Artikelen
 

ROBERT E. LANE
EN DE ACHTERHAALDHEID VAN HET MARKLIBERALISME

(Facta: Sociaal-Wetenschappelijk Magazine, Jg.8, Nr.5, 2000, pp.8-13)

Hans Blokland

 

De Amerikaanse politicoloog Robert E. Lane is de auteur van een groot aantal baanbrekende publicaties, waaronder Political Ideology (1962) en het monumentale The Market Experience (1991). Samen met Robert Dahl en Charles Lindblom – gedrieën op Yale liefkozend aangeduid met ‘the biggies’ – maakte hij de Political Science Department van Yale University vanaf het einde van de jaren veertig tot één van de beste ter wereld. Waar Dahl de politicoloog pur sang is en Lindblom de politiek econoom en beleidstheoreticus, heeft bij Lane altijd het individu centraal gestaan: wat zijn zijn opvattingen, houdingen en gedragingen in de politiek en welke maatschappelijke structuren dragen het meest bij aan zijn welzijn? Lane is daarbij één van de weinige politicologen die altijd zeer uitgebreid gebruik heeft gemaakt van de empirische bevindingen uit andere menswetenschappen, met name de psychologie, sociologie en biologie. Groot is zijn ergenis over politiek theoretici en politiek filosofen die gedetailleerde, abstracte theorieën over het Goede leven en de Goede samenleving construeren zonder ooit kennis te nemen van het vele beschikbare onderzoek naar het werkelijk functioneren van mens en samenleving.

Niettegenstaande deze, geregeld tijdens workshops met superieure ironie tentoongespreide ergenis over veel van zijn tegenwoordige vakgenoten is Lane een buitengewoon hartelijk mens. Hij is op de hoogte van zijn verdiensten, maar laat zich er nooit op voorstaan. Onwaarschijnlijk is zijn werkethos. Ondanks zijn hoge leeftijd werkt hij nog bijna iedere dag tot middernacht, zijn werksessies slechts onderbrekend voor stevige wandelingen in het voor zijn huis gelegen park. Twee rondjes met zijn vrouw, de schrijfster Helen Lane, en daarna nog één alleen, maar in een veel hoger tempo. Goed voor de gezondheid, het welbevinden en ook voor het werk trouwens.

Zijn nieuwe boek The Loss of Happiness in Market Democracies (New Haven & London, Yale University Press, 2000) is het product van een decennium noeste arbeid (aan de The Market Experience kon Lane ongehinderd door de universiteit zeventien jaar werken). Steunend op een enorme hoeveelheid empirische onderzoekingen die als mitrailleurvuur op de lezer worden afgeschoten, laat hij hierin zien dat westerlingen (en vooral Amerikanen) ondanks hun nog altijd toenemende materiële welvaart steeds minder prettig in hun vel zitten. Zo is er in de afgelopen decennia in alle ontwikkelde marktdemocratieën een sterke toeneming van klinische depressies waar te nemen, groeit bijna overal het wantrouwen in andere mensen en in maatschappelijke instellingen, neemt het geloof af dat het lot van de gemiddelde mens zich verbetert, en is er een tragische erosie gaande van familiaire solidariteit en van warme, intieme relaties tussen vrienden. Volgens Lane is er ‘a kind of famine of warm interpersonal relations, of easy-to-reach neighbours, of encircling, inclusive memberships, and of solidary family life.’ (2000: 9) Als gevolg van dit gebrek aan sociale steun zijn mensen veel kwetsbaarder geworden voor de tegenslagen in het leven, zoals werkeloosheid, ziekten, stress, teleurstellingen met hun kinderen, onvervulde wensen. Een algemeen onbehagen is het resultaat.

Een belangrijke oorzaak van deze tegenwoordige malaise zoekt Lane in de vrije markt. Vrije markten worden in de regel gerechtvaardigd met de stelling dat zij het welzijn of het ‘nut’ van mensen optimaliseren. De reden waarom zij hierin in ontwikkelde economieën evenwel falen, is volgens Lane dat al die zaken die werkelijk bijdragen aan dit welzijn, ‘market externalities’ zijn. Het zijn vooral andere mensen die ons gelukkig maken: hun affectie, waardering en bevestiging hebben de meeste invloed op onze stemming en deze goederen zijn nergens te koop. Uiteraard hebben mensen materiële hulpbronnen nodig, maar is eenmaal in een minimum voorzien, en dit minimum is in de westerse landen al decennia terug gepasseerd, dat neemt hun belang snel af. In rijke samenlevingen, schrijft Lane, ‘for people above the poverty line, more money, as compared with friendship and community esteem, a loving spouse and affectionate children, quickly loses its power to make people happy.’ (2000: 7) Om meer geluk te creëren zal de nadruk in onze samenleving daarom verlegd moeten worden van inkomen naar, wat Lane samenvat met de term, ‘companionship’.

Naast een verlichting van depressie en ongeluk zijn er andere winsten van het inleveren van inkomen voor waardevolle relaties. Uit door Lane aangehaald onderzoek blijkt dat wanneer mensen plezierig in hun vel zitten, dit ten goede komt aan hun creativiteit, probleemoplossendvermogen, cooperativiteit, generositeit, gezondheid en zelfontplooiing. Gelukkige mensen maken makkelijker vrienden en vrienden maken mensen gelukkiger. Zij hebben tevens minder etnische vooroordelen en staan positiever tegenover democratisch bestuur. Ontevreden en gedeprimeerde mensen komen daarentegen in een neerwaartse spiraal terecht: zij hebben een negatief zelfbeeld, een gebrek aan zelfvertrouwen en autonoom gedrag, slechte studie- en arbeidsprestaties, verliezen het gevoel voor verhoudingen, krijgen ruzies met familieleden en collega’s, zijn slechte ouders, et cetera. De persoonlijke, maar ook maatschappelijke kosten van deze mensen zijn enorm: ‘they drain the resources of the societies in which they live’, schrijft Lane (2000: 330).

De marktliberale samenleving, erkent Lane, heeft ons eens een verlossing van armoede gebracht en, daarmee aanvankelijk samenhangend, geluk. Sindsdien biedt deze ordening haar burgers, in een monotone herhaling van een eens bevrijdend thema, slechts meer van hetzelfde. Het zit in deze ordening, zoals eerder in andere grote civilisaties, ingebakken. Wij zijn nu ongelukkig in een sociale woestijn met een overvloed aan materiële rijkdom. Het ‘einde van de geschiedenis’ is daarom volgens Lane niet een glorieuze eindoverwinning van het marktliberalisme, het is eerder het langzame sterven van een cultuur die niet in staat lijkt zichzelf te vernieuwen en zich aan te passen aan veranderde omstandigheden (2000: 10).

 

INTERVIEW

Hoe zou U onze tegenwoordige conditie willen omschrijven? Hoe gaat het met ons?

‘Vooral in de Verenigde Staten zijn de onderzoeksbevindingen op het terrein van het welzijn weinig opwekkend. Wanneer mensen wordt gevraagd of zij, alles overziend, hun leven op een bepaald moment als gelukkig of ongelukkig beschouwen, geven steeds minder mensen aan gelukkig te zijn en deze trend is al decennia in de VS gaande – in Europa gaat het vooralsnog beter. In overeenstemming hiermee geven Amerikanen steeds minder te kennen erg tevreden te zijn met hun huwelijk, hun werk, financiële situatie en woonplaats. Tegelijkertijd neemt de malaise op andere terreinen toe: in de laatste dertig jaar stellen steeds meer mensen dat anderen niet zijn te vertrouwen, dat de conditie van de gewone man zich voortdurend verslechtert en dat publieke functionarissen slechts gemotiveerd worden door hun eigenbelang en absoluut geen boodschap hebben aan de gemiddelde burger. Tegenwoordig onderzoek lijkt bovendien de stelling van mensen als Simmel, Fromm en Wirth te bevestigen, dat relaties in de moderne samenleving zich kenmerken door oppervlakkigheid en instrumentalisme. Steeds meer mensen geven daarom geregeld aan eenzaam te zijn en ‘warmte’ en ‘intimiteit’ te missen. Er verspreidt zich wat wel een ‘Machiavellistisch syndroom’ is genoemd: mensen nemen steeds meer een manipulatieve houding aan ten opzichte van anderen. Het lijkt of zij de wijze waarop zij op het werk met anderen omgaan, niet langer kunnen scheiden van de privésfeer. Voortdurend wegen zij de kosten en baten van een relatie tegen elkaar af en zodra de kosten te sterk of te lang de baten overtreffen, beëindigen zij haar. Moderne mensen hebben daarom in de regel vele oppervlakkige kennissen, maar zelden goede vrienden. Het hebben van vrienden is totaal iets anders dan populair zijn of het beschikken over uitgebreide functionele netwerken. Het gaat mensen, blijkt uit onderzoek, om de intimiteit, om het hebben van een vertrouwensrelatie. Dit is precies wat ze missen in de ‘netwerkmaatschappij’.

 

In welke mate zijn geluksbelevingen cultureel bepaald?

‘Anders dan de cultuurrelativisten graag willen geloven hebben mensen ontzettend veel gemeen. Daarom vertonen de voorwaarden van hun welbevinden wereldwijd een grote gelijkenis. Zo laat croscultureel onderzoek algemeen zien dat tevredenheid over het familieleven en over zijn relaties met vrienden tot de allerbelangrijkste verklaringen horen van geluk en de afwezigheid van depressie. Zij zijn belangrijker dan tevredenheid over levensstandaard, werk, religieus leven of ‘het plezier dat men heeft’. Zeker het hebben van een depressie – ik praat niet over een neerslachtige bui – is geen puur cultureel product. Er bestaat onder psychologen een grote crosculturele overeenstemming over de criteria hiervoor. Je moet dan denken aan het langdurig en tegelijkertijd vertonen van symptonen als een gebrek of een overmaat aan eetlust, slapeloosheid, chronische vermoeidheid, verlies aan sexuele begeerte, gevoelens van nietswaardigheid of schuld, concentratiegebrek, besluiteloosheid, en terugkerende gedachten over dood of zelfmoord. Uit onderzoek blijkt nu dat in alle ontwikkelde marktdemocratieën de klinische depressies in aantallen en frequentie toenemen, vooral onder de jongeren. In sommige landen hebben mensen die na 1955 zijn geboren, drie keer zoveel kans op een depressie als hun grootouders. We zouden inmiddels kunnen spreken van een epidemie.

 

Hoe belangrijk is geld? Maakt geld gelukkig?

‘Onderzoek in alle ontwikkelde landen laat zien, dat inkomen en welbevinden niet meer met elkaar samenhangen. Dit geldt nog wel voor onderontwikkelde landen. De beste manier om hier het welbevinden te bevorderen is het vergroten van het nationaal inkomen. Maar voor ons is overleven niet meer de belangrijkste kwestie in het bestaan. In het scheppen van deze situatie heeft de economische wetenschap een positieve rol gespeeld. Maar vandaag hebben haar uitgangspunten en inzichten sterk aan relevantie ingeboet. Economen hebben niet door dat de prioriteiten in ontwikkelde landen langzaam maar zeker zijn veranderd van overleven naar welbevinden. Zij blijven gefocust op zaken die er nauwelijks meer toe doen. Het aantal vrienden dat iemand heeft, is een veel betere indicator dan het aantal dollars of guldens dat hij bezit.

 

Wat is de rol van marktdemocratieën? In hoeverre veroorzaken zij ongeluk?

‘De markt doet mensen vooral pijn omdat zij de aandacht afleidt van de zaken die werkelijk bijdragen aan een gelukkig bestaan. Mensen die gepreoccupeerd zijn met materiële zaken, weten we uit onderzoek, zijn niet erg gelukkig en sociaal zijn zij vaak slecht gezelschap: ‘they have something else on their mind’. Door de cultuur te domineren, verarmen markten het leven van mensen. Zij verleiden mensen tot afwegingen die niet bijdragen aan hun welzijn, zoals inkomen in plaats van vrije tijd of werk dat inhoudelijk bevredigd. Democratieën brengen mensen niet werkelijk schade toe, maar zij zijn ook weinig behulpzaam in het bevorderen van hun welzijn omdat zij de bestaande economistische preferenties en trends vooral bevestigen: net als de markt vertrouwen zij erop dat mensen precies weten wat goed voor hun is, terwijl wij uit psychologisch onderzoek weten dat dit niet altijd het geval is, integendeel.

 

In hoeverre voelt U zich verbonden met de maatschappijcritici in de jaren zestig? In Uw kritiek op het materialisme lijkt U bij voorbeeld een vergelijkbaar thema aan te snijden.

‘Ik wil absoluut niet worden geassocieerd met de counter culture. Dit is een narcistische, egocentrische beweging waarin zelfontplooiing, met nadruk op zelf ('I do my thing' en 'look at me'), centraal staat terwijl ik het juist heb over het vinden van geluk in interpersoonlijke, solidaire relaties. Daarnaast komt mijn inspiratie volledig uit een lange wetenschappelijke traditie waarin wordt geprobeerd zorgvuldig te analyseren wat de condities zijn van menselijk welbevinden en menselijke ontplooiing. Dat geldt natuurlijk niet voor de counterculture – dat was hooguit een sociale beweging. Ik heb trouwens altijd een groot wantrouwen gehad tegen haar representanten. Zij riepen bij mij vooral ergernis op. In de jaren zestig dacht ik dat dat kwam omdat ik oud aan het worden was. Nu weet ik wel beter. Mijn vermoeden dat het hier vooral om egocentrisme ging, is bevestigd door de snelle manier waarop velen van de betrokkenen hun weg omhoog hebben gevonden en afstand hebben gedaan van hun idealen. Ik ben ook niet zonder meer een voorstander van kleine gemeenschappen, in de traditie van het communitaire denken van Bellah en Etzioni, bij voorbeeld. Ik ben geen communitarist. Wanneer je kleine gemeenschappen in de praktijk bestudeert dan blijken deze erg bekrompen, intolerant, vol met etnische vooroordelen te kunnen zijn. Ik wil uitzoeken wat precies bijdraagt aan het menselijk welzijn en ik denk niet dat dit specifieke settings betreft, kleine overzichtelijke gemeenschappen of leefeenheden bij voorbeeld. Er zijn verschillende studies die er op duiden dat sommige mensen, vooral betergestelden, in de grote stad meer van de condities kunnen vervullen die bijdragen aan hun welbevinden – warme, solidaire relaties – dan in kleine dorpen.

 

Waarom doen mensen niets aan hun ongeluk?

Wel weet je, zo’n vraag is gebaseerd op de notie van autonome persoonlijkheden. Mensen zijn echter buitengewoon kwetsbaar voor de druk van hun omgeving, voor de maatschappelijke realiteit. Het is als vragen aan westerlingen of zij niet eigenlijk liever een boeddhist hadden willen zijn. Mensen kiezen niet, ze worden ergens in geboren en vervolgens diepgaand in de bestaande cultuur gesocialiseerd. Wanneer deze cultuur hen wijsmaakt dat het verwerven van meer inkomen of van een bepaalde levensstijl die alleen met dit inkomen gekocht kan worden, hen gelukkiger zal maken, dan geloven zij dat, ook al blijkt uit al het bestaande wetenschappelijke onderzoek dat dat niet het geval is. De Amerikaanse droom bestaat uit het verwerven van steeds meer materiële bezittingen en de status die men hieraan kan ontlenen. Geprobeerd moet worden mensen uit deze misplaatste droom te helpen, zonder daarbij dwang te gebruiken. Jij noemt dat terecht een emancipatiedilemma.

 

Hoe optimistisch bent U over de mogelijkheden daartoe?

‘Het is heel moeilijk een bestaande cultuur te wijzigen. De intellectuelen zouden hierin een rol moeten spelen. De rol van de intellectueel, van de rebel en de kunstenaar, is het aanbieden van alternatieven voor de bestaande cultuur. Daarnaast moet er iets in onze wetenschappen veranderen. Economen moeten betere, op de realiteit en niet op een a priori gebaseerde, maatstaven voor welbevinden of nut ontwikkelen en vervolgens moeten zij hun analytische apparaat gebruiken om aanbevelingen te doen, die het menselijk welbevinden werkelijk bevorderen. Politiek theoretici moeten minder abstract moraliseren en meer aandacht hebben voor iets triviaals als menselijk welbevinden. Hun theorieën kunnen vervolgens politici inspireren meer te kijken naar de effecten van beleid op welbevinden. En psychologen, biologen en neurologen moeten een bijdrage leveren aan onze kennis hoe instituties ons welzijn beïnvloeden.

‘Er is ook reeds een beweging die tegen de bestaande cultuur ingaat. Je vindt de representanten op tal van plekken. Vergeet ook niet dat wanneer iets goed bevalt, mensen er vervolgens geen afstand meer van willen doen. Wanneer mensen iets meer vrije tijd nemen, wanneer zij iets meer aandacht voor hun vrienden en familie krijgen, wanneer zij iets meer aandacht hebben voor de intrinsieke beloning van hun werk, dan heeft dit een onmiddellijke beloning en bestaat dus de kans dat deze afweging zichzelf versterkt en verspreid. We praten hier niet over een vies medicijn dat eerst op lange termijn een positief effect zal hebben. Dit medicijn smaakt goed en is zelfs verslavend. Hoop ik.

 

Op welke wijze kunnen academici een bijdrage leveren?

‘Het is moeilijk voor Amerikaanse academici, veel meer dan voor hun Europese collega’s, om een groot publiek te bereiken en de mensen bij voorbeeld uit te leggen dat zij iets nastreven waarvan wij nu al weten dat dit hen niet gelukkiger zal maken. Televisie heeft ontzettend veel kapot gemaakt met betrekking tot het publieke debat en trouwens ook in sociale relaties. Het bereiken van een groter publiek wordt ook uitdrukkelijk ontmoedigd door de bestaande publicatiecultuur op universiteiten. Stukken voor een algemeen publiek tellen niet en worden zelfs tegen je gebruikt. De invloed van wetenschappelijke bevindingen sijpelen echter ook langzaam door via het academische onderwijs, via adviesorganen voor de overheid zoals de National Academy en de Brookings Institution en we hebben nu ook internet, hetgeen een veel interactiever medium is dan de televisie. Maar het is waar: in Amerika zijn academici nog meer van de samenleving geïsoleerd dan in Europa. Britse collega's van mij worden geregeld geïnterviewd voor de radio en de televisie, dat is hier goeddeels ondenkbaar. Mijn hoop is op Facta gevestigd (zo heet het toch?).