Artikelen

 

Leren van de gebrekkige Civil Society van Tsjechië

(Facta: Sociaal-Wetenschappelijk Magazine, Jg.13, Nr.1, 2005, pp.20-6)

Hans Blokland

 

 

 

Wanneer men denkt aan de moeilijkheden die overwonnen moeten worden bij het opbouwen van een polyarchie, gaan de gedachten vandaag al snel uit naar het Afrikaanse continent of naar landen als Rusland, Oekraďne, Afghanistan of Irak. Ook een goed ontwikkeld, sociaal en cultureel homogeen land als Tsjechië, een land dat bovendien op enige democratische ervaring in het verleden kan bogen, laat echter zien hoe lang de weg hier is. Deze Tsjechische weg leert ons bescheiden te zijn in onze pogingen elders een democratie te vestigen.[1]

 

In een polyarchie, de feitelijke verschijningsvorm van het democratische ideaal, is de macht verdeeld over een veelvoud van wederzijds onafhankelijke statelijke en maatschappelijke organisaties.[2] Voor haar functioneren dienen een betrekkelijk open en sociaal verankerd stratum van politiek actieven te bestaan, alsmede een minimum aan maatschappelijk vertrouwen. Zo kunnen de gewenste maatschappelijke organisaties zich slechts ontwikkelen wanneer voldoende, politiek competente burgers de overtuiging hebben, dat zij waarden en doelen delen en deze met elkaar kunnen realiseren. En samen met de statelijke machten kunnen deze organisaties eerst een vreedzaam en constructief proces van wederzijdse beheersing voortbrengen wanneer bij alle actoren de overtuiging leeft, dat de confrontatie van belangen niet alleen winnaars en verliezers oplevert, maar voor alle actoren grosso modo tot voordelige resultaten kan leiden. Evenzo ontwikkelt zich eerst de met democratie verbonden publieke uitwisseling van ideeën wanneer burgers een minimaal vertrouwen koesteren dat gezagsdragers, beleidsmakers en anderen in hun afwegingen en beslissingen open staan voor de argumenten en de belangen van mogelijke tegenstrevers.

Het vertrouwen via de politiek greep op de ontwikkeling van de eigen samenleving te hebben, kon zich in Tsjechië pas laat ontplooien: na de opdeling van het Habsburgse Rijk in 1918 en het gelijktijdige uitroepen van de Tsjechoslowaakse Republiek. Dit vertrouwen werd vervolgens fundamenteel aangetast door het verraad van het Westen in München, de Duitse bezetting en vervolgens het verraad van hetzelfde Westen in Jalta.[3] Mede door deze ervaringen kon de sterk op Moskou georiënteerde Communistische Partij zich in de jaren direct na de oorlog in een relatief grote populariteit verheugen, ook al haalde zij in de diverse vrije verkiezingen die gedurende deze periode gehouden werden, nooit meer dan 38 per cent van de stemmen. Na haar frauduleuze machtsovername in 1948 ontwikkelde zich onder Klement Gottwald en Antonin Novotný een stalinistisch, vooral op de Sowjet-Unie gericht systeem dat in de jaren vijftig en zestig langzaam vastliep in bureaucratie, centralisme en inertie. Vanaf het midden van de jaren zestig groeide evenwel de wil tot hervorming. Na de val van Novotný in januari 1968 probeerden onder meer Josef Smrkovský en Alexander Dubček vorm te geven aan een communisme ‘met een menselijk gezicht’. Hoewel de doorgevoerde veranderingen vooral de vrijheid van meningsuiting en vereniging betroffen en nauwelijks de economische en politieke ordening, riep hun poging een ongekende geestdrift en betrokkenheid in de samenleving op. Deze geestdrift en betrokkenheid ontaarden echter in hun tegendeel door de interventie ‘op verzoek’ in augustus 1968 van de ‘bevriende’ Warschaupactlanden, de beschamende, langzame aftocht van de eigen leiders (Dubček bleef aan tot april 1969) en de daaropvolgende jarenlange maatschappelijke zuiveringen. De reactie op deze gebeurtenissen was niet naar ‘buiten’, maar naar ‘binnen’ gericht en creëerde een politieke cultuur waarin een democratie zich onmogelijk voorspoedig kan ontwikkelen.

Hans Renner heeft een fraaie analyse gegeven van de politiek-culturele gevolgen van de verstikkende onderdrukking in de jaren zeventig en tachtig.[4] Deze repressie was aanmerkelijk diepgaander en omvattender dan in de Sovjet-Unie en werd nog steeds uitgeoefend nadat in het laatste land al jaren de dooi had ingezet. De ‘normalisering’ die in Tsjechië onder Gustav Husák werd doorgevoerd, beroofde dit land voor decennia van een kader dat in staat is een goed functionerende polyarchie te dragen. In de eerste twee jaren na de Praagse Lente verloor de Communistische Partij, zowel door vrijwillige als gedwongen uittreding, 474.000 leden, achtentwintig per cent van het totaal. Ruim de helft hiervan was lid geworden vóór de machtsovername in 1948. Velen van deze groep behoorden tot de meest idealistische en bekwame leden. Daarenboven verloren tussen de 250.000 en 300.000 mensen hun baan. Dit lot trof onder meer veertig per cent van de leidinggevenden in de bedrijven en dertig per cent van de commandanten van leger en politie. Vooral de culturele sector werd grondig gezuiverd. 117 van de 299 leden van de Tsjechische schrijversbond – waaronder vooraanstaande auteurs als Ivan Klíma, Bohumil Hrabal, Václav Havel en Milan Kundera – kregen een publicatieverbod. Bij de uitgeverijen verloor tachtig per cent van de redacteuren hun baan. Hetzelfde overkwam zeventig per cent van het wetenschappelijk personeel van de musea, veertig per cent van het artistiek personeel van de schouwburgen en een kwart van de universitaire hoogleraren. Tweeduizend journalisten, oftewel de helft van de leden van de journalistenbond, werden, vaak letterlijk, het bos ingestuurd. Wat resulteerde was, in de woorden van Heinrich Böll, ‘een perfect cultureel kerkhof’ (Renner 1988: 114-7). 

Het optimisme en de maatschappelijke betrokkenheid die de Praagse Lente kenmerkten maakten volgens Renner na haar onderdrukking plaats voor ‘passiviteit, politieke apathie en een ongekend geestelijk marasme geworteld in het besef dat de situatie volkomen uitzichtloos was. Er volgde een massale terugtrekking van de burgers in de privé-sfeer’ (1988: 123). Onderdeel van deze ‘innere Immigration’ acht Renner een negatieve houding ten opzichte van alles wat de persoonlijke sfeer overstijgt en het hanteren van een dubbele moraal: een voor de buitenwereld en een voor de eigen kring. Een treffende illustratie van deze immigratie vormt de enorme toeneming in de jaren zeventig en tachtig van het aantal buitenhuisjes (‘chalupy’) en de gelijktijdige ontwikkeling van een cultus rondom het buitenleven, compleet met eigen literatuur, muziek, gerechten en tijdschriften. In Tsjechië steeg dit aantal uitwijkplaatsen van 120.000 in 1969 naar 225.000 in 1981 (Renner 1988: 124).

Een uiting van het alomtegenwoordige cynisme vormde de opmerkelijke stijging van het aantal partijleden gedurende de jaren tachtig. Tussen 1971 en 1981 werden 655.000 mensen lid van de Communistische Partij. In 1981 telde zij naar schatting ruim anderhalf miljoen leden, tien per cent van de gehele Tsjechoslowaakse bevolking, kinderen incluis. Vooral de jongeren traden enthousiast toe: meer dan negentig per cent van de nieuwkomers was jonger dan vijfendertig jaar, ongeveer de helft was zelfs jonger dan vijfentwintig jaar. Opportunisme was in de regel het motief. De betere opleidingen konden alleen gevolgd worden en de hogere maatschappelijke posities konden alleen bereikt worden door partijleden en het lidmaatschap was dus een wijze om de eigen carričre veilig te stellen (Renner 1988: 127). Te denken in dit kader geeft ook de betrekkelijk grootschalige medewerking aan de activiteiten van de geheime politie. In 1989 bleek dat deze over maar liefst 600.000 mensen dossiers had opgebouwd (de grootste besloeg 7500 pagina’s). Dit kon slechts gebeuren dankzij de medewerking van talloze informanten. Wie precies welke informatie over wie aan welke leden van de geheime politie heeft verschaft, is nog altijd niet volledig opgehelderd.[5] Omdat zo velen hierbij betrokken waren, is het enthousiasme voor de creatie van wettelijke mogelijkheden tot openbaarmaking gering. Ook prefereert men veelal niet te weten welke mensen uit zijn omgeving klikten. Het is tekenend dat tot 2002 slechts 2900 mensen gebruikmaakten van de sinds 1997 bestaande mogelijkheid in ieder geval het eigen dossier in te zien (The Prague Post, 20 maart 2002).

Het cynisme en de hypocrisie uitten zich volgens Renner voorts in een voor Tsjecho­slowakije ongekende ‘corruptie, machtsmisbruik, zwarte handel, diefstal van staatseigendommen … en verharding van de intermenselijke verhoudingen… Er ontstonden hele systemen van smeergelden op vrijwel elk gebied van het dagelijks leven’ (1988: 132). Renner noemt de gezondheidszorg, de volkshuisvesting, de detailhandel en het onderwijs. Mede dankzij deze corruptie telde het land in de jaren tachtig enkele tienduizenden miljonairs, beduidend meer dan vóór de communistische machtsgreep in 1948.

 

De reeds bestaande grote sociale ongelijkheid is na de omwenteling sterk toegenomen. Debet hieraan is een stevige omarming door achtereenvolgende regeringen van een rigide neoliberaal kapitalisme, een omarming die vanuit het Westen ook krachtig werd gestimuleerd. De eindoverwinnaar van de geschiedenis had weliswaar inmiddels zelf het einde van de ideologie uitgeroepen, maar dat belette hem niet een wereldwijd ideologisch offensief te openen. De Westeuropese sociaaldemocratische partijen, met succes in diskrediet (en verwarring) gebracht met onder meer verwijzingen naar de ineengestorte Oosteuropese ‘socialistische systemen’, keken onderwijl lijdzaam toe. Mede daarom bleven waarschuwingen goeddeels uit dat in iedere beschaafde samenleving de schapen tegen de wolven beschermd worden en dat een vrije markt en een ontwikkelde economie louter kunnen functioneren dankzij alomvattende overheidsinterventies, waaronder de schepping van een uitgebreid en fijnmazig juridisch kader. Zowel in het Westen als in het Oosten werd bijna algemeen aangenomen, schrijft Jan Prybyla, ‘that the re-emergence of communism’s economic successor system would be a relatively simple and spontaneous affair. After all, capitalism – the only practical alternative to socialist central planning – is what people do when you leave them alone. Let them be (laissez les faire) and they will higgle and bargain in the market, which they themselves, not deliberately, create by their buying and selling… Restructuring … was seen as primarily dismantling the much corroded institutional remnants of socialist administrative command by freeing prices, opening up domestic trade to foreign competition, and privatising property – the quicker the better (shock therapy)’.[6]

Voor afwegingen en nuances was weinig aandacht in de jaren negentig. Deze eenzijdigheid bracht een grote schade toe aan de Oosteuropese economieën en democratieën – een onnodig hoog niveau van werkeloosheid en bestaansonzekerheid, vermijdbare abrupte ontmantelingen van complete bedrijfstakken en van hiervan afhankelijke lokale gemeenschappen, een vermijdbare toeneming van sociale ongelijkheden in inkomen, vermogen en politieke hulpbronnen, een nodeloze groei van het politieke cynisme en het onderlinge wantrouwen, kortom, een ondermijning van de toch al fragiele civic society. Voor de democratie is van belang dat de kansen die het ongereguleerde kapitalisme bood, vooral zijn benut door de leden van de vroegere zittende klasse. Dankzij hun geprivilegieerde positie in het oude communistische systeem beschikten vooral zij over het noodzakelijke sociale, economische en culturele kapitaal om van de nieuwe mogelijkheden te kunnen profiteren. De invoering van wat men als het westerse systeem beschouwde, heeft aldus de in decennia opgebouwde sociale onrechtvaardigheid geregeld slechts vergroot. Dit verklaart mede de teleurstelling en het cynisme onder de bevolking over de democratie die in de jaren negentig om zich heen greep: het ging vooral de leden van de oude, bevoorrechte kaste aanmerkelijk beter.[7]

 

Onderling vertrouwen en respect zijn, zoals reeds opgemerkt, noodzakelijke voorwaarden voor het functioneren van een polyarchie (en trouwens niet minder van een economie). Alleen wanneer deze voorwaarden zijn vervuld is een open, constructieve communicatie mogelijk en zullen mensen de onafhankelijke maatschappelijke organisaties opbouwen waarop een polyarchie is gefundeerd. Zijn er geen vertrouwen en respect dan zullen mensen zich zelden verenigen om gezamenlijke doelen te realiseren en zullen zij een geringe bereidheid vertonen om de wederzijds profijtelijke compromissen te sluiten, die onvermijdelijke conflicten beëindigen. Individuen moeten dus niet uitsluitend tegenstrevers in elkaar zien waarmee zij in een zero-sum-game verwikkeld zijn, maar ook medeburgers waarmee zij waarden, doeleinden en verwachtingen delen en waarmee zij kunnen samenwerken om deze te verwerkelijken.

Dit vertrouwen en respect ontbreken in hoge mate in Tsjechië en andere Oosteuropese landen. Na decennialange onderdrukking vertrouwt men anderhalf decennium na de omkeer nog altijd vooral ‘inner circles’ van vrienden en familie, ‘inner circles’ waarop men zich gedurende deze jaren terug had getrokken. De politieke en economische ontwikkelingen sinds de omwenteling hebben bovendien het onderlinge vertrouwen en respect eerder aange­tast dan vergroot. Het is tekenend dat er nog altijd een zeer uitgebreide tweede of informele economie bestaat waarin diensten en goederen worden uitgewisseld op basis van familiale of vriendschappelijke banden. Ook op private ondernemingen kan men immers nauwelijks rekenen. Gebruikmakend van data van de New Democracies Barometer van de Paul Lazersfeld Society in Wenen onderzochten William Mishler en Richard Rose in 1994 het vertrouwen, dat mensen in negen Oost- en Centraaleuropese landen stelden in vijftien verschillende instituties. Voor elk van deze instituties werd mensen gevraagd op een schaal van een tot zeven hun vertrouwen aan te geven (hoe meer hiervan sprake was, hoe hoger het cijfer). Wantrouwen of op zijn best scepsis zetten de toon. Gemiddeld genomen had men nog het meest fiducie in het leger (4,4) en de kerken (4,1). Het minst vertrouwde men de politieke partijen (2,8), het parlement (3,1) en de vakbonden (3,1).[8] De Tsjechen staken overigens begin jaren negentig op vrijwel alle gebieden gunstig af ten opzichte van de andere nationaliteiten (na ongeveer 1996 veranderde dit sterk). In zoverre het onderzoeksmateriaal vergelijking toestond was het vertrouwen in Westeuropese landen, hoewel ook aan sterke erosie onderhevig, op alle terreinen beduidend hoger. Opmerkelijk is het geringe vertrouwen dat de inwoners van de vroegere Oostbloklanden hebben in maatschappelijke organisaties die in principe geen onderdeel zijn van de overheid. Mishler en Rose verklaren dit uit de omstandigheid dat zij voor de omwentelingen gedwongen werden hierin vrijwillig te participeren. De betreffende organisaties waren een verlengstuk van de partij die deze gebruikte om de aanhankelijkheid van de burgers aan het systeem te controleren. Vandaag hebben deze burgers hun argwaan en cynisme over maatschappelijke organisaties nog niet achter zich gelaten.

Een onafhankelijk maatschappelijk middenveld dat tegelijkertijd als een buffer en mediair tussen staat en individu optreedt, moet, zo kan men ook van het bovenstaande afleiden, nog grotendeels van de grond komen. Verontwaardiging over maatschappelijke misstanden of corruptie vertaalt zich mede hierom nog maar uiterst moeizaam in effectief protest. Van een open politieke competitie is nauwelijks sprake. Het oude regime werkte de ontwikkeling van een onafhankelijk middenveld bewust tegen daar de Communistische Partij geacht werd alle werkelijke en rechtmatige behoeften, verlangens en ambities adequaat uit te drukken. Bijgevolg, stelt Martin Potůček, heeft het huidige politieke stelsel een sterk gefragmenteerde en geatomiseerde samenleving geërfd met een groot gebrek aan vertrouwen tussen burgers onderling en tussen overheid en burgers. Dit heeft volgens hem grote gevolgen: ‘People are not used to associating or working to protect their interests when they are threatened. Government representatives are not used to negotiating with representatives of interest groups or with the public. Successful contact among these groups is sporadic and incidental, rather than being systematically or legally established. There is the constant risk of inappropriate actions from both sides, stemming from a lack of information or understanding’.[9]

In deze omstandigheden wordt de houding van de overheid ten opzichte van het maatschappelijk middenveld van bijzonder belang: stimuleren haar vertegenwoordigers zijn ontwikkeling, op financiële of institutionele wijze, of frusteren zij deze? Helaas is Tsjechië ook hier sinds de omwenteling weinig fortuinlijk geweest. De belangrijkste politicus sinds 1989, de neoliberale econoom Václav Klaus[10], heeft altijd weinig sympathie betoond voor de idee van een ‘civil society’. Naar eigen zeggen is zijn streven primair geweest ‘een samenleving van vrije burgers’ te creëren. De idee dat burgers en groepen niet alleen voor de eigen belangen opkomen, maar ook voor ‘higher values which enrich society’ is, zo stelde hij in een toespraak in 1995, ‘not supported by any evidence’ (geciteerd door Potůček 2000: 112). Binnen zijn economische benadering van de democratie is het voldoende op geregelde basis verkiezingen te houden, verkiezingen die burgers in de gelegenheid stellen de zittende regering al dan niet te vervangen. De jarenlange rivaal van Klaus, Václav Havel, heeft op dit terrein radicaal andere ideeën, zoals men ook mocht verwachten van iemand die is voortgekomen uit een burgerrechtenbeweging. Maar ook omdat zijn functie van president (1989 – 2003) grotendeels ceremonieel van aard is geweest, zijn deze alternatieve ideeën nauwelijks vertaald in praktische maatregelen. Daarom, constateert Andrew Green, bestaat er geen toereikend wettelijk kader waarbinnen maatschappelijke organisaties formeel, op geďnstitutionaliseerde wijze, de beleidsmakers hun standpunten en visies kunnen presenteren. Gebeurt het laatste toch, dan is dit op ad hoc basis en grotendeels afhankelijk van informele, persoonlijke relaties. Er bestaat volgens Green een betrekkelijk gesloten proces van beleidsvorming binnen de ministeries waarop buitenstaanders, waaronder ook in hoge mate het parlement, nauwelijks invloed kunnen uitoefenen.[11] Samen met het gegeven dat Tsjechen, zoals wij reeds zagen, uiterst wantrouwend staan tegenover maatschappelijke organisaties en deze vooral in verband brengen met fraude en corruptie, verklaart deze onwelwillende houding van de overheid de uiterst zwakke ontwikkeling van het middenveld in de jaren negentig.[12]

Green legt een verband tussen het wijdverbreide politieke cynisme en de afwezigheid van mogelijkheden invloed uit te oefenen op de dagelijkse publieke besluitvorming. Als gevolg van het laatste is er volgens hem een zwakke relatie tussen staat en samenleving, een zwakte die de democratische ontwikkeling ernstig in gevaar kan brengen. Door hem aangehaald opinieonderzoek in de jaren negentig laat zien, dat mensen in toenemende mate ontevreden zijn over het bestaande politieke bestel (1999: 223). Tussen 1991 en 1998 daalde het percentage mensen dat meende dat de tegenwoordige omstandigheden beter waren dan ten tijde van het communistische regime, van 37 naar 25. Het percentage dat meende dat de omstandigheden vroeger beter waren dan vandaag, steeg van 14 naar 28. In 1998 was nog maar 25 per cent van de bevolking de mening toegedaan dat het land er op vooruit was gegaan. De overige 75 per cent meende dat het slechter ging (28 per cent), zag geen verschil (37 per cent) of kon geen oordeel vellen (10 per cent). Negatieve houdingen naar de staat, de politiek, de economie en belangenorganisaties hebben geleid tot, wat Green noemt, ‘pathologies in modes of political participation’ (1999: 224). Groeiende meerderheden van kiezers menen dat zij geen invloed op de politiek kunnen uitoefenen, dat verkiezingen betekenisloos zijn en dat er wat het laatste betreft geen grote verschillen zijn tussen het oude en het nieuwe regime.[13] Om toch invloed uit te oefenen gaat men meer en meer zien in ‘confrontational modes of political participation’, zoals demonstraties, stakingen en boycotts (1999: 224). Extremistische politieke groeperingen als de ultra-rechtse Republikeinen kunnen zich evenzo in een betrekkelijk grote populariteit verheugen, meer dan in andere Oosteuropese landen het geval is.

Maatschappelijk cynisme uit zich op vele wijzen. Een wellicht onverwachte uiting is het wegverkeer. Uit statistische analysen blijkt dat in Tsjechië de meeste verkeersdoden van Europa per gereden kilometer vallen: 37 doden per miljard kilometer (in Griekenland, tweede op de lijst, zijn dat er 28). Volgens Josef Mikulik van het Transport Onderzoeks Centrum in Brno zijn verkeersongevallen zelden toeval: ‘They are a sympton of social illness’, een spiegel van het gedrag in de rest van de samenleving (The Prague Post, 4 april 2002). In zijn opvatting is het Tsjechische roekeloze rijgedrag een uiting van een onvolwassen post-communistische mentaliteit waarin burgers na jarenlange onderdrukking weinig respect voor de wet hebben, alsmede voor de politie die deze wet moet handhaven. Tsjechen moeten volgens hem nog altijd leren ‘to accept the law as a tool that protects citizens, not as a penalty restricting personal freedom.’ Het competitieve tegenwoordige kapitalisme heeft weinig aan dit leerproces bijgedragen. De algemene idee is, stelt Mikulik, dat wanneer men hierin wil slagen, bijkans alle middelen gepermitteerd zijn.[14]

 

Institutionele politieke veranderingen garanderen dus geenszins de ontwikkeling van de deugden, de onafhankelijke maatschappelijke organisaties en de open processen van publieke besluitvorming en wederzijdse beheersing die zijn verbonden met een civil society en een polyarchie. Het laatste kan ondanks de relatief gunstige omstandigheden nog decennia in beslag nemen. Men zou, ter afsluiting, een parallel kunnen trekken tussen de ‘innerlijke immigratie’ die het Tsjechië sinds de jaren zeventig kenmerkt, en de wijze waarop burgers in de westerse democratieën zich in de laatste decennia uit het publieke leven hebben teruggetrokken. In beide gevallen spruit deze immigratie in hoge mate voort uit een gevoel van politieke onmacht: men meent geen invloed meer te kunnen uitoefenen op de wijze waarop de eigen samenleving zich ontwikkelt en trekt dus zijn handen ervan af. In het geval van Tsjechië kwam het gevoel van onmacht oorspronkelijk voort uit de aanwezigheid van een alomtegenwoordige communistische partij en een gecentraliseerde, bureaucratische staat die moest opereren binnen de strakke kaders die een buitenlandse mogendheid had vastgesteld (uiteraard vormt de terreur een aparte dimensie). Vandaag en in zijn algemeenheid ligt de oorzaak in processen van modernisering waarbij steeds meer sferen van het leven onontkoombaar worden beheerst door de functionele rationaliteit van markt en bureaucratie. Het effect is in alle gevallen hetzelfde: een gevoel van malaise en een terugtrekking in on- of anti-sociale activiteiten.[15]

 



[1] In dit artikel heb ik mede gebruik gemaakt van materiaal uit mijn Pluralisme, Democratie & Politieke Kennis (Assen, Van Gorcum, 2005).

[2] Dahl, R.A.(1971) Polyarchy: Participation and Opposition, New Haven and London, Yale University Press

[3] Op de Conferentie van München in september 1938 werd Tsjecho-Slowakije gedwongen Sudentenland aan Duitsland over te dragen. Een reactie bleef uit toen Duitsland tegen de afspraken in, in 1939 de onafhankelijkheid van Tsjechië beëindigde. Op de Conferentie van Jalta in februari 1945 kwamen de Geallieerden impliciet overeen dat Tsjecho-Slowakije binnen de Russische invloedssfeer viel.

[4] Renner, H.(1988) Tsjechoslowakije van 1945: Van Beneš tot Jakeš, Amsterdam, Uitgeverij Jan Mets

[5] Een particulier, de voormalige dissident Petr Cibulka, publiceerde in 1992 de (schuil)namen van 200.000 Tsjechen en Slowaken die bij de geheime politie (StB) bekend stonden als potentiële informanten. Zijn lijst is ook op het internet te raadplegen: www.cibulka.com. In 1993 publiceerde het Ministerie van Binnenlandse Zaken een vergelijkbare lijst van 75.000 informanten. In het laatste geval ging het louter om Tsjechen en om mensen die doelbewust en daadwerkelijk met de StB hadden meegewerkt. Beide lijsten zijn onderwerp van discussie.

[6] Prybyla, J.S.(1998) ‘Economics of transition: a review article’, Europe-Asia Studies, Vol.50, No.2, pp.351; cf.Adam Przeworski (1993) ‘The neoliberal fallacy’, in: Diamond, L. & Plattner, M.F.(eds) Capitalism, Socialism, and Democracy Revisited, Baltimore & London, The Johns Hopkins University Press, pp.39-54

[7] Cf. Eatwell, J., Ellman, M., Nuti, M. & Shapiro, J.(1995) Transformation and Integration: Shaping the Future of Central and Eastern Europe, London, Institute for Public Policy Research, p.922

[8] Mishler, W. & Rose, R.(1997) ‘Trust, distrust and skepticism: popular evaluations of civil and political institutions in post-communist societies, The Journal of Politics, Vol.59, No.2, pp.422-5

[9] Potůček, M. (2000) ‘The uneasy birth of Czech civil society’, Voluntas: International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations, Vol.11, No.2, pp.111

[10] Klaus was onder meer gedurende de jaren 1992-7 premier, vervolgens, na een corruptieschandaal, parlementsvoorzitter en is sinds 2003 president.

[11] Green, A.T. (1999) ‘Nonprofits and democratic development: lessons from the Czech Republic’, Voluntas: International Journal of Voluntary and Nonprofit Organizations, Vol.10, No.3, pp.217-36

[12] Het aantal onafhankelijke non-profit organisaties groeide weliswaar sterk in deze periode, maar de cijfers zijn volgens Potůček zeer geflatteerd: het gaat vooral om sportclubs en andere vrijetijdsverenigingen. Vergelijkt men de beschikbare, tentatieve cijfers met die van andere westerse landen dan lijkt het maatschappelijk middenveld in Tsjechie sterk onderontwikkeld (2000: 114; cf. Green 1999: 227).

[13] De opkomstpercentages bij verkiezingen vertonen dan ook een voortdurende neergang. Voor de parlementsverkiezingen daalde dit percentage van 96, 3 in 1990 naar 57,9 in 2002. Voor de gemeentelijke verkiezingen daalde het percentage in dezelfde periode van 74,8 naar 43,4. De nauwelijks geheroriënteerde Communistische Partij van Bohemen en Moravië behaalde bij de parlementsverkiezingen van 2002 18,5 per cent van de stemmen en werd hiermee, tot schrik van het nieuwe establishment, de derde partij van het land (na de sociaaldemocraten en de ‘Burgerlijke Democraten’). In ledental (113.000) is zij de grootste partij. De in opiniepeilingen meest genoemde reden voor het niet uitbrengen van zijn stem, is ‘weerzin’ tegen de politiek en de politici.

[14] Eén van deze middelen is omkoping. Ase Grodeland, Tatyana Koshechkina, William Miller illustreren de tolerante houding ten opzichte van corruptie in hun ‘“Foolish to Give and Yet More Foolish Not to Take”: In-Depth Interviews with Post-Communist Citizens on Their Everyday Use of Bribes and Contacts’ (1998). Over corruptie en machtsmisbruik wordt inmiddels wel meer in de media gerapporteerd. Mede onder druk van de Europese Unie verricht de Tsjechische overheid tevens meer inspanningen om haar te bestrijden. 

[15] Cf. Blokland, H. (2001) De Modernisering en haar Politieke Gevolgen, Amsterdam, Boom