshops wordt samengewerkt met kunstinstellingen zoals de Kunsthal, het Wereldmuseum en V2. DP ontwikkelt bovendien educatief maatwerk voor culturele festivals, de ‘DP Specials’. In opdracht van festivalorganisaties en culturele instellingen wordt inhoudelijk aansluiting gevonden bij tentoonstellingen, films en andere kunstinhoudelijke programma’s. Voorbeelden van opdrachtgevers zijn het Nederlands Filmfestival, IDFA, Filmhuis Den Haag, Films by the Sea en het International Film Festival Rotterdam. Toekomstige opdrachtgevers van DP zouden ook gehuisvest kunnen zijn in De Beat. Een nieuwste product van DP is Shop4Media, een educatieve website waar leerlingen van alles kunnen leren over media en mediatoepassingen. De website geeft in woord, (bewegend) beeld en gesproken tekst, uitleg over de onderwerpen media, beeld, montage, geluid, vormgeving en beeldtaal. Leerlingen kunnen zelf experimenteren met deze onderwerpen via de knop ´Try b4 u buy´. Door te klikken en te schuiven ondervindt de leerling wat de effecten zijn van andere keuzen en oplossingen.

Een ander voorbeeld is een highschool voor Urban Culture. Deze highschool zou op een vergelijkbare wijze kunnen worden opgezet als de reeds binnen het Thorbecke-VO bestaande ‘voetbalschool’. Het idee is dat jongeren die buitengewoon zijn geïnteresseerd in Urban Culture, als het ware worden verleid ook de andere onderdelen van het curriculum te volgen, door hen binnen en buiten het curriculum extra mogelijkheden te bieden hun interesse te ontwikkelen. Vanzelfsprekend dient Urban Culture hierbij niet als substituut voor de kennis en vaardigheden die in het normale lesprogramma worden overgedragen en ontwikkeld, maar als katalysator.

Een derde voorbeeld, tot slot, van hoe vanuit de jeugdcultuur een bijdrage kan worden geleverd aan het onderwijs, vormt het te vestigen kenniscentrum voor jeugdcultuur. De Beat moet niet alleen een plek worden voor het onderwijs, maar zeker ook een plek van het onderwijs. Er wordt geluisterd naar wat er op de scholen leeft. Om de kloof tussen onderwijs en jeugdcultuur te dichten worden nieuwe lesmethodieken ontwikkeld. Op het raakvlak van onderwijs en cultuureducatie worden in samenwerking met schooldirecties en docenten debatten georganiseerd over tal van relevante onderwerpen: de gevolgen van de ontwikkelingen van het competentiegericht onderwijs op het vak ckv, hoe jongeren kan worden geleerd kritisch en kundig met media om te gaan, straattaal, gaming, receptief aanbod versus actief aanbod, hoe culturele instellingen meer vraaggericht kunnen gaan werken in plaats van aanbodgericht, hoe podiuminstellingen scholen kunnen coachen bij het ontwikkelen van theatervoorstellingen door leerlingen, de behoefte vanuit het onderwijs naar een aanbod van kunstinstellingen dat specifieker is gericht op het niveau en de leeftijd van hun leerlingen (vmbo, havo, vwo, en mbo), learning by doing, peer two peer education, enzovoorts.


4 Jeugd, vrijheid en cultuur

Het bovenstaande sluit naadloos aan bij de culturele en cultuureducatieve doelen, die wij met De Beat voor ogen hebben. Deze doelen liggen in het verlengde van die van Hal 4: het ontwikkelen, produceren en programmeren van kwaliteitsrijke, multidisciplinaire producties op het gebied van theater, dans, muziek, media en educatie en dit zeker ook voor die jongeren, die de drempels van de traditionele cultuurinstellingen doorgaans als te hoog ervaren en mede daarom minder kansen hebben hun culturele voorkeuren en competenties te ontwikkelen.

Waarom moeten wij inspanningen verrichten jongeren met kunst en cultuur in contact te brengen en hoe verhoudt zich dit tot het voorgaande? De belangrijkste rechtvaardigingen hiervoor hebben betrekking op individuele esthetische bevredigingen, op individuele ontplooiing en autonomie en op maatschappelijke cohesie, integratie en ontwikkeling.[5] We lichten dit toe.

Kunst zou men, om te beginnen, als een ‘communicatiemiddel’ kunnen omschrijven, voortgekomen uit de wens zich uit te drukken en zich verstaanbaar te maken. Zij onderscheidt zich van andere communicatiemiddelen door de esthetische vorm waarin de boodschap wordt overgedragen. Deze wint hierdoor vaak aan kracht en intensiteit.

Wat wordt er met kunst gecommuniceerd? Het is niet noodzakelijk dat de kunstenaar specifieke onderwerpen aansnijdt voordat men van kunst kan spreken. De boodschap kan zelfs louter bestaan uit een bepaald esthetisch genoegen, een mooie vorm waar niets achter gezocht kan en moet worden. Hoe meer er echter sprake is van taal, hoe belangrijker doorgaans de inhoudelijke boodschap. Het kan dan gaan om een bepaalde visie of reflectie op het leven, de dood, de liefde, het samenleven, de maatschappij, de cultuur, de kunst, het voetbal, de politiek, et cetera.

Cultuur en vrijheid heb­ben veel raak­vlak­ken. De kunsten en de letteren kunnen een stimule­rende rol spelen in het ver­gro­ten van het zelfbe­wustzijn en het voor­stel­lingsver­mogen van individuen. Zij kunnen mensen inzicht geven in het eigen bestaan en alterna­tieve manie­ren aanreiken om tegen het leven aan te kijken. Individuen die in het bezit zijn van een grotere culturele bagage hebben derhalve doorgaans ook een grotere kans op een auto­noom be­staan. Omdat zij op de hoogte zijn met alternatieve ideeën, waar­den, opvat­tingen, smaken, stijlen, enzovoorts, hebben zij immers de mogelijkheid eer­der reële keuzen in hun leven te maken, keuzen die niet worden bepaald door onwe­tendheid, vooroordeel of gewoon­te. Daar­naast dienen mensen enigermate hun talenten te ontplooi­en, willen zij werkelijk meester over hun leven kunnen zijn. Mensen moeten leren afstand van zichzelf te nemen, hun vermogens actief te gebruiken en keuzen te maken. Partici­patie in culturele activitei­ten kan hierin een belangrijke rol vervullen.

De kunsten en de letteren kunnen dus een bijdrage leveren aan het vergro­ten van de individuele autonomie en ontplooiing door, wanneer zij een inhoude­lijke boodschap hebben, interpretaties van en visies op de werkelijk­heid te bieden die mensen de moge­lijkheid bieden meer greep te krijgen op hun eigen bestaan. Wanneer kunstuitingen daarentegen hoofdza­kelijk een esthetische vorm communi­ce­ren, wanneer het dus voorna­melijk om schoonheid gaat, dan bevor­dert cultuureducatie de individuele autonomie omdat keuze­vrijheid pas bestaat wanneer men op de hoogte is van de beschikbare alternatieven. Men kan pas zinvol kiezen tussen Bach, Bowie of Kayne West nadat men met allen geconfronteerd is geweest.

Individuele autonomie vormt een van de kernwaarden van onze beschaving. Tal van onze andere waarden zijn hiervan een afgeleide, men denke aan democratie en aan burgerrechten als de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging.

Vanuit maatschappelijk perspectief kunnen de kunsten en de letteren uitdrukking geven aan de waarden, doeleinden, ideeën, utopieën die binnen een gemeenschap leven. Iedere gemeenschap moet levend worden gehouden door zowel democratische participatie als door uitdrukking en celebratie van datgene wat men bindt. Zeker in de huidige tijd, een tijd waarin zovelen zo sterk tegenover elkaar zijn komen te staan, is hieraan grote behoefte.

Daarnaast vormen de kunsten geregeld een laboratorium waarin kritisch wordt gereflecteerd op de cultuur in sociologische zin en waarin nieuwe vergezichten en standaarden worden ontwikkeld op basis waarvan deze cultuur zich verder zou kunnen ontwikkelen. Zij leveren aldus een bijdrage aan het elan en de dynamiek van de cultuur, een elan en een dynamiek die een cultuur tot een levende beschaving maken. Het behoeft geen toelichting dat juist vandaag, waarin zoveel onzekerheid bestaat over wijzen van samenleven, dit laboratorium iedere mogelijke ondersteuning verdient. Culturele activiteiten kunnen in deze zin een dialoog vormen om zowel te ontdekken wat mensen vandaag uiteindelijk bindt als wat hen zou kunnen binden.

Hoe dan ook, jongeren participeren vandaag nauwelijks in de traditionele kunsten. Dit geldt zeker voor hen die van huis uit niet vertrouwd zijn met kunst en cultuur. Er zijn hiervoor verschillende verklaringen.

·         Een van de verklaringen is dat een groot deel van het huidige kunstenaanbod sterk onconventioneel, avantgardistisch van aard is en een buitengewoon grote culturele competentie vereist.

·         Hiermee samenhangend is er vandaag een te klein ‘middengebied’ in het culturele aanbod. Aan de ene kant bestaat het enorme, niet altijd geestelijk uitdagende aanbod van de commerciële cultuurproducenten. En helemaal aan de andere kant van het culturele spectrum is het moeilijk te begrijpen en te plaatsen gesubsidieerde aanbod. Vooral jongeren hebben hierdoor onvoldoende mogelijkheden om hun culturele competentie langzaam, stap voor stap, op te bouwen, hetgeen, zo laat onderzoek zien, een vereiste is van culturele participatie. 

·         Een andere belangrijke verklaring is, dat het bestaande aanbod onvoldoende aansluit bij de belevingswereld van jongeren, zeker wanneer deze jongeren een niet-Nederlands verleden bezitten. Het heeft geen toelichting nodig dat van het laatste vooral in Rotterdam sprake is.

·         Het gaat hier niet alleen om een belevingswereld in sociologische zin: de problemen, verwachtingen, idealen, waarden van jongeren. Het gaat tevens om de wijzen waarop deze wereld wordt uitgedrukt. Hier moet worden geconstateerd dat er tot nu toe te weinig aandacht is geweest voor die uitingen die betekenis­vol zijn voor jongeren, men denke aan de popmuziek, dans en moderne media. Hetzelfde geldt onder meer voor de uitingen van culturele minderheden. De verrijking die zij voor onze cultuur zouden kunnen betekenen, wordt hiermee genegeerd. Wanneer men, in het algemeen, een cultuurbeleid wilt voeren dat meer is dan een voorzieningenbeleid voor een kleine culturele elite, dan doet men er verstandig aan tevens aan te sluiten bij de massacultuur en te proberen deze cultuur daar aan te vullen – met betrekking tot haar kwaliteit en pluriformiteit – waar zij tekortschiet.

 

Door de bestaande kloof tussen kunst en jongeren worden veel kansen op individuele ontplooiing en autonomie en op maatschappelijke cohesie, integratie en ontwikkeling gemist. Het streven van Hal 4 is altijd geweest een bijdrage te leveren aan het opvullen van deze leemten. Met bijvoorbeeld Rotterdams Lef, waarover zo dadelijk meer, proberen wij een kwalitatief hoogstaand cultureel aanbod te scheppen dat aansluit bij de belevingswereld en culturele competenties van jongeren van diverse etnische achtergronden en dat hen de mogelijkheid biedt hun competenties te ontwikkelen. Ook hebben wij altijd gaarne vele gezelschappen met vergelijkbare doelen geprogrammeerd. Gezien de enorme noden binnen de huidige Rotterdamse samenleving en de bestaande diepe kloof tussen Rotterdamse jongeren en gevestigde cultuurinstellingen gebeurt dit alles echter op een veel te kleine schaal. Daarom bepleiten wij een stoutmoedige, tot de verbeelding sprekende samenbundeling van krachten en schaalvergroting.

Ter illustratie van het bovenstaande nog enige woorden over Rotterdams Lef. Hal 4 heeft in 1998 deze organisatie opgericht om invulling te geven aan het producerende element van haar missie. Rotterdams Lef tracht een artistieke impuls te geven aan het ontwikkelen van hoogwaardig multidisciplinair en intercultureel theater waarin academische en urban theatervormen worden geïntegreerd. Daarnaast poogt Rotterdams Lef de diversiteit te versterken in de podiumkunsten in het algemeen en de theatersector in het bijzonder. En tenslotte probeert zij een cultureel divers publiek van jonge mensen, onder meer die vanuit het VMBO, kennis te laten maken met theater, een educatief traject aan te bieden, te prikkelen tot inleving, begrip en verbeelding, en te inspireren tot voorstellingsbezoek. Naast het ontwikkelen van de culturele voorkeuren en competenties van onze doelgroep tracht Rotterdams Lef bovendien via het talentontwikkelingstraject Studio LEF kansen te bieden aan gemotiveerde en artistiek getalenteerde jongeren, divers van afkomst, om hun talent te verkennen en te verdiepen en hen begeleiding te bieden zodat een aantal van hen kansrijk kan doorstromen naar opleidingen en de professionele sector.

Rotterdams Lef maakt, kortom, urban theater; eigentijds theater vanuit een streetwise benadering. De hartslag van de grote stad wordt zo vertolkt door jonge professionele spelers die uitgedaagd worden om de waan van de dag te overstijgen. In de voorstellingen van Rotterdams Lef worden klassieke theatertradities vermengd met expressievormen van de straat. Op deze manier ontstaat er dynamisch en actueel theater dat een nieuw, jong en cultureel divers theaterpubliek aanspreekt. De voorstellingen zijn populair onder jongeren omdat zij, vaak voor de eerste keer, in aanraking komen met een vorm van theater die uitgaat van hun eigen belevingswereld en de daarbij behorende muziek-, kleding-,  leef- en dansstijlen.

 


5 Clustering, synergie en innovatie

Zoals we in het voorwoord hebben uiteengezet, heeft het idee van een multifunctioneel en multidisciplinair centrum voor cultuur en educatie veel weerklank gekregen. Veel partijen hopen in een dergelijk centrum elkaars activiteiten te kunnen versterken dankzij elkaars fysieke nabijheidheid. Ook is er hoop op synergie en innovatie.

Innovatie treedt vooral op, schrijft Mark van Twist, bij aanvankelijk weinig voor de hand liggende verbindingen, zoals tussen de transportsector en de creatieve industrie, afvalbedrijven en de automobielindustrie of tussen woningcorporaties en zorginstellingen.[6] Innovaties komen dus zelden voort uit het reguliere, het herhaalbare, het projectmatige en het geordende, maar juist uit de creatieve chaos, de onverwachte gebeurtenis, de toevallige bijeenkomst van zaken en mensen op precies het juiste moment. Onder invloed van grote en kleine incidenten en schandalen gaat het in het bestuur echter in toenemende mate om alles wat hiermee in tegenspraak is: toezicht en verantwoording, planning en controle, beheersing. Om innovatie mogelijk te maken is het daarom zaak (sub)organisaties (of zij nu privaat of publiek zijn) voldoende autonomie of beleidsvrijheid te gunnen.

Ook in dit licht is het uitdrukkelijk niet de bedoeling dat alle in De Beat participerende partijen opgaan in één nieuwe hiërarchische, bureaucratische organisatie. Evenmin leggen wij de deelnemende partijen uit de cultuursector een inhoudelijk-artistieke visie op, een visie waar een enkele gesprekspartner tot onze verbazing om vroeg. Partijen behouden hun onafhankelijkheid, juridisch, financieel en artistiek. Synergie en innovatie wordt gezocht in spontane, vrijwilige, tot een ieders voordeel strekkende samenwerking. Wel kan, wanneer partijen daarvoor kiezen, onnodige, kostbare overlap in zaken als administratie en communicatie worden tegengegaan. Daarnaast is er een koepel- of netwerkorganisatie ‘De Beat’ die, naast het ‘branden’ van de naamsbekendheid van de verschillende projecten, werkt aan de ‘corporate identity’ van de organisatie als geheel.

Wederzijdse versterking, synergie en innovatie verwachten we op verschillende wijzen. Ten eerste in artistieke zin: door kruisbestuivingen tussen verschillende kunstdisciplines bestaat er uitzicht op de ontwikkeling van nieuwe kunstvormen en -uitingen. De binnen de muren van Hal 4 ontwikkelde en door publiek en media enthousiast verwelkomde hiphopopera Atalanta is hiervan een recent sprekend voorbeeld.

Ten tweede maakt schaalvergroting professionalisering met vakspecialisten mogelijk. Men kan hier denken aan programmeurs, cultuureducatieontwikkelaars, debatleiders, productieleiders, workshopleiders (p2p van autodidact naar hbo-kunstvakdocenten), zakelijk leider(s) en communicatie- en salesmedewerkers. Cultuurproducenten die in De Beat zouden participeren zouden dus bijvoorbeeld gebruik kunnen maken van één professionele organisatie om hun producten naar het publiek te communiceren.

Ten derde spreekt het voor zich dat het hier beoogde centrum direct en indirect een enorme economische activiteit zal genereren en een stimulerende uitwerking zal uitoefenen op zijn fysieke omgeving. Het gaat om inkomens die worden verdiend én uitgegeven, en om competenties die worden ontwikkeld en vervolgens economisch kunnen worden aangewend.

Ten vierde zijn er, zoals uiteengezet in paragraaf drie, grote cultuurpolitieke en cultuursociologische voordelen te verwachten van de hier bedoelde clustering van activiteiten. Het centrum zou, zoals bepleit door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, een vanzelfsprekende ontmoetingsplaats vormen waar mensen komen om andere redenen dan integratie. Het zou een multifunctionele ontmoetingsruimte zijn waar mensen in contact komen om andere redenen dan om die contacten zelf. Gescheiden circuits zouden worden verbonden door verschillende activiteiten op dezelfde plaats en tijd te organiseren. En het centrum zou een ruimte vormen voor vanzelfsprekende ontmoetingen tussen mensen die in dezelfde levensfase zitten en daardoor dezelfde interessen, belangen of onzekerheden hebben.

Ten vijfde zou er, zoals uiteengezet in paragraaf vier, sprake kunnen zijn van een synergie tussen cultuur en onderwijs. Cultuur zou tot een vanzelfsprekender onderdeel van het curriculum kunnen worden gemaakt. De thans bestaande kloof tussen onderwijscultuur en jeugdcultuur, een kloof die een van de verklaringen vormt van onderpresteren en uitval, zou via dit centrum verkleind kunnen worden. Cultuur zou als katalysator kunnen dienen voor het opwekken van enthousiasme voor school en schoolloopbaan.

En ten zesde en hierop aansluitend, zouden dankzij het centrum problemen van jongeren die samenhangen met een tekortschietende socialisatie en enculturatie, effectiever kunnen worden aangepakt. Dit door dwarsverbanden te leggen tussen onder meer het onderwijs, het jongerenwerk, de culturele instellingen, het bedrijfsleven en het uitgaansleven. Het integraal aanpakken van problemen door juist deze dwarsverbanden te leggen, biedt het meeste perspectief op het oplossen van de problemen waarmee vandaag helaas te veel Rotterdamse jongeren worden geconfronteerd. In deze integrale aanpak zou het centrum voor de cultuur en educatie van jongeren een belangrijke stimulerende rol kunnen spelen.


6 Vragen, kritieken, angsten, misverstanden

In de volgende paragraaf zullen we een eerste tentatieve schets van de inhoud of het programma van De Beat presenteren. Eerst, echter, zal expliciet worden ingegaan op een aantal vragen, bedenkingen, vrezen en misverstanden die soms in de gesprekken met het veld werden geformuleerd. Dit ter aanvulling van wat reeds in het voorgaande werd geargumenteerd.

6.1 Bestaan kunst en cultuur om maatschappelijke problemen op te lossen?

Worden de kunsten en de letteren in De Beat misbruikt voor de oplossing van maatschappelijke problemen? Zeker respondenten uit de kunstenwereld waren hiervoor geregeld bevreesd. Zij benadrukken dat kunsten intrinsieke bevredigingen voortbengen en dat deze afdoende zouden moeten zijn om een kunstbeleid te rechtvaardigen. Kunstenaars en schrijvers zijn niet de prostituees van politici en beleidsmakers.

Wij sympathiseren met deze opvatting. De kunsten zijn vrij. Tegelijkertijd constateren wij echter dat de werkingen van de kunsten en de letteren zich niet beperken tot intrinsieke (esthetische) bevredigingen. Zij kunnen ook belangrijk bijdragen aan de persoonlijke ontplooiing en de maatschappelijke binding en ontwikkeling. Deze bijdragen kunnen de kunsten en de letteren relevant en interessant maken voor andere sectoren dan de kunstensector. Men zou de kunsten zeer tekortdoen wanneer men zich van de interesse en de sympathie vanuit andere sectoren zou afsluiten. Samenwerking komt geregeld tot stand omdat de betrokkenen weten te voorkomen, dat er hoogoplopende conflicten en controversen ontstaan over de fundamentele doeleinden van de samenwerking. Vruchtbare samenwerking ontstaat misschien wel het meest wanneer de betrokkenen elkaar kunnen vinden in de instrumenten of sub-doeleinden van het beleid. Dat zij vervolgens afwijkende effecten van deze instrumenten verwachten en afwijkende doelen willen realiseren, is politicologisch interessant, maar niet politiek (Lindblom 1963, 1978).

We geven een voorbeeld. Het Rotterdamse gemeentebestuur stelt in zijn recente uitgangspuntennotitie voor het cultuurbeleid, dat een bloeiend cultureel klimaat belangrijke economische effecten heeft. Onder verwijzing naar Richard Florida’s veelvuldig aangehaalde Rise of the Creative Class stelt het bestuur, dat Rotterdam dankzij dit klimaat aantrekkelijk zou zijn als vestigingsplaats voor buiten- en binnenlandse ondernemingen of investeerders. De beleidsmakers schrijven: ‘Bedrijven vestigen zich daar waar talent zit. Een succesvolle stedelijke omgeving is er één die talent kweekt, koestert en aantrekt, die onderzoek genereert en wetenschappers aan zich weet te binden en die openstaat voor buitenstaanders. Dit vraagt echter wel om een meer intensieve benutting van het culturele potentieel in onze stad en om een artistieke gemeenschap die zich op alle niveaus vol zelfvertrouwen profileert, ook internationaal’.[7] Wij betwijfelen, in dit licht, of er een kunstenaar valt te vinden die, ’s morgens op weg naar zijn atelier, bij zich zelf denkt: ‘vandaag gaan we weer eens een belangrijke bijdrage leveren aan het vestigingsklimaat voor Shell, Barclays, Akzo, K-Mart en de Hema’. Ook voor de kwaliteit van haar kunst is het vermoedelijk beter wanneer zij haar gedachten over iets anders zou laten gaan. Niettemin zou het getuigen van een, doorgaans slechts bij Talibanstrijders gevonden, puriteins extremisme wanneer zij ogenblikkelijk haar beitels en penselen aan de wilgen zou hangen nadat zij zou hebben vernomen welke platte doeleinden haar mecenas mede voor ogen had, toen hij haar een genereuze beurs of subsidie verstrekte.

Ander voorbeeld. Woningcorporaties zijn niet-op-winst-gerichte maatschappelijke ondernemingen die wettelijk gebonden zijn een bijdrage te leveren aan het leefklimaat in de wijken en buurten waar zij woningen bezitten. Het culturele klimaat is uiteraard een onderdeel van het leefklimaat. Buurten zonder culturele voorzieningen leven minder dan buurten met bibliotheken, theaters, poppodia, ateliers, et cetera. Naarmate het leefklimaat in kwaliteit toeneemt, zijn buurten meer in trek bij bewoners en woningzoekenden. De economische waarde van de woningvoorraad in een buurt groeit dus naarmate het culturele leven in deze buurt bloeit. Naast haar wettelijk bepaalde opdracht het leefklimaat te bevorderen, zou dit voor een woningcorporatie één van de redenen kunnen zijn ook in culturele voorzieningen te investeren. Zou deze beweegreden een reden voor kunstenaars moeten zijn om niet actief mee te denken over deze investeringen? Waarom wonen Talibanstrijders in grotten?

Naast deze pragmatistische overwegingen zijn er fundamentele cultuurpolitieke argumenten de kunsten en de letteren niet te laten verworden tot een voortdurend bedreigde en krimpende ‘safe heaven’ in een vijandige, door markt en bureaucratie bedreigde wereld. De kunsten, stelden we hierboven, betreffen niet louter esthetische ervaringen. De kunsten, zeker de talige, gáán ergens over: zij vormen een laboratorium van de samenleving waar nieuwe vormen en gedachten worden ontwikkeld, waar de samenleving zichzelf tegen het licht houdt, waar wordt gereflecteerd op de cultuur in sociologische zin, waar visies op het leven en het samenleven worden ontwikkeld en gecommuniceerd, en dit alles op een krachtige, door esthetiek bepaalde wijze waarmee zij zich onderscheiden van andere disciplines, waaronder de wetenschappen. Wij zien dus weinig in kunsten die zich uit de samenleving terugtrekken. Liever staan wij er middenin. En deze samenleving bestaat ook uit jongeren en hun verwachtingen, angsten en problemen, ook uit onderwijsinstellingen, uit uitgaansgelegenheden, uit woningcorporaties, en ook uit politiek.

 

6.2 Valt De Beat onder onderwijsbeleid, welzijnsbeleid, jeugdbeleid, integratiebeleid, economisch beleid of cultuurbeleid?

Een aantal van onze gesprekspartners suggereerde, helaas somtijds op een tamelijk neerbuigende wijze, De Beat volledig bij welzijn, onderwijs, economie dan wel huisvesting onder te brengen. Wanneer ook scholen, welzijnsinstellingen of woningcorporaties gebruik willen maken van een instelling als De Beat, laten ze er dan ook maar volledig voor betalen, was de geregeld gehoorde gedachte.

Wij begrijpen de behoefte van beleidsmakers om de wereld overzichtelijk op te delen in beleidsvelden. Tegelijkertijd weten wij, samen met tal van deze beleidsmakers, dat deze verkokering in de regel geen recht doet aan dezelfde werkelijkheid. Verkokering kan zelfs de oplossing van problemen binnen deze werkelijkheid of de realisatie van ambities die deze werkelijkheid overstijgen, danig frustreren. Beleidsmakers weten dit doorgaans, ook al maken ze soms gebruik van de bestaande verkokering om de eigen bureaupolitieke problemen op te lossen (‘nee, U bent bij het verkeerde loket, U moet bij mijn collega zijn’). Wij weten hier alles van.

Wat ons nochtans enigszins heeft verbaasd is de krampachtigheid waarmee tallozen binnen de cultuurwereld gewend en gehecht zijn geraakt aan de verkokering van de (beleids)werkelijkheid, een verkokering die slechts om bestuurskundige, bureaucratische redenen tot stand is gekomen. Men wenst absoluut niet te worden geassocieerd met andere beleidsterreinen of loketten dan ‘de kunst’, terreinen waarover ook niet zelden met een zeker dédain wordt gesproken. Dit geldt voor ‘welzijn’, voor ‘onderwijs’, voor ‘economie’, voor ‘volkshuisvesting’. De betrokkenen zijn hiermee mede verantwoordelijk voor het maatschappelijke isolement waarin de kunsten verzeild zijn geraakt. Aan deze zelf-marginalisering doen wij dus bewust niet mee. Wij prefereren kunst en cultuur binnen de samenleving te creëren en een onderdeel van deze samenleving te zijn. Het bevorderen van de belangstelling voor kunst en cultuur is ook een hopeloze onderneming wanneer men geen aansluiting zoekt bij andere sferen en de kunsten opsluit in een reservaat.

‘Schoonheid’, stelden Banning, Vorrink en Den Uyl reeds meer dan een halve eeuw geleden, ‘is nu eenmaal geen vak dat apart gedoceerd kan worden; zij zal elke les moeten doortrekken’ (1951: 375). Zij schreven dit in het kader van de cultuureducatie in het onderwijs. Evenzogoed kan, nee moet, men dit doortrekken naar de samenleving als geheel. De Britse onderwijsminister Anthony Crosland schreef, eveneens reeds in de jaren vijftig, in dit verband: ‘We need not only higher exports and old-age pensions, but more open-air cafés, brighter and gayer streets at night, later closing-hours for public houses, more local reperto­ry theatres, better and more hospitable hoteliers and restaura­ters, brighter and cleaner eating-houses, more riverside cafés, more pleasure-gardens on the Battersea model, more murals and pictures in public places, better designs for furniture and pottery and women's cloth­es, statues in the centre of new housing-estates, better-designed street-lamps and telephone kiosks, and so ad infinitum’ (1956: 355). Met andere woorden, is de Erasmusbrug louter een onderdeel van de materiële infrastructuur voor verkeer, of ook een beetje een kunstwerk? Men zou Engels kunnen leren door de etiketten van voedingswaren te bestuderen. Maar is het cultureel niet wenselijker dit te doen via een studie van de Angelsaksische literatuur? Men kan een functioneel woongebouw neerzetten, met daarvoor, als uiting van beschaving, een beeldhouwwerk. Maar men kan ook van het woongebouw zelf een kunstwerk maken.

Is het voorgaande nog vooral geredeneerd vanuit de cultuur, andersom geldt dit niet minder. Wij hebben het in de notitie De Beat uitgebreid gehad over maatschappelijke integratie en cohesie, over schooluitval en onderpresteren gedurende de schoolloopbaan, over jongerenproblematiek, over kunst- en cultuurparticipatie, over persoonlijke ontplooiing, over maatschappelijke en economische ontwikkeling en we hebben benadrukt dat veel van de desbetreffende problemen en mogelijkheden doeltreffender en doelmatiger benaderd kunnen worden wanneer men dwarsverbanden legt, elkaars inspanningen aanvult en versterkt, verkokering tegengaat, en hoopt op synergie. Een vereiste daartoe is evenwel een bereidheid over de eigen schutting heen te kijken, een bereidheid de rij bij het eigen subsidieloket even te verlaten.

 

6.3 Is De Beat een ‘politiek correct’ plan?

Sommigen hebben naar voren gebracht dat De Beat een ‘wel erg’ politiek correct plan vormt, dat buitengewoon goed aansluit bij de vigerende cultuurpolitieke visies van zowel de Rotterdamse als de landelijke overheid.

Curieus is dat politieke correctheid vandaag, zeker binnen de kunstenwereld, als een minpunt geldt. Het zal wellicht te maken hebben met de, bij enkelen kennelijke bestaande behoefte om zich maatschappelijk te marginaliseren en om vervolgens van deze marginalisering schande te kunnen spreken. Van Gogh lijkt zo dichterbij te komen. Hoedanook, wij zijn verheugd dat de uitgangspunten van het cultuurbeleid zoals deze onlangs zijn geformuleerd door de Gemeente Rotterdam, zeer nauw sporen met de uitgangspunten van De Beat. Hetzelfde geldt voor de maatschappelijke doelen die het tegenwoordige kabinet zichzelf stelt, doelen die onder meer zijn geformuleerd in het Coalitieaccoord.[8] Wij geloven in de parlementaire democratie. Wanneer deze democratie op een bepaald moment de wens en noodzaak uitspreekt in het cultuurbeleid meer aandacht te besteden aan thema’s als participatie en integratie, dan begrijpen wij niet wat er ‘ruimdenkend’ aan zou zijn wanneer een door de overheid gesubsidieerde cultuurinstelling deze wens en noodzaak parmantig naast zich neer zou leggen.

Onze verbazing over het verwijt politiek correct te zijn, is overgegaan in ergernis toen sommige gesprekspartners ons verweten ‘opportunistisch’ in te spelen op de wensen van de politiek. Dit is om diverse redenen een ronduit bizar verwijt. Allereerst onderschrijven wij, zoals reeds werd opgemerkt, de uitgangspunten van de democratie. Wij beschouwen dat niet als een uiting van opportunisme. Maar los hiervan zijn de achterliggende ideeën van De Beat niet eerst geformuleerd nadat de lokale en de landelijke overheid hun uitgangspunten hadden geopenbaard. De ideeën achter De Beat, die bijna twee jaar geleden werden gepubliceerd, vloeien rechtstreeks voort uit de ideeën die ten grondslag liggen aan de activiteiten van Hal 4, een stichting die reeds meer dan twee decennia bestaat.

In alle bescheidenheid: wij lopen niet achter, wij lopen voor.

 

6.4 Sluit De Beat jongeren op in hun cultuur?

Wordt De Beat louter een ontmoetingsplaats voor jongeren? Een enclave in de stad waar volwassenen en ouderen niets hebben te zoeken?

Neen, uitdrukkelijk niet. De keuze de cultuur van jongeren als uitgangspunt of vertrekpunt te nemen, impliceert allereerst geenszins dat we de jongeren vervolgens in hun jeugdcultuur gaan opsluiten. Net zoals jeugdigen volwassen worden, vormt jeugdcultuur een toegangsweg naar culturele uitingen die minder met jeugd samenhangen. Wij beogen een centrum voor de cultuur en de educatie van jongeren te scheppen, er zal dus iets worden overgebracht, iets worden geleerd, er zal ontplooiing plaatsvinden, het gaat niet om de creatie van een jongerencentrum, een discotheek of uitgaansgelegenheid, ook al kan er en zal er beslist gebruik worden gemaakt, moeten worden gemaakt, van de in deze wereld opgedane ervaringen met het bereiken van jongeren (Dankbaar aanvaarden we dan ook de aangeboden hulp van diverse gesprekspartners uit deze sector om met ons verder te denken over de programmatische invulling van De Beat). Er zullen dus, naast de vele uitingen van jongerencultuur, ook uitingen van, wat men thans doorgaans ondersteld, ‘volwassenencultuur’ te bewonderen zijn in De Beat. Nigel Kennedy komt Vivaldi spelen. Een onder jongeren populaire actrice zal komen vertellen over haar (nooit vermoede) liefde voor de poëzie van J.C.Bloem. Een bekende DJ zal een forumdiscussie voorzitten over de vraag waarom jongeren vroegtijdig de school verlaten.

Daarnaast zijn er voorhands weinig redenen te verzinnen waarom uitingen van jongerencultuur niet interessant en relevant zouden zijn voor volwassenen en ouderen. Niet zelden worden nieuwe vormen en gedachten, nieuwe stijlen, smaken of andere uitdrukkingswijzen, juist onder jongeren ontwikkeld. Zoals jongeren baat hebben van ontmoetingen met cultuuruitingen die, vaak overigens ten onrechte, vooral met volwassenen worden geassocieerd, hebben volwassenen baat met ontmoetingen met de jeugdcultuur, al is maar om de eigen kinderen en kleinkinderen beter te leren begrijpen.

 

6.5 Is De Beat een uiting van cultuurrelativisme?

Zijn wij cultuurrelativisten die veronderstellen dat (sub)culturen nimmer vanuit andere (sub)culturen begrepen en beoordeeld kunnen worden? Jij OK, ik OK? Ieder zijn eigen ding? Een jeugdhonk voor bier, XTC, lawaai, matpartijen en tégen volwassenen en tégen een leefbaar Rotterdam?

Neen. De Beat wordt een centrum van persoonlijke ontwikkeling en van ontwikkeling kan men eerst spreken wanneer er een maatstaf is waaraan deze ontwikkeling kan worden afgemeten. Wij hebben er geen enkele twijfel over dat er over deze maatstaf zinvol kan worden geargumenteerd. Dit uiterst gewenste debat over kwaliteit en waarheid zal ook permanent in De Beat worden bevorderd. Het is uitdrukkelijk een doelstelling van De Beat. Wel menen wij dat de eerdere pogingen cultuur te spreiden, mensen en jongeren perspectiefvol in contact te laten komen met cultuuruitingen waarmee zijn van huis uit niet vertrouwd zijn, goeddeels zijn mislukt omdat onvoldoende werd aangesloten bij de cultuur van degenen waarop het beleid gericht was. Evenzo geloven wij en hebben wij zeer veel ervaring opgedaan in educatie via learning-by-doing en peer-to-peer.

 

6.6 Levert het bijeenbrengen van mensen met afwijkende achtergronden niet eerder aversie, dan begrip op?

De confrontatie tussen culturen levert geen begrip op, maar bevordert juist dat mensen zich terugtrekken in de waarheden van de eigen culturele groep, waarschuwden enige gesprekspartners.

Deels klopt dit, sociologisch en politicologisch gezien. Lukrake, onbemiddelde en onbeheersde confrontaties tussen andersdenkenden zorgen er zelden voor dat mensen ruimdenkender en begripvoller worden, zo weten we onder meer uit onderzoek naar democratie en deliberatie (cf. Blokland 2005: hst.8). Eerder levert dit het tegendeel op. Ook dit verklaart overigens waarom het weinig zinvol is jongeren plotseling in een theater of kunstmuseum te dumpen zonder dat hen hierbij enige context wordt geboden. De organisatie, de setting van de confrontatie met andere meningen, smaken en stijlen is van doorslaggevend belang voor de uitwerking of de gevolgen van deze confrontatie: trekt men zich, vaak uit onzekerheid, nog meer terug op de eigen vesting of stelt men zich open voor het andere, het vreemde. Juist omdat de psychologische behoefte aan zekerheid, overzichtelijkheid, plaatsbaarheid zo ongelooflijk belangrijk is, moet men dus eerst een platform hebben van gedeelde opvattingen, smaken, stijlen, alsmede een veilige, vanzelfsprekende, herkenbare omgeving. Op dit platform kan men vervolgens verder bouwen. Het platform van De Beat is de grootstedelijke jongerencultuur: de vanzelfsprekendheden, gedeelde interessen, zorgen en problemen die hieraan eigen zijn. Alvorens te bouwen benadrukken wij dus, zoals ook aanbevolen door de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO)(zie § 2), wat jongeren gemeen hebben, en niet wat hen scheidt. En wij doen dit in een vanzelfsprekende, ook door zaken als wonen en onderwijs bepaalde omgeving waar mensen om andere redenen bijeenkomen, dan het bijeenkomen zelf.

 

6.7 De segregatie is een feit, daar doe je toch niets meer tegen?

Enkele gesprekspartners lijken inmiddels de hoop te hebben opgegeven weerstand te kunnen bieden aan de sociale, culturele en etnische segregatie die zich thans voltrekt in Rotterdam. Wij onderschrijven de zorgen van de betrokkenen. Maar wij hebben de hoop dus niet opgegeven. En daarin voelen wij ons gesterkt door de eigen ervaringen met de activiteiten in Hal 4 en door het hierboven reeds aangehaalde onderzoeksrapport van de RMO: breng samen wat mensen vanzelfsprekend bindt, van wonen tot onderwijs, van rap tot web, van schoolkeuze tot stageplaats, en bouw van daaruit bruggen tussen wat hen overmatig scheidt.

Dit bijeenbrengen van mensen, dit vormen van gemeenschap, is uitdrukkelijk een kunst. Hetzelfde geldt voor het interesseren van jongeren voor kunst en cultuur. Op straffe van grote teleurstellingen, kan over deze kunst niet luchthartig worden gedaan. Alle beschikbare kennis en expertise zal in stelling moeten worden gebracht, kennis en expertise die zijn verzameld binnen uiteenlopende sectoren als het jongerenwerk, de kunsteducatie, het onderwijs, het uitgaansleven, de volkshuisvesting en de mens- en maatschappijwetenschappen. Het spreekt vanzelf dat het in De Beat te vestigen ‘kenniscentrum jongerencultuur’ ook hierin een voorname rol zou kunnen spelen.

 


7 Een eerste schets van het centrum

Om een eerste reactie te peilen, is het idee voor De Beat, zoals in het voorwoord werd uiteengezet, voorgelegd aan een groot aantal partijen uit de werelden van kunst, cultuur, onderwijs, uitgaan, jongerenwerk en wonen. In de bijlage zijn de geautoriseerde verslagen opgenomen van de gesprekken die drs. Joke Mulder namens Hal 4, Vestia en het Grafisch Lyceum met een twintigtal partijen heeft gehouden. Uiteraard staan wij gaarne open voor aanvullende gesprekken met organisaties die zich evenzeer aangesproken voelen door de ideeën achter De Beat en die overwegen hierin te participeren. De vragen die in het programmatisch onderzoek tentatief beantwoord moesten worden, waren: Welke, elkaar aanvullende en versterkende partijen zouden interesse hebben aan De Beat deel te nemen? Welke mogelijkheden zouden zij daartoe hebben? En welke eisen zouden daartoe, wat hen betreft, vervuld moeten worden?

Tot nu toe werd van gedachten gewisseld met Chris Bouma (directeur Stichting Kunst Accommodatie Rotterdam), Dirk Monsma & Piet Elenbaas (directeur Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam, respectievelijk, directeur KOA: Kunst Onder Andere), Liane v.d. Linden (Stichting Kosmopolis), Krijn Meerburg (directeur Cinerama en vertegenwoordiger SSOS Kriterion), Kuno Bakker (directeur Buro Fris), Harry Hamelink (directeur en programmeur Stichting Live at Nightown, Motel Mozaique), Giel van Strien (directeur Stichting Passionate), Fred Diaz Bauste (eigenaar en directeur Hollywood Music Hall), Harriët Duurvoort (uitgever en hoofdredacteur Generation Now, Museum The Other Art), Hajo Doorn (directeur WORM), Yvonne Beelen (directeur Nieuw Rotterdamse Cultuur: Cultuurscouts), Steven Engel (Coördinator Popacademie Zadkine College), Peter Hartog (Stichting Welzijn Feijenoord, jongerenwerk), Willem Stegeman (directeur Fun X) en Christian Jongeneel (voorzitter Waterfront). Wij danken allen zeer voor hun bijdragen. Gaarne zullen we in de toekomst gebruik maken van het aanbod van sommigen om actief mee te denken over de verdere ontwikkeling van De Beat.

Het spreekt voor zich dat veel partijen in dit stadium terughoudend moesten zijn in het openbaren van concrete belangstelling: deelname aan een ongewis toekomstscenario leidt geregeld tot interne onzekerheid (gaat men bij voorbeeld nog investeren in de huidige locatie?) en kan repercussies hebben voor de subsidierelatie met lokale overheden. Niettemin kunnen we toch reeds enige contouren schetsen. Het totale volume van de onderwijs-, cultuur- en woonfuncties, alsmede de onderlinge verhoudingen liggen daarbij nog niet vast. Zij zijn afhankelijk van het aantal, de aard en de wensen van de partijen die uiteindelijk in dit project willen participeren.

De woningcorporatie Vestia en haar dochteronderneming Estrade die integrale gebieds- en projectontwikkelingen verzorgt, zijn enthousiast over de combinatie van wonen, cultuur, educatie, uitgaan en welzijn. Zij verwachten via De Beat een belangrijke bijdrage te leveren aan het Rotterdamse leefklimaat, aan participatie, integratie en cohesie. Gedacht wordt vooralsnog aan 400 units jongerenhuisvesting van 70m2 (36.000 m2) voor maximaal € 350 per maand.

Het Grafisch Lyceum Rotterdam wil uitbreiden van 4.000 naar 5.000 studenten, hetgeen een uitbreiding betekent van de huidige 23.000 naar 30.000m2. De huidige locatie biedt daartoe geen mogelijkheden. Het GLR wil niet uitbreiden door de vestiging van dependances maar wil uitdrukkelijk alle activiteiten accommoderen onder één dak. Het is daartoe op korte termijn op zoek naar een geschikte locatie voor nieuwbouw. Het GLR afficheert zich op het gebied van innovatief media-onderwijs als het grootste en meest toonaangevende media-instituut van Europa. Met opleidingen die zich richten op multimedia vormgeven, grafisch vormgeven, art & mediadesign, gamedesign, animatie, film & video, fotografie, audiovisuele productie, podium- en evenemententechniek, mediamanagement, printmedia en mediatechnologie. Het GLR speelt een actieve rol in het positioneren van Rotterdam als “capital for the creative industry”.

Vooralsnog is 14.000 m2 ingeruimd voor podia en daaraan gerelateerde culturele functies, maar, zoals gezegd, dit volume staat geenszins vast. Stichting Hal 4 zal een van de gebruikers zijn en zal, net als de andere gebruikers de eigen identiteit en autonomie behouden. De nieuwe ruimte zal uiteraard niet onder moeten doen voor de huidige locatie van Hal4 op het DWL-terrein. De zaal zal bij popconcerten geschikt moeten zijn voor ten minste 700 staanplaatsen en een telescooptribune met 250 zitplaatsen. Tevens dient er voldoende kantoorruimte te zijn. Locatieprojecten als de hiphopera Atalanta moeten ook op de nieuwe locatie tot de mogelijkheden behoren. In de programmering wordt voorts verdere samenwerking gezocht met groepen als Made in da Shade, Ish, Aya, Meekers, Waterhuis, The History of Hip Hop, Like Minds, Dox, Rotjong en het internationale aanbod.

De situatie van de poppodia in Rotterdam laat, zoals bekend, al enige tijd te wensen over. In aanvulling op de reeds bestaande zalencomplexen in Den Haag, Amsterdam, Haarlem en Tilburg bestaat er in Nederland behoefte aan een complex met meerdere kleinere popzalen naast elkaar. Deze zalen zouden ook geschikt moeten zijn om (pop)festivals te accommoderen. Problemen met publieksstromen, zoals bijvoorbeeld bij het North Sea Jazz Fetival in het Nederlands Congres Centrum in Den Haag, zouden door het ontwerp voorkomen moeten worden. Gedacht wordt aan een zaal met een capaciteit met 1.500 bezoekers in combinatie met twee zalen van 750 bezoekers (waaronder Theater Hal 4, die bij festivals aan het popcomplex kan worden toegevoegd).

Verdere mogelijke gebruikers laten zich distilleren uit de verkennende gesprekken die in de bijlage zijn opgenomen. Gedacht kan worden aan het jongerenwerk; de Rotterdamse dansgezelschappen; de kunstzinnige vorming; poporganisaties, evenementenprojectbureaus; exploitanten van uitgaansgelegenheden; organisatoren van tentoonstellingen en exposities; exploitanten van bioscopen; een multiculturele publieke radiozender; met Hal 4 verwante organisaties op het gebied van grootstedelijke (podium- gerelateerde) jongerencultuur en een studie- en kenniscentrum jongerencultuur.

Zoals voortdurend naar voren is gebracht, zullen al deze organisaties de eigen identiteit behouden en juridisch, artistiek en economisch onafhankelijk blijven. Gezocht wordt naar samenwerking om elkaars activiteiten aan te vullen en te versterken.

 

 

 

 



[1] Samen met de studie van MVRDV en de onderhavige nota werd hiervan een overzicht gepresenteerd in de brochure De Beat. Deze brochure werd op 1 november 2007 aangeboden aan de Gemeente Rotterdam. Wethouder Kaya zegde bij deze gelegenheid toe dat het college binnen een maand formeel en inhoudelijk op De Beat zou reageren.

[2] Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. 2006. Niet Langer met de Ruggen naar Elkaar: een Advies over Verbinden, Den Haag. RMO-advies 37

[3] SCP-publicatie 2005/13, Uit elkaars buurt. De invloed van etnische concentratie op integratie en beeldvorming , Mérove Gijsberts, Jaco Dagevos, Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, juni 2005

[4] De RMO werd hierin recentelijk bijgevallen door het SCP. In het rapport Interventies voor integratie. Het tegengaan van etnische concentratie en bevorderen van interetnisch contact wordt geconcludeerd, dat, wil men interetnische contacten bevorderen, ‘het opzetten van projecten vanuit gedeelde interesses of gemeenschappelijke belangen de meeste kans op resultaat bieden. Het kan dan gaan om mentorprojecten of taallessen, maar ook om het met elkaar sporten, eten of tuinieren. De opvoeding en het onderwijs van de kinderen kunnen eveneens een basis voor contact vormen. Waar allochtonen en autochtonen toch al vaker bij elkaar komen (zoals bijvoorbeeld op scholen en in buurtcentra), zijn kleine initiatieven soms al voldoende om contact tot stand te brengen.’ Mérove Gijsberts en Jaco Dagevos (red.), Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, juli 2007  SCP-publicatie 2007/15,

[5] Cf. Hans Blokland. 1995. Wegen naar Vrijheid: Autonomie, Emancipatie en Cultuurpolitiek in de Westerse Wereld. Amsterdam: Boom; Hans Blokland. 1997. Publiek Gezocht: Essays over Cultuur, Markt en Politiek, Amsterdam: Boom; Hans Blokland. 2005. ‘Op weg naar het einde van onze cultuur’, in: Becker, F. en W. van Hennekeler (red.), Cultuurpolitiek, WBS Jaarboek 2005, Amsterdam: Mets & Schilt.

[6] ‘Zoeken naar innovatie-impulsen: beheersen of bevorderen van hybriditeit?’, in: Taco Brandsen, Wim van de Donk en Patrick Kenis (red.)(2006) Meervoudig Bestuur: Publieke Dienstverlening door Hybride Organisaties, Den Haag: Lemma.

[7] Gemeente Rotterdam (2007) In Verbeelding van Elkaar: Samen het Toneel van Stad Zijn. Uitgangspunten voor het Cultuurbeleid 2009-2012, p.65, cf 7, 16-7, 70-1

[8] Coalitieaccoord (7 februari 2007). Zie onder meer hoofdstuk 4, Sociale Samenhang, met als onderwerpen, ‘integratie’, ‘participatie’, ‘jeugd en gezin’, ‘emancipatie’, ‘wonen en wijkaanpak’.