Artikelen
 

'Langs de achterdeur: het Kunstenplan vanuit politicologisch perspectief'

Federatie Nieuws (Federatie van Kunstenaarsverenigingen), Nr.3, 1993, p.16.

 

Hans Blokland

 

Nog éen keer: het Kunstenplan. Dit plan, dat vorig jaar werd vastgesteld, heeft in de kunsten­wereld en de pers de nodige commotie veroorzaakt. Omdat de ge­moede­ren inmiddels enigszins bedaard zijn, is het misschien een goed moment voor een (hopelijk) afstandelij­ke terugblik. Wat ging er mis? En hoe moet het beter?

Zoals bekend wordt in het Kunsten­plan aange­ge­ven welke instellin­gen, gezel­schappen en kunstenaars hoeveel subsidie ontvangen. Het plan geldt voor vier jaar en is een onderdeel van de Cultuurnota. In deze nota wordt, als het goed is, beargu­men­teerd welke algemene cultuurpoli­tieke overwe­gingen en doelein­den aan het Kun­stenplan ten grondslag liggen.

Waarom een plan? De Tweede Kamer heeft hier in de jaren tachtig om gevraagd omdat zij meer fundamen­te­le, meer openlijke en meer overzichte­lijke keuzen wilde maken. Mede met dat doel voor ogen wilde de Kamer met de no­ta een cultuur­politiek debat aanzwengelen over de grondslagen van het be­leid en over de culture­le ontwik­kelin­gen in onze samenle­ving. Men zou kunnen stellen dat men een aantal problemen wilde oplossen, die eigenlijk in het hele over­heidsbeleid zijn terug te vinden.

Aan de basis van deze problemen ligt een gebrek aan overeenstemming over de definitie van het algemeen belang en over de taken van de over­heid. Daar­naast is een probleem dat staat en maatschappij sterk zijn vervlochten, en dat de belangengroeperingen dankzij die vervlechting een grote, vaak een te grote, macht kunnen uitoefenen. Dit alles leidt tot een permanente overvraging en overbelasting van de overheid en op de lange termijn zelfs tot een afne­ming van haar legitimi­teit.

Op het moment dat er immers geen overeenstemming meer bestaat over de waarden en doeleinden die aan over­heidsbe­leid ten grondslag zouden moeten liggen, is het niet meer mogelijk om de overvloed aan claims die de talloze belangengroeperingen op tafel leggen, tegen elkaar af te wegen of des­noods af te wijzen. De overheid is niet meer in staat om keuzen te maken en is daarom geneigd - om van het gezeur af te zijn of omdat men er gewoon toe gedwon­gen wordt - om alle claims maar te honoreren.

Daarnaast valt een verkokering van het beleid te constateren. Dat wat in de ene sector gebeurt, wordt niet meer afgewogen tegen dat wat in de andere sector plaatsvindt. Men gaat dus langs elkaar heen werken of elkaar zelfs tegen­werken: het Ministerie van WVC wil de cultuurparticipatie bevorderen en het Ministerie van O&W staat toe of bevordert dat er in het onderwijs steeds minder aandacht wordt besteed aan kunstzinnige vorming.

Een ander gevolg is een zekere mate van immobilisme. Eenmaal gevestig­de belangen zijn moeilijk te bestrij­den, laat staan te negeren, met als gevolg dat alles voortdurend bij het oude blijft. De bestaande symfonische orkesten hebben de 'oudste rechten' en daarvoor moeten nieuwe cultuur­vor­men wijken.

Tot slot is er een gebrek aan maatschappelijke legitimi­teit. De overheid en de politiek zijn steeds minder in staat om het beleid te rechtvaardigen.

Dit soort problemen zijn vandaag kenmerkend voor het hele overheidsbe­leid. Het cultuurbeleid vormt daarop geen uitzondering. De vraag is nu: wat doen we hieraan? In de politieke theorie wordt vaak ter oplossing van deze problemen onder meer een fundamenteel publiek debat aanbevolen over de waarden en doelein­den van het over­heidsbe­leid. De hoop is dan dat er een aantal gemeenschappe­lijk onderschreven waarden of doelein­den kunnen worden vastgesteld, criteria op basis waarvan de over­vloed aan claims op de publieke middelen tegen elkaar kunnen worden afgewo­gen. Het spreekt verder voor zich dat wanneer er iets meer helder­heid bestaat over het ant­woord op de vraag welke doelen men eigenlijk met het over­heidsbe­leid wil realiseren, het ook makkelijker wordt om het immobi­lisme en de verkokering van het beleid te bestrijden en om het publiek van de juistheid of noodzakelijkheid van bepaalde overheidsuitga­ven te overtui­gen.

Het idee van een Cultuurnota en een Kunstenplan zou men nu vanuit dit perspectief kunnen zien. De nota dus als een poging om een aantal waar­den en doeleinden van cultuurbeleid vast te stellen, of in ieder geval als een poging om een publiek debat hierover aan te zwengelen, en het plan als een poging om op basis van de resultaten van dit debat de meest geschikte beleidsinstrumenten vast te stellen. In zijn algemeen­heid zou men kunnen zeggen dat dankzij de nota de besluit­vorming fundamen­te­ler, overzich­te­lijker en openlij­ker kan wor­den, en daarmee beter politiek te controle­ren en te beďnvloeden.

Tot zover de theorie, nu iets over de praktijk. Wat is er met name terechtgekomen van het publieke debat over de grondbeginselen van het beleid? Heel weinig. Het 'debat' is bijna uitsluitend gegaan over de vraag welke kunstinstellingen hoeveel subsidie krijgen. In vragen als wat de plaats en de functie van de kunsten in de samenleving zijn, waarom de kunsten gesubsidieerd moeten worden en niet kunnen of mogen worden overgelaten aan de markt, wat beginselen als 'kwaliteit', 'pluriformiteit', 'cultuurpartici­patie' precies inhouden en hoe zij zich tot elkaar verhouden, bleek nie­mand geďnteresseerd.

De afwezigheid van dit debat wordt ten dele verklaard door de magere kwaliteit van de Cultuurnota. Zo is er onvol­doende verband tussen de algemene cultuurpolitieke uitgangspunten en het uiteindelijke Kunstenplan, met als gevolg dat het weinig zinvol is om op deze uitgangspunten in te gaan. Een verklaring ligt ook in het onvermogen van het merendeel van de politici om een fundamenteel debat te voeren en in het onvermogen en de desinteresse van het merendeel der journalisten om van dit debat verslag te doen.

Maar ook de kunstenwereld treft blaam. Zij gaat er teveel vanuit dat slechts de minister of de politiek verantwoordelijk zijn voor de maatschap­pelijke legitimiteit van de kunstsubsidies. Dit is een ernstig misverstand. Uiteindelijk ligt de volle verantwoordelijkheid hiervan bij de kunstenaars zelf. Zij zullen de burgers moeten overtuigen van het belang van (subsidies aan) de kunsten.

Dit overtuigen moet uiteraard in de eerste plaats geschie­den in de thea­ters, de musea, de concertzalen en andere cultuurtempels. Daarnaast zal men zich echter in de publieke arena moeten manifesteren door onder­bouwde antwoorden te formuleren op de fundamentele cultuurpolitieke vragen. Alleen dankzij een normatief, cultuurpoli­tiek kader kunnen de gebreken die ook het huidige beleid vertoont, bestreden worden. Een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over de functie en de plaats van de kunsten in de samenleving is echter iets anders dan luidkeels van de daken schreeuwen dat de Nederlandse of wellicht zelfs de mondiale cultuur onherstelbaar wordt beschadigd wanneer de subsidie aan een bepaalde instelling wordt verminderd of ingetrokken - bij buitenstaanders werkt dit slechts op de lachspieren.