Artikelen
 

'Kunstenaars moeten overtuigen door hun bijdragen'

(oorspronkelijke titel: 'Zelfs de kunst moet zich in een democratie rechtvaardigen')

(NRC-Handelsblad, Jg.24, Nr.56, 1994, p.6)

 

Hans Blokland

 

In de NRC van 22 november 1994 bericht Warna Oosterbaan dat minister D'Anco­na onlangs 'een fundamentele ommezwaai in het kunstbeleid' heeft aangekon­digd: van nu af aan zou het niet aan haar, maar aan de kunstenaars zijn 'om te vertellen waarom het goed is dat de overheid een deel van de belastingop­brengst aan kunst besteedt'. In dit verband had D'Ancona 'met instemming de socioloog Blokland (geci­teerd) die onlangs in Federatienieuws betoogde dat kunstenaars "ten volle" verantwoordelijk zijn voor de rechtvaardiging van kunstsubsidies.' Oosterbaan zet zich hier tegen af en concludeert: 'vertellen waarom kunst moet is taak van de minister'.

De cultuurpolitieke berichtgeving bestaat in Nederland goeddeels uit context­loze 'nieuwsfeiten' en daarom zal het voor de gemiddelde lezer niet eenvoudig zijn te achterhalen wat precies de inzet is van het onderhavige, reeds jaren durende debat. Het kan ook niet mijn taak zijn om dit debat hier samen te vatten. Inte­ressanter is het om in te gaan op de stelling die Ooster­baan uiteindelijk in zijn betoog betrekt: het is de taak van de minister om de publieke legitimi­teit van kunst­subsidies overeind te houden.

Volgens Oosterbaan laten de burgers 'in hun consumptiepatroon zien dat ze in meerder­heid niet gesteld zijn op de kunst die van hun belastingcenten wordt gesubsi­dieerd. Als ze er wel op gesteld waren, zou die kunst immers niet gesubsi­dieerd hoeven te worden (hier wordt overigens voorbijgegaan aan de nood­zaak om te interve­ni­ëren in de markt om collectieve goederen en reële indivi­du­ele keuzevrijheid tot stand te brengen, HB). Ziedaar de paradox waarmee een minister van cultuur moet leven.' De belangrijkste manier waarop de minister deze paradox kan verzach­ten is volgens Oosterbaan door 'voortdu­rend en bij velerlei gelegen­heid reclame (te) maken voor kunst'. 'In laatste instantie zijn het namelijk alleen politieke argumen­ten, waardeoorde­len, overtuigingen die tegen de scepsis van de rekenaars in stelling kunnen worden gebracht. En in laatste instantie is het alleen een politicus die kan optornen tegen de individue­le voorkeuren van de burgers.'

Ik ben het volledig met Oosterbaan eens wanneer hij wijst op de uiterst belangrijke rol van de politiek in de verdediging van de maatschappelijke positie van de kunsten (en van andere uitingen van beschaving). Ten onrechte geeft hij hierin echter de kunstenwereld geen enkele rol. Daarnaast suggereert hij ongegrond dat de kloof tussen kunst en samenleving per definitie onover­brug­baar is en dat de kunsten door de politiek slechts tegen de samen­leving beschermd kunnen worden. Dit is kortzichtig en voor de kunsten op de lange termijn uiterst gevaar­lijk. Het legitimeert een reservaat­kunst, een kunst die nog slechts met zichzelf in debat is en nog uitsluitend door een kleine groep van ingewij­den begrepen kan worden, het wettigt de idee dat kunst een luxe is die verder niets te maken heeft met ons dagelijks, 'nuttige', functione­ren, en het rechtvaardigt talentlo­ze prutsers die zichzelf voor een onbegre­pen Van Gogh houden.

Democratie houdt het midden tussen het lijdzaam volgen van de publieke opinie en het trachten deze opinie te sturen of zelfs te maken. Bestond de democratie slechts uit het eerste dan zou dit een door populisme en relativisme gedreven ontken­ning betekenen van deskundigheid. Bestond zij slechts uit het tweede dan zou dit een door arrogantie en absolutisme gemoti­veerde looche­ning inhouden van de gelijkwaardigheid van de burgers. Hiermee verbonden bestaat democratie niet alleen uit het nemen van beslissingen volgens het 'one man, one vote' beginsel, zij bestaat vooral uit de publieke discussie die aan het uiteinde­lijke besluit vooraf gaat. Daarom zijn de besluiten die genomen worden op het doorgaans ondoorzichtige en ongecontroleerde grensvlak tussen bureau­cratie en belangen­groepen, een grens­vlak waarop ook de Raad voor de Kunst zich bevindt, niet zonder meer democratisch.

De maatschappelijke legitimiteit van kunstsubsidies is uiteindelijk afhankelijk van de mate waarin de diverse kunstenaars en hun belangenverenigingen er in slagen om de burger ervan te overtuigen dat zij een waardevolle bijdrage aan de samenleving leveren. Waar deze bijdrage uit kan bestaan, gaf Frans de Ruiter in deze krant van 16 november summier weer in zijn reactie op D'An­cona. De Ruiter stelde, onder meer, dat de kunst gezien kan worden als 'de brenger van reflectie, verdieping en troost', en dat kunst een middel is 'om je eigen waarde terug te vinden en een broodnodige dosis bevrijdende opwinding op te doen'. De juistheid van deze karakterisering moet uiteindelijk niet worden bewezen in de Tweede Kamer, zoals Oosterbaan stelt, maar in de theaters, de musea, de concertzalen. De politi­cus kan weliswaar keer op keer de burger op het hart drukken dat de kunste­naar om bovengenoemde redenen niet in onze samenle­ving gemist kan worden, maar wanneer de burger zich hier op de lange termijn met geen mogelijkheid in zou kunnen verplaat­sen, dan raakt de politicus op een gegeven moment aan het einde van zijn latijn. Wanneer een te groot deel van de (geïnteresseerde) burgers op een gegeven moment geen 'reflectie, verdieping en troost' van bepaalde kunstuitin­gen meent te ontvangen, dan neemt de publieke legitimiteit van de betreffende subsidies af. Een politicus behoort dan na verloop van tijd zijn verant­woorde­lijkheid te nemen. Hij vertegenwoordigt de burgers en niet een of andere beroepsgroep. Staatssecreta­ris Simons is ook niet de belangen­vertegenwoordi­ger van de medisch specialis­ten. Uiteinde­lijk leggen de kunste­naars dus de voe­dingsbo­dem voor de legitimi­teit van kunstsubsidies en in laatste instantie dragen zij derhalve de volle verant­woorde­lijk­heid voor deze legitimi­teit.

Dit alles wil niet zeggen dat een ieder of een meerderheid van de burgers zich persoonlijk aangesproken moet voelen door alle individuele, gesubsi­dieerde kunstuitingen. Dit zou leiden tot vervlakking en uniformering. De discussie moet op een hoger niveau gevoerd worden: welke argumenten zijn er aan te geven om gedurende korte of lange tijd kunstenaars, die hun werk op de markt onvoldoende te gelde kunnen maken, die dus te weinig 'populair' zijn, tóch het werken mogelijk te maken. De argumenten hiervoor - en er zijn er meer dan voldoende - dienen in het publieke debat naar voren te worden gebracht en er is geen enkele reden waarom vertegenwoordigers uit de kunstenwereld hierin geen rol zouden kunnen spelen. Als het goed is, weten zij immers waar zij over praten. Zo werkt dat in een democratie.