De Modernisering en haar Politieke Gevolgen

 

Hoofdstuk 1 Algemene Inleiding

 

 

 

 

De mogelijkheid om gezamenlijk richting en betekenis te verlenen aan het samenleven vormt voor burgers een essentiële dimensie van politieke vrijheid. Velen in de westerse democratieën hebben echter het gevoel dat de omvang van deze vrijheid de laatste jaren tamelijk gering is gewor­den. Mensen lijken te zijn overgeleverd aan anonieme structu­ren en processen waarop zij nauwelijks greep hebben, structuren en processen die hen opties en realiteiten opdrin­gen waarvoor zij mogelijk niet gekozen hadden wanneer zij hadden beschikt over een reële keuzemogelijkheid. Hiermee samenhangend lijkt het huidige politieke systeem onmach­tig om een aantal belangrijke hedendaagse problemen van een oplossing te voorzien. De aantasting van het milieu, ‘urban sprawl’ en de hiermee samenhangende teloorgang van de (binnen)steden, de barbaarse productie van onbetrouwbaar voedsel in de bio-industrie, de economische en sociale uitsluiting van grote groepen burgers, de voortdurende uitbreiding van de economische sfeer en de hiermee verbonden erosie van niet op de markt verhandelbare waarden en de gestaag toenemende (tijds)druk die dezelfde economie op mensen legt (cf. Blokland 1997: hst.7) zijn hiervan voorbeelden. Het onvermogen deze problemen daadkrachtig op te lossen versterkt de indruk, dat de politieke gemeen­schap geen greep (meer) heeft op de maat­schappelijke gebeurtenissen. Bijgevolg lijken desinteresse in, en cynisme over de politiek plausibele keuzen.

In deze studie zal ik onderzoeken in hoeverre het tegenwoordige gevoel van onmacht, of, in de woorden van Charles Taylor (1991), van malaise, wel moest ontstaan gezien de uitgangspun­ten waarop het westerse politieke systeem is gebaseerd. Tevens zal ik de pogin­gen analy­seren om het functioneren van dit politieke systeem te verbeteren. Concepten als ‘deregu­lering’, ‘privatisering’, ‘decen­tralisering’, ‘flexibilisering’, ‘verzelfstandiging’, ‘vermarkting’ spelen hierin sinds de jaren tachtig een centrale rol. Ik zal betogen dat veel van de betreffende maatregelen en voorstel­len de geconsta­teerde problemen slechts zullen vergroten. De betrokkenen trachten een maat­schappelijke orde te scheppen waarin de rol van de politiek sterk zal zijn teruggedrongen en waarin zij vooral van het vrije spel der maat­schappelijke krachten oplossingen verwachten. Ik zal daarentegen pleiten voor een rehabilitatie van de politiek. De aard van de belang­rijkste hedendaag­se vraagstukken brengt met zich mee, dat louter politiek handelen uitzicht biedt op adequate antwoorden.

1 De modernisering

Men zou kunnen stellen dat burgers binnen het bestaande politieke besluitvor­mings­model en het hieraan verbonden beleidsmodel met name machteloos staan ten opzichte van, en machteloos zijn geworden door de modernisering. De betreffende systemen van politiek en beleid zijn wellicht te zeer een vertaling of een neerslag van dit proces om burgers in staat te stellen over de schaduwzijden van de modernisering heen te springen.

Wat modernisering inhoudt en wat haar drijfveren zijn, is moeilijk ondubbelzinnig vast te stellen. Tot de nauw verbonden kernprocessen van modernise­ring behoren echter in ieder geval rationalisering, differentiëring en indivi­dualisering. Ter oriëntatie op de problematiek die in deze studie centraal staat, zal ik deze in het volgende kort behandelen.

1.1 Opkomst van de instrumentele rationaliteit

Rationalisering omschrijft de Nederlandse socioloog Jacques van Doorn als het naar de ach­tergrond ver­dwijnen van ‘culture­le, morele, politieke en ideologi­sche waarden en doelein­den’ en het opkomen van ‘orga­nisatori­sche, bureaucra­ti­sche, techno­cratische en formalis­tische oriënta­ties’ (1988: 139). In het betref­fen­de proces is steeds minder plaats voor, wat Max Weber noemde, waardera­tio­nali­teit. De doelratio­naliteit wint daarente­gen in steeds meer levenssferen aan beteke­nis. Dit wil zeggen dat mensen in toene­mende mate denken in ter­men van optima­le doel-middelen-relaties: hoe kan een bepaalde waarde of een bepaald doel met zo weinig mogelijk middelen worden gereali­seerd. Over dat doel, wat het is en waarom het nastre­venswaar­dig zou zijn, buigen zij echter steeds minder het hoofd.[1] In de visie van denkers als Weber, Mannheim en Habermas resulteert uiteindelijk een doelloos handelen zonder ziel en zin.

Wij zien dit, schrijft Van Doorn, bij uitstek op de terreinen van techniek en industrialisering. Terwijl het traditionele werktuig nog een verlengstuk van het handelende individu was, is de mens vandaag een machinebediende wiens handelen wordt bepaald door de rationaliteit van de techniek. Deze rationaliteit krijgt door haar onbetwistbare superieu­re prestaties een onaantastbaar karakter. Zij gaat daarom steeds meer fungeren als voorbeeld voor de ordening en organisatie van menselijke verhoudingen. Naarmate het aantal en de omvang van dergelijke technisch-sociale constructies toenemen, wordt volgens Van Doorn, ‘de maat­schappij steeds sterker ertoe gedreven alle belangrijke vraagstukken te behandelen volgens de logica van technische effectiviteit en efficien­cy.’ (1988: 143) De industrialisering die zich thans we­reldwijd vol­trekt, is hiervan de belangrijkste manifestatie. De huidige explosieve technologische vooruitgang, organisatiegroei en concentra­tiebeweging, alsmede de schaalvergroting in het economisch verkeer en de hier­door toenemende mondiale concurrentie ‘leiden ieder afzonderlijk maar zeker in vereniging tot een versnelde erosie van de specifieke culturele en institutionele omgevingsinvloeden.’ (1988: 144) Zoals Marx reeds voorspelde, gaat de wereld dus meer en meer een ondeelbaar geheel vormen dat overal door dezelfde doelrationaliteit wordt voortbewogen.

Toch zijn het juist substantiële waarden die zin, betekenis en samen­hang aan het leven verlenen, en diversiteit en dynamiek aan de cultuur. Het gedachte­loos realiseren van willekeurige doelen, zoals een machine dat kan doen of een mens aan een lopende band, is betrek­ke­lijk zinledig en ook mensonwaar­dig. Ondanks de beperktheid van de instrumentele rationaliteit lijken de huidige maatschap­pe­lij­ke structu­ren en proces­sen het individu echter in steeds meer sferen te noodza­ken tot deze vorm van denken en handelen. Mensen lijken vaak gevangen in wat Max We­ber betitel­de als een ‘ijzeren kooi’. Zo kunnen ma­nagers van bedrijven zich door de markt ge­dwongen zien zich meer door doelma­tig­heids­overwegingen te laten leiden dan henzelf moreel verantwoord lijkt. Een gemeenschap van burgers kan zich door de buitenlandse economische concurrentie genood­zaakt voelen meer tijd aan betaald werk te besteden, dan zij uit vrije keuze zou doen. Evenzo zijn individu­en in toene­mende mate de gevangenen van steeds meer, door hen zélf gescha­pen organi­sa­ties gewor­den, organisaties die hun ‘totale’ karakter hebben gekregen door een nagenoeg onaf­wendbaar proces van bureau­cra­tise­ring, functionalise­ring en professio­na­lisering. Een ambtenaar, bij voorbeeld, kan zich zeer in zijn vrijheid beperkt voelen door bureau­crati­sche regels, die hem standaard­beslis­singen voorschrij­ven welke losstaan van de concrete, altijd met waarden geladen context waarin hij opereert.

Max Weber had grote angst voor de gevol­gen van dit naar zijn gevoel onom­keer­ba­re en onstuit­ba­re proces. Ons wacht een kille, onpersoonlijke maatschap­pij waarin de waardera­ti­onali­teit in een belangrijk aantal sferen grotendeels door doel­ratio­na­liteit overwoe­kerd zal zijn. De vraag waarmee ook hij reeds worstelde is daarom hoe het rationali­se­rings­proces in bedwang kan worden gebracht.

De instrumen­tele rationa­li­teit, waarvan het economisch denken een uiting en een katalysator is, heeft eerst goed aan haar opmars kunnen begin­nen toen andere, door religie, traditie en cultuur gedragen, substan­tiële rationali­teiten begonnen te ver­vagen. Wanneer men deze opmars tot staan wilt brengen, dan zal men dus nieuwe substantiële rationali­teiten dienen te scheppen. Vervolgens zal men op basis hiervan moeten interveniëren in de huidige blinde processen. Op maat­schappe­lijk niveau achtten denkers als Mannheim het politieke handelen hiervoor het meest adequate werktuig. In de westerse liberale samen­levingen definiëren wij politiek vandaag echter vooral instru­menteel. De politieke democratie is een institutionele ordening waarin wij onze maatschappelijke belangenstrijd met vreed­zame middelen beslechten. Politiek geeft, zoals Harold Lasswell (1936) het ooit definieerde, een antwoord op de vraag ‘Who gets what, when, how’. Steeds minder ruimte is er binnen ons politieke systeem voor een gezamenlijk pogen van burgers om op basis van een inhoudelijk program richting en betekenis te geven aan hun samenleven. Niettemin lijkt slechts een dergelijke conceptie van politiek kansen te bieden op de ontwikkeling van een substantieel rationeel program en op de generatie van de macht en de legitimi­teit die nodig zijn om het rationaliserings­proces te beteugelen.

1.2 Een rem op politiek handelen door differentiëring en individualisering

De kans dat burgers zich politiek organiseren om gezamenlijk inhoud aan hun toekomst te geven, is echter steeds kleiner geworden door de differentiëring en individualisering die met de rationalisering gepaard gaan. Differentiëring houdt in dat steeds meer menselijke activiteiten in een voortdurend groeiend aantal, meer en meer gespeciali­seerde, organisaties en instituties worden onderge­bracht. Individualisering hangt hiermee deels samen. Zij betekent dat mensen zich in afnemende mate definiëren en worden gedefinieerd door hun lidmaatschap van één specifieke groep in de samenle­ving, een groep die zich kenmerkt door een specifiek pa­troon van waarden, normen, gewoon­ten en verwachtingen. Het aantal groeps­lidmaat­schappen neemt toe, maar deze worden tegelijker­tijd betekenis­lozer: in afnemende mate verlenen zij hun leden een identiteit. Het rolrepertoire van mensen groeit in omvang en complexiteit, maar verschaft hen een minder constante, vastomlijnde, coherente en vanzelfsprekende identiteit (cf. T.V.Blokland 2003). Het domein breidt zich uit, zo kan men bovendien stellen, waarin het individu, ongestoord door anderen, dat kan zijn of doen wat in zijn vermogen ligt. Maar dit impliceert geenszins een toeneming van zijn vermogen om meester te zijn over zijn bestaan. Een groeiende negatieve vrijheid betekent niet vanzelfsprekend dat mensen in staat zijn eigen keuzen in het leven te maken en deze keuzen te rechtvaardigen door te verwijzen naar zelfgedefinieerde waarden en doeleinden (cf. Blokland 1997).

Een goed op het bovenstaande aansluitende analyse van het tegenwoordige individualisme geeft Robert Lane. In zijn The Loss of Happiness in Market Democracies (2000) bevestigt hij op basis van een groot aantal empirische onderzoekingen de kritiek op moderne samenlevingen van mensen als Tönnies, Simmel, Fromm, Mumford en Wirth, dat sociale relaties zich hierin kenmerken door oppervlakkigheid, onpersoonlijkheid en instrumentalisme. Steeds meer mensen geven daarom aan geregeld eenzaam te zijn en intimiteit te missen. Er verspreidt zich in de westerse marktsamenlevingen een ‘Machiavellistisch syndroom’: in toenemende mate nemen mensen een manipulatieve houding aan ten opzichte van anderen. Het lijkt alsof zij de wijze waarop zij op het werk met anderen (moeten) omgaan, niet langer kunnen scheiden van de privé-sfeer. Voortdurend wegen zij de kosten en baten van een relatie tegen elkaar af en zodra de kosten te sterk of te lang de baten overtreffen, beëindigen zij haar. Moderne mensen hebben bijgevolg in de regel vele oppervlakkige kennissen, maar zelden goede vrienden (2000: 96). Het moderne individualisme, gedefinieerd als het nastreven van persoonlijke in plaats van gemeenschappelijke doelen, verklaart volgens Lane onze kilheid en eenzaamheid. Hoewel mensen zeggen te verlangen naar ‘warmte’, proberen zij, omdat zij dit als een cruciaal onderdeel van hun welzijn definiëren, voortdurend hun onafhankelijkheid te vergroten. Een onbegrensd streven naar onafhankelijkheid of ongebondenheid leidt echter tot vrijblijvendheid en oppervlakkigheid, en, bovendien, tot een ondermijning van de sociale condities van zelfbepaling (cf. Blokland 1997: ch.4). Omdat intieme, betekenisvolle relaties de belangrijkste bouwstenen vormen van het menselijk welbevinden, is het uiteindelijke gevolg van het tegenwoordige individualisme, dat the self-reported well being of Americans has been on the decline for about three decades. Europe is lagging, as usual, but the trend is in the same direction. Lane signals ‘a kind of famine of warm interpersonal relations, of easy-to-reach neighbors, of encircling, inclusive memberships, and of solidary family life’ (2000: 9). Due to this lack of social support people have become much more vulnerable to the misfortunes of life: illnesses, stress, unemployment, disappointments in relationships, frustrated ambitions, failed expectations, et cetera. The end result is a widespread, but quiet desperation.

De differentiëring en de individualisering hebben belangrijke politieke consequenties. Als gevolg van deze processen, alsmede van de door de rationalisering voortgestuwde economische, sociale en politieke schaalver­gro­ting, wordt het voor individue­le burgers steeds moeilij­ker zich met anderen en met een ‘publieke zaak’ te identifi­ceren. Hierdoor zijn zij in afne­men­de mate bereid en in staat om een gezamenlijk politiek project te realise­ren. In plaats daarvan steken de burgers hun politieke energie vooral in de beharti­ging van deel­belangen. Daarnaast wint het vrijblijvende ‘Greenpeace-model’ van politieke participatie aan populariteit: men bindt zich op abstracte wijze aan een tamelijk abstracte zaak. De politiek als collec­tieve wilsuiting, als de mobilisatie van democra­tische meerder­he­den op basis van een normatief politiek program, verdwijnt uit beeld. Als gevolg hiervan, schrijft Taylor, ont­wik­kelt zich het gevoel dat het electoraat als geheel machteloos is ten opzichte van de staat en de markt en dat het tamelijk naïef en utopisch is te veronder­stellen dat het via de poli­tiek het eigen lot in handen kan nemen (1991: 113). En dus proberen de bur­gers dit ook niet meer. Zij vervreemden van de politiek en ‘de kloof tussen burgers en politiek’ wordt een veelvuldig becommentarieerde klacht. Door de politieke desinteresse en apathie beleven de burgers niet de gezamenlijke ervaring van het politieke handelen, waar­door hun gevoel van hulpe­loos­heid wordt bevestigd en noties van algemeen belang geen kans krijgen zich te ontwikke­len. Aldus wordt het steeds moeilijker de maatschappelijke fragmentatie en het primaat van de in­stru­mentele rede te bestrijden. Het verliezen van de capaci­teit om effectieve politieke meerderhe­den te formeren, typeert Taylor treffend als ‘to lose paddle in mid-river’ (1991: 118).

Modernisering leidt dus op verschillende wijzen tot politieke machteloos­heid. In de eerste plaats is er het probleem van een oprukkende instrumen­tele rationaliteit die ‘ijzeren kooien’ doet ontstaan van schier onbeheersbare structuren en processen van bureaucratisering en economi­se­ring. In de tweede plaats maken de individualisering, de differentië­ring en de vervaging in meer en meer levenssferen van substantiële rationaliteiten het burgers steeds moeilijker om zich met elkaar en een algemeen belang te identificeren. Als gevolg van de erosie van gedeelde waarden en doelein­den neemt de kans af, dat burgers tot politiek handelen overgaan om zo vorm te geven aan hun samenleving. De gedeel­de concep­tie van het Goede leven en de Goede samenle­ving die hiervoor noodzakelijk is, ontbreekt. In de derde plaats, veroorzaken individualisering en differentiëring bovendien een voortdurende groei van de complexiteit, pluriformiteit en onoverzichtelijkheid van de samenleving. Beleids­problemen en -oplossingen op het ene terrein hangen in toenemende mate samen met die op andere terreinen. Problemen, doeleinden en belangen worden steeds meer op zeer uiteenlopende wijzen gedefi­nieerd. ‘Calculerende’, ‘geïndividualiseerde’ burgers laten zich tevens steeds minder aan collectiviteiten gelegen liggen. De samenleving valt te zeer uiteen in verzelf­standigde domei­nen, om haar nog langer te kunnen beheersen.

Dit brengt ons op het pluralisme.

2 Pluralisme, polyarchie en incrementalisme

De machteloosheid die het bestaande politieke bestel vandaag naar het gevoel van velen tentoonspreidt zou dus veroorzaakt kunnen zijn door de modernise­ring. Eerder opperde ik dat de betreffende systemen van politiek en beleid ook daarom geen tegenwicht tegen dit proces kunnen bieden, omdat zij hiervan in te hoge mate een vertaling en neerslag zijn. Een nadere analyse van deze systemen is dus opportuun. In de volgende twee delen van deze studie zal ik dit vooral doen aan de hand van (de ontwikkeling in) het werk van de Amerikaanse politicologen Robert Dahl en Charles Lindblom. De keuze voor een analyse van het werk van auteurs uit de zogenaamde pluralis­me-school is gebaseerd op de overweging, dat de theorie van het pluralisme in belangrijke zin een afspiegeling vormt van de bestaande westerse politieke stelsels. De theorie beschrijft en recht­vaardigt in hoge mate hun inrichting en heeft deze tegelij­kertijd mede bepaald. Om de sociale, politieke en bestuur­lijke problemen te onderzoe­ken waarmee deze stelsels heden ten dage kampen, is het derhalve op zijn plaats om de uitgangs­punten van de pluralisme-theorie te explicite­ren en te evalueren. Hierin kunnen immers reeds de kiemen liggen van de huidige proble­men.

Het politieke systeem in de huidige westerse liberale democratieën zou men met Dahl en Lindblom kunnen definiëren als een ‘polyarchie’ (1953). Nauw hiermee verbonden is een specifieke, met name door Lindblom (1959, 1963, 1965) onderzochte ‘incrementalistische’ wijze waarop beleid tot stand komt. De polyarchie en het incrementa­lis­me zijn beide gebaseerd op een aantal metafysische, epistemologi­sche en ethische uitgangs­punten die typerend zijn voor het westerse liberale of humanistische denken. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn de overtuigingen, dat er vele nastrevens­waardige, doch geregeld confligerende waarden zijn die, wanneer zij botsen, onvermijdelijk tegen elkaar moeten worden afgewogen; dat de gewichten van onze waarden mede afhankelijk zijn van de omstandigheden en dat wij daarom, iedere keer nadat deze omstandigheden zijn gewijzigd, de relatieve gewichten van onze waarden moeten herdefiniëren; dat de mogelijkheid om een bruikbare, veelomvattende, consistente normatieve politieke theorie te ontwikkelen zeer beperkt is; dat individuele vrijheid en hieraan verbonden politieke vrijheden als vrijheid van meningsui­ting en vergadering gewenst zijn om een ieder in de gelegenheid te stellen een eigen definitie van het Goede leven te formuleren; dat de staat neutraal behoort te staan ten opzichte van de door de burgers geformu­leer­de concepties van het Goede leven; dat de belangrijkste waarden die individuen in een moderne samenleving nastreven, worden gerealiseerd via groepen en dat individuen vooral via deze groepen hun waarden en belangen uitdrukken en verdedigen; dat de democra­tie een besluitvormingsmethode vormt met behulp waarvan tegenstrijdige maat­schappelijke belangen tegen elkaar worden afgewo­gen; dat de maat­schappelijke werkelijkheid doorgaans veel te complex is om haar zinvol in één theorie te kunnen beschrijven en verklaren; en dat wij beleids­problemen zelden volledig kunnen begrijpen en in één keer van een oplossing kunnen voorzien. Deze en andere, nog te bespreken, uit­gangs­punten vormen een enigs­zins coherent geheel dat kan worden betiteld als de politieke theorie van het pluralisme. In het volgende zal ik dit pluralis­me en de samenhangen­de modellen van politiek en van beleid die er een onderdeel van zijn, kort toelichten. De uitgangspun­ten van het incre­men­talisme komen hierbij het eerst aan bod. Deze werpen het scherp­ste licht op het probleem van de heden­daagse politieke onmacht.

Incre­menta­lis­tisch beleid kenmerkt zich door een aanhou­dende stroom van marginale, door verschillende maat­schap­pelijke actoren of ‘partners’ gedra­gen beleids­maat­regelen of -aanpas­singen. De beleidsmakers trachten hierbij niet zozeer een welom­schre­ven langetermijndoel te realiseren. Eerder pogen zij een practische bijdrage te leveren aan het verlichten van een dringend kortetermijnpro­bleem. Het beleid komt stukje voor stukje, incre­men­teel, tot stand in een conti­nu proces van onder­hande­lingen tussen be­lang­hebben­den uit de samenle­ving, het bedrijfsleven, de politiek en de overheidsbureaucratie. De besluitvorming is het product van een niet aflatend conflict over de instrumen­ten, waarden en doeleinden van het te voeren beleid.

Pluralisten achten het incrementalisme zowel een descriptief als een prescriptief model. Het geeft niet alleen een feitelijke beschrijving van de beleidsprocessen in open westerse demo­cratieën, het biedt hiervan ook een normatieve rechtvaardiging. Anders ligt dit met het zogenaamde synopti­sche model, dat de pluralis­ten definiëren als de tegenhanger van het incremen­talisme. Dit model zou vooral prescriptief van aard zijn en in de praktijk zelden of nooit gereali­seerd (kun­nen) worden. Zij die binnen dit model menen of pogen te werken gaan uit van een funda­mentele consen­sus onder de verschil­lende actoren over de instrumen­ten, waarden en doelein­den van het beleid, van een hoge mate van maak­baarheid van de samen­leving en van de beschik­baarheid van vol­doende informa­tie, kennis en kunde om dit mogelijk te maken. Synop­tisch beleid komt tot stand door een uitputten­de, rationele afweging van de alterna­tie­ve in­strumen­ten (en hun consequen­ties) om een rationeel gepland, langetermijndoel te realise­ren.

Ter verklaring van de samenhang tussen incrementalisme en democratie wijzen de pluralisten er doorgaans onder andere op, dat het bestaan van vele invloedrijke, van de staat en van elkaar onaf­hanke­lijke en door eigen waarden en belangen voortbewo­gen organisaties kenmer­kend is voor open, democrati­sche samenle­vingen. In onze westerse politieke stelsels beïnvloeden de individuele burgers niet primair via een directe vorm van democratie het overheidsbe­leid. Zij doen dit veeleer indirect via het zoge­naam­de maat­schap­pe­lijke midden­veld, het geheel van min of meer autono­me organi­sa­ties dat als een intermediair en een buffer tussen de individu­ele burger en de staat fungeert. De vooraanstaande rol die deze organisaties spelen, is één van de redenen waarom Dahl en Lindblom niet van een demo­cratie, maar van een polyarchie spreken. Als gevolg van hun activiteiten worden beslis­sin­gen niet door één ratio­nele actor, vanuit één centraal punt geno­men, maar gefrag­men­teerd (disjoin­ted). Het uiteindelijke resul­taat van hun veelal tegen­gestelde belangen en invloeden is een min of meer ‘orga­nisch’ gegroeid geheel van maatre­gelen, afspra­ken en ge­woon­ten: een onvermij­de­lijk wankel, voorlopig compromis zonder een diepgaande achter­liggende ratio, zonder een coherent en consis­tent plan ter realisering van een verrei­kend, welom­schreven doel.

Kiest men voor een open democratische samenleving, dan kiest men volgens de pluralisten dus ook voor een incrementalistisch beleid. Ter verdere recht­vaardi­ging van het incrementalisme benadrukken zij voorts onder meer, dat de me­ningsverschillen over de doeleinden en instrumenten van het beleid te groot zijn, dat de samen­le­ving te complex en te gefragmenteerd is en dat de beleids­makers over te weinig kennis, informatie en middelen be­schik­ken om op verantwoorde wijze ver­strekkende en veelom­vat­tende beslis­singen te kunnen nemen. Het is daarom beter voor­namelijk margina­le wij­zigingen van de status quo door te voeren en geleide­lijk ‘voort te mod­de­ren’. Bij kleine aanpas­singen kan minder fout gaan en zijn eventu­ele misgrepen eenvou­diger te corrigeren. Bovendien worden margina­le verande­ringen in het alge­meen eerder aanvaard­ dan radica­le. De maatschap­pelijke steun die, zeker in een democratie, voor het welsla­gen van over­heidsbe­leid onont­beer­lijk is, wordt dus eenvoudiger verkre­gen.

3 Twijfels over incrementalisme en polyarchie binnen de politicologie

Vanaf het einde van de jaren zestig kentert in de politicologie de waarde­ring van het incrementalis­ti­sche beleidsmodel en van het polyarchi­sche politieke model dat hier mede aan ten grondslag ligt. Juist omdat zij behoren tot de grondleggers van de betreffende ideeënstel­sels is het opmerke­lijk, dat ook Lindblom en Dahl in toenemen­de mate door twijfels zijn bevangen. Meer en meer is men zich in de literatuur drie vragen gaan stellen. Ten eerste, in welke mate leveren deze modellen (nog) een adequate empirische beschrij­ving van de bestaande politieke en beleidspraktijk? Ten tweede, dienen wij deze modellen en praktijken (nog) wel zo positief te waar­deren, dit zeker gezien de aard van de proble­men waarvoor de westerse samenlevingen zich vandaag gesteld zien? En, ten derde, wat zijn de eventuele alter­natieven?

Vooral de rol van de belangengroepen, die centraal staat in de theorie van het pluralisme, is men kritischer gaan bezien. Zo wijst Dahl op de moge­lijkheden dat deze groepen sociale ongelijkheden helpen continue­ren, de burger­zin of het besef van een algemeen belang onder­mijnen, de publieke agenda verwringen, en de burger van de controle over deze agenda afhouden (1976, 1982, 1994c, 1998). Is het pluralisme niet vervallen, zo luidt onder meer de vraag, tot een wat Theodor Lowi (1969) noemt, inte­rest-group libera­lism waarin oli­gar­chisch georga­ni­seerde belangen­groeperingen, al dan niet samen met ambte­lijke organi­sa­ties, in een ondoor­zichtig onderhan­de­lingsproces die beslissin­gen nemen, die in een waarlij­ke democratie aan de politiek zijn voorbe­houden?

Lindblom heeft zich in zijn kritiek op belangengroeperingen geconcen­treerd op, wat hij typeert als, de ‘geprivilegieerde positie’ van het bedrijfsleven (1976, 1977, 1990, 2001). Aanvanke­lijk stelden hij en andere pluralisten private ondernemin­gen op één lijn met andere onafhankelijke organisaties. De eenzijdigheid van de belangen die ondernemers behartigen, zouden andere belangengroepen compenseren. In zijn latere werk noemt Lindblom dit een onvergeeflijke naïveteit. Onderne­mingen beschikken over onvergelijkbaar meer politieke hulpbronnen (geld, kennis, organisatie, relaties) en dus politieke macht dan andere belangen­groeperingen. Daarnaast, en belangrijker, zullen hun vertegenwoor­digers altijd een meer dan gewillig oor bij de overheid vinden, daar deze voor haar publieke legitimiteit in hoge mate afhanke­lijk is geworden van het functioneren van de private sector. Lindblom acht het voorts naïef om te veronderstellen dat onder­ne­mingen volledig via de markt worden gestuurd en dat dus uiteindelijk de consumenten hun beleid bepalen. Onder­nemers nemen tal van besluiten met vergaande gevolgen voor individuen, groepen en zelfs samenle­vingen, die hen niet of nauwelijks door de markt, casu quo de consu­ment, worden opgedron­gen. Het betreft hier onder meer besluiten over de vestigingsplaats, de te gebruiken technolo­gie, de productont­wik­ke­ling of innovatie, de bemensing van het management, de belonings­structuur, de arbeidsverhoudingen. De beslisbe­voegdheid over deze maat­schappelijke kwesties is in onze liberale politieke systemen goeddeels aan individuele ondernemers overgedragen. Bijgevolg bevinden zich volgens Lind­blom in deze systemen de facto twee elites: een politieke, die de burgers nog enigszins, maar veel te beperkt, ter verant­woording kunnen roe­pen en een economische, die grotendeels vrij spel heeft.

Een ander pro­bleem van de huidige polyarchische stelsels hangt eveneens samen met de positie van belangengroeperingen. Dahl en Lindblom (1976: xxii) achten dit hun onvermo­gen om collectieve doeleinden te realiseren. De betreffende stelsels zijn voornamelijk ingericht om de verzoening van tegengestelde particularisti­sche belangen mogelijk te maken en om machtsconcentraties te voorkomen. Zeker de grondleggers van de Verenigde Staten hadden niet als doel om politieke macht te creëren en effectief te maken, maar om haar te beteugelen. Boven­dien waren zij sterk geneigd het bestaan van een algemeen belang te ontken­nen en politiek vooral op te vatten als een voortdurend onderhandelings­proces over de verdeling van schaarse materi­ële en immateriële hulpbronnen. Dit verklaart de grote plaats die belangengroeperingen en onderhan­delings- en ruilprocessen hierin innemen. Het gevaar dreigt nu volgens Dahl en Lind­blom dat deze sociaal-politieke systemen ‘structu­reel onmachtig’ blijken te zijn om een nieuwe categorie van problemen het hoofd te bieden. Deze problemen zijn niet distributief, maar collectief van aard. De milieuvervui­ling, de uitputting van grondstoffen, de tweedeling in de samenleving en de kloof tussen de rijke en de arme landen zijn hiervan voorbeel­den. Lindblom vreest dat de bestaande polyarchieën onvoldoende mogelijkheden bieden voor de noodzakelijke mobilisatie van meerderheden en voor het noodzakelijke collectieve handelen. Er zal ruimte gescha­pen moeten worden voor de realisatie van publieke belangen daar de polyarchie, schrijft Lindblom reeds in de jaren zeventig, anders niet zal kunnen overleven (1977: 166).

Als gevolg van het, mede door de belangengroepen veroorzaakte, onvermo­gen van het politieke bestel om dringende publieke belangen te verwerkelijken, is voorts zijn legitimiteit onder druk komen te staan. Ook Dahl en Lindblom constateren dit. In navolging van velen schrijft de politicoloog P.B.Lehning in het midden van de jaren tachtig, dat er geen overeen­stemming (meer) bestaat over het antwoord op de vraag wat de juiste politieke orde is, wat de taken van de staat behoren te zijn en wat rechtvaardi­ge eisen aan de overheid zijn. Dit leidt er volgens hem toe dat georgani­seer­de ‘deelbe­langen ongeli­miteerd worden nagejaagd en zo het “algemeen belang” .. in gevaar brengen’ (1986: 6). Er is geen consen­sus meer over norma­tieve criteria op basis waarvan de beleidsmakers de overdaad aan vaak tegenge­stelde eisen die vanuit de samen­leving aan het openbaar bestuur worden gesteld, tegen elkaar kunnen afwe­gen of kunnen afwijzen. Dit heeft een permanente overvraging en overbelas­ting van de overheid tot gevolg. Velen bevelen om deze reden een funda­menteel politiek debat aan over de waar­den en doeleinden van onze samenle­ving, een debat waaraan het merendeel van de betrokken politicologen overigens vervolgens zelf nauwelijks een bijdrage levert.

De kwestie is, kortom, of de beleidsma­kers binnen de be­staande polyarchi­sche politieke systemen (nog) in staat zijn om door incre­men­talistisch beleid de problemen van de huidige tijd op te lossen. Vergt een ant­woord op problemen als milieubederf, broeikaseffect, biotechnologie en -industrie, sociale uitsluiting en desintegratie, ‘urban sprawl’, gebrek aan politieke legitimiteit, de voortdurende uitbreiding van de economische sfeer, de tijdsdruk waaraan mensen steeds meer worden blootgesteld, criminaliteit, de snelle verbreiding van klinische depressies en gevoelens van onbehagen, wantrouwen en eenzaamheid (Lane 2000), et cetera, niet meer politieke visie en sturing dan deze modellen van politiek en beleid genereren? Zijn incre­menta­lis­me en polyar­chie niet te zeer verbon­den (gera­akt) met immobi­lisme, stuur- en richting­loosheid, kortzich­tige particu­laristi­sche belangen­behartiging en beperk­te instrumentele rationali­teit om (nog) een uitweg te kunnen bieden? Of, specifie­ker: wanneer men, zoals de Ameri­kaanse pluralis­ten oorspronke­lijk hebben gedaan, model­len van politiek en beleid ontwerpt die uitgaan van een gefrag­menteer­de, geïndividualiseerde en onbe­heersbare samenleving waarin geen gedeelde opvattingen bestaan over het algemeen belang, kan men zich er dan nog over verbazen wanneer de betref­fen­de samenlevingen in toenemende mate al deze kenmer­ken gaan vertonen?

4 Bevestiging van de polyarchie en het incrementalisme in de politiek

Binnen de politieke wetenschap groeien er dus vanaf het einde van de jaren zestig gaandeweg meer en meer twijfels over het polyarchische en incrementalistische model. Onder tal van politici, journalisten en andere opinie­makers, echter, neemt de populari­teit van deze model­len in de jaren tachtig en negentig steeds grotere vormen aan. Het zouden juist de bestaande westerse politieke orden zijn die hun superiori­teit boven alle andere modellen hebben bewezen. Zij markeren zelfs ‘het einde van de geschiedenis’: alle maatschappijen ontwikkelen zich naar deze organisa­tie­vorm en het zou ook gebleken zijn dat zij de hoogst haalba­re is. De ineenstorting van het ‘communisti­sche’ Oostblok zou ‘het gelijk van rechts’ en de superioriteit van ‘het liberalis­me’ hebben aange­toond. Wereldwijd, zo poneert onder anderen Francis Fukuyama (1989), zal de politiek van nu af aan uit niet meer bestaan dan een eentoni­ge, eindeloze reeks incremente­le beleidsaan­passingen en verzoenin­gen van materiële belangente­genstellingen. De ‘Grote Verhalen’ zijn uitgelezen. De ‘geïndividualiseerde’ burgers zijn trouwens mondig, onaf­hankelijk en autonoom geworden en hebben ook geen behoef­te meer aan collectieve idealen en organisa­ties. De politiek zou deze emancipatie behoren te honoreren door de samenleving te bevrijden van knellende regelin­gen, institu­ties en structuren.

Het is een visie op de maatschappelijke werkelijkheid die vele politici, journalisten en andere opiniemakers uit­dra­gen en die zij tegelij­kertijd met het eigen denken en handelen bevestigen. Concepten als deregule­ring, privatise­ring, marktwerking, decentrali­sering, flexibilise­ring, individualise­ring zijn vanaf de jaren tachtig de leidmo­tieven in het publieke debat.[2] De modernise­ring van de samenleving krijgt door dit, voorna­melijk in clichés verwoorde, gedach­tegoed een enorme additionele impuls. Tegelijkertijd groeit binnen de samenle­ving het onbehagen over het bestaande politieke systeem. De ‘kloof tussen de burger en de politiek’ en de wijdverbreide desinteresse in en het cynisme over de politiek worden veel­bespro­ken thema’s. De gegroeide euforie over het eigen gelijk frustreert echter een grondige analyse van de oorzaken van dit onbehagen.

Ook de in Europa en in de twintigste eeuw belangrijkste tegenstander van een ongebrei­delde en onbe­heerste modernise­ring, de sociaal-democratie, blijkt voor het ‘moderne’ gedachtegoed vatbaar. Het socialisme was, stelde ik reeds hierboven, een protest tegen een samenleving die vooral op functioneel rationele wijze is georganiseerd. Substantiële rationaliteit stond centraal in zijn maatschappijvisie. Socialisten verzetten zich tegen individualisering wanneer dit voornamelijk gedefinieerd dreigde te worden als een toeneming van negatieve vrijheid. De positieve vrijheid beschouwden zij van niet minder belang (cf. Blokland 1995).[3] Zij bestreden differentiëring en individualisering wanneer deze processen de ontplooiing van dit vermogen tot zelfbepaling dreigden te frustreren en wanneer deze processen vooral leken te leiden tot een kille, atomistische contractsamenleving. Ook de sociaal-democratie is echter inmiddels ‘gemoderni­seerd’. De eisen van de moderne tijd en de moderne kiezer zouden het verwerpen van tal van traditionele uitgangspunten en idealen noodzakelijk hebben gemaakt. De sociaal-democratie is samen met het marktliberalisme een katalysator van de modernisering geworden. Pogingen zijn opgegeven om cultuurpolitieke doeleinden te realiseren, die afwijken van waar de bestaande maatschappelijke processen ons brengen.

Belangrij­ke gesigna­leerde problemen van de liberale systemen als particularisme en richting­loosheid verhielpen sommige sociaal-democraten door het pro­bleem te herdefini­ëren. Zij stelden dat men slechts van onbe­stuur­baar­heid kan spreken wanneer men het uitgangspunt koestert, dat de overheid in principe in staat is de maatschappij te beheersen en te leiden. Laat men dit uitgangspunt vallen, hetgeen de pluralis­ten altijd al deden, dan behoeft men zich ook minder zorgen te maken over de ervaren machte­loos­heid. Een dergelij­ke redenering is bijvoorbeeld te vinden in het in 1982 door het wetenschap­pelijke bureau van de Partij van de Arbeid gepubli­ceerde boek De Illusie van de 'Democrati­sche Staat'. [4] De socio­loog Paul Kalma betoogt hierin op intelligente wijze, dat een democra­ti­sche staat in een open pluralisti­sche samen­le­ving onvermijde­lijk bloot staat aan vele verschil­lende en vaak tegen­strijdige wensen en invloe­den en vanzelf­sprekend weinig mogelijk­heden heeft om de burgers een bepaald gedragspa­troon af te dwingen. Een sterke staat is derhalve per definitie onmogelijk in een democratie. De democra­tie moet ook niet worden gezocht in de relatie tussen staat en samenleving, doch in de samenleving: in de relaties of conflicten tussen maatschappelijke groeperingen. De politiek dient primair het procedurele kader te scheppen waar­in de desbetref­fende ‘hori­zonta­le coördinatie’ kan plaatsvinden. Deze ‘sociale democra­tie’ dient zo veel als dat mogelijk en wenselijk is de politieke democra­tie, de verticale coördi­na­tie tussen staat en maatschappij, te vervangen. Nadien is deze ontwik­keling van het denken vele malen binnen de Partij van de Arbeid bekrach­tigd. Zij staat ook niet op zich, maar is exempla­risch voor de veranderin­gen die zich in de loop van de jaren tachtig en negentig binnen een belangrijk deel van de Europese sociaal-democra­tie hebben voorgedaan.[5] Het Engelse ‘New Labour’ van de socioloog Anthony Giddens en de politicus Tony Blair is hierin het verst gegaan.[6]

Het postmodernisme vormt een andere belangrijke hedendaagse bekrachtiging van het pluralis­me. Zijn aanhangers nemen de fragmentatie, versplintering, onkenbaar­heid, onvoorspelbaarheid en chaos van de werkelijkheid als uitgangs­punt, verwelkomen dit alles zelfs als een bevrijding, en trans­formeren het filosofisch pluralis­me dat aan het politiek pluralisme ten grondslag ligt in relativisme en scepticisme (zie voor een Nederlands voorbeeld: Frissen 1991, 1996 en 1999). Hierdoor versterken zij in ongekende mate de neiging der pluralisten te veronderstellen, dat geen enkel belang algemeen valt te rechtvaardigen en dat beleid zelden meer kan zijn dan het ongeplande product van een veelvoud van invloe­den en doeleinden. De traditionele politiek wordt opgegeven.

Dahl en Lindblom hebben de ontwikkeling van het politieke en publieke debat met verbazing en ook enigszins droef gestemd gevolgd. Van schijnbare verdedigers van het bestaan­de politieke bestel zijn zij, vanaf het midden van de jaren zeventig, gaandeweg veranderd in gedre­ven critici. Het is curieus dat de ontwikkeling die zij in hun denken doormaken tegenge­steld is aan die van het merendeel van de West-Eu­ro­pese sociaal-democraten: terwijl Dahl en Lindblom opschuiven van het sociaal-liberalisme naar de sociaal-democratie, begaan de laatstge­noemden deze weg in de andere richting. Terwijl dus de Europese sociaal-democraten meewerken aan het omvormen van de bestaande verzor­gingsmaat­schappijen naar Amerikaans model, bepleiten Dahl en Lind­blom krachtiger dan ooit de introduc­tie van West-Europese verzorgingsarrangementen in de Verenigde Staten. Terwijl de sociaal-democraten de overheid afzweren als het belangrijk­ste instrument voor maatschappelijke sturing en politieke wilsuiting en haar meer en meer zien als slechts één van de deelnemers aan, wat Lindblom (1965) betitelt als, processen van partijdige weder­zijdse aanpassing, bepleiten Lindblom en vooral Dahl een centraler en krachti­ger rol voor dezelfde overheid. Terwijl de sociaal-democra­ten de mogelijkheid om visies op het algemeen belang te argumente­ren meer en meer relativeren, bepleit vooral Dahl in toenemende mate de ontwikkeling van dergelijke visies. Terwijl de sociaal-demo­craten de politiek steeds minder zien als de organisatie van effectieve meerder­heden op basis van beredeneerde utopieën, pleiten Dahl en Lindblom juist voor een dergelijke invulling van de politiek en nemen zij afstand van het polyarchische alternatief: de strijd tussen minderheden om de verdeling van de beschikbare gelden, privileges en posities. Terwijl de sociaal-democraten meewerken aan processen van privatise­ring, deregulering, decentralise­ring, waarschuwen Dahl en Lind­blom hiertegen. Terwijl de sociaal-democra­ten het vrije onderne­mer­schap in al zijn manifestaties aanvaarden en bevorderen, bepleiten Dahl en Lindblom een vergaan­de democratisering van de private sector. Et cetera.

De merkwaardige situatie doet zich, kortom, voor dat een groot aantal politici, journa­listen, postmodernistische academici en andere opiniemakers in de jaren tachtig en negentig het einde van de geschiedenis en de eindoverwinning van het (markt)liberalisme proclameert, terwijl tal van politiek theoretici zich in toenemende mate genoodzaakt zagen zich van dit algemeen bejubelde liberalisme te distantiëren en werden bevangen door Another state of mind.[7]Wat op theore­tisch niveau kan, blijkt op practisch niveau nauwelijks te lukken. Het pluralistische stelsel reprodu­ceert zichzelf en lijkt niet in staat deze reproductie te doorbreken.

5 Vragen

Kortom, in dit boek staan verschillende vragen centraal. Ten eerste, in hoeverre hebben burgers in een door de modernisering getekend politiek systeem, een systeem dat bij uitstek wordt beschreven en gerechtvaardigd door het pluralisme, (nog) mogelijkheden om gezamenlijk invloed uit te oefenen op de inrichting en de ontwikkeling van hun samenleving? Wat zijn, met andere woorden, de gevolgen van de processen van rationalisering, individualisering en differentiëring voor de democratie? Deze kwestie is niet nieuw. Reeds aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw hielden tal van politieke en sociale theoretici zich met haar bezig. Representatief voor de in deze tijd geformuleerde denkbeelden en bij uitstek relevant voor ons doel zijn de ideeën van Weber, Mannheim en Schumpeter. Gedrieën leveren zij een diepgaande analyse van de modernisering en een expliciete en coherente formule­ring van een door de moderniteit doordrenkt denken over politiek en democratie. De sociale en politieke problemen die de modernisering in hun opvatting veroorzaakt, confronteren bovendien bij uitstek onze tegenwoordige samenleving. Het vermogen deze problemen op te lossen, bepaalt de politieke geloofwaardigheid van de pluralistische theorie en de huidige maatschappelijke orde.

Het is, ten tweede, merkwaardig dat de in deze inleiding kort beschreven tegengestelde ontwikkelingen van het Amerikaan­se pluralisme en de Europese sociaal-democratie hebben kunnen plaatsvinden. De betreffende ontwikkelingen hebben zich afge­speeld binnen, voor wat betreft hun sociaal-economische en politieke ordening, redelijk vergelijkbare samenlevingen en gedurende eenzelfde periode. De wijzigingen die zich in het sociaal-democratische gedach­tegoed hebben voltrokken, zijn doorgaans voorgesteld als een onontkoombare ‘modernisering’ of aanpas­sing aan ‘de realiteit’. Wat is echter de relatie tussen ‘de realiteit’ en een politieke theorie? Wanneer hier inder­daad sprake was van onont­koombaarheid, hoe kunnen Dahl en Lindblom dan ideeën propage­ren die Europese sociaal-democraten juist afzweren? Het is een gegeven dat het sociaal-democratische gedachtegoed in belangrij­ke mate de ontwikkeling heeft gevolgd van de binnen de samenleving vigerende ideeën en sentimenten. Maar wat heeft deze laatste ontwikkeling bepaald? Zou het in het algemeen zo kunnen zijn dat sociaaldemocraten en liberals, maar ook conservatieven en christendemocraten, geen andere optie hebben om de ideeën en sentimenten te volgen die door dezelfde modernisering worden gevormd die zij zouden willen beheersen? Opnieuw een reden te meer om de politieke consequenties van de modernisering nader te onderzoeken. 

Een laatste, met het voorgaande samenhangende vraag betreft de kwestie van vooruitgang in ons denken. Veel tegenwoordige sociale en politieke theorieën en analysen vertonen een grote gelijkenis met theorieën en analysen uit vroeger tijden, ook al zijn de betrokkenen zich hiervan zelden bewust. Dit betrekkelijke gebrek aan vooruitgang is uiteraard deels inherent aan de wetenschapstheore­tische mogelijkhe­den van de betreffende disciplines die in hun aard van een fundamenteel andere orde zijn dan de natuurwetenschappen. Daarnaast is zij evenwel het gevolg van een wijdverbreid gebrek aan kennis over de ontwikkeling van het eigen vakgebied en dat van relevante verwante vakgebieden[8], alsmede van een algemene hang naar vernieu­wing en originaliteit.[9] Op zoek naar erkenning weigeren politicologen in toenemende mate voort te bouwen op of zelfs maar kennis te nemen van het werk van voorgangers. Bijgevolg kunnen zij voortdurend suggereren het wiel te hebben uitgevonden. Omdat boeken die ouder zijn dan drie jaar niet alleen uit de schappen van de winkels verdwijnen, maar vrij snel daarna ook uit het collectieve geheugen van de betrokken wetenschapsbeoefenaren, is de kans klein dat iemand deze vorm van wetenschappelijk bedrog zal opmerken.[10] Eén van de motieven om het werk van Weber, Mannheim, Schumpeter, Dahl en Lindblom over de laatste halve eeuw te analyseren, is te onderzoeken in hoeverre theorieën en inzichten van soms bijna een eeuw oud inmiddels inderdaad zijn verouderd. Het zal blijken dat dit werk een opmerkelijke actualiteit bezit en naadloos valt te passen in tegenwoordige debatten over de toestand en de toekomst van onze politieke stelsels.

 



Noten

[1] Voortbordurend hierop maakt Karl Mannheim het analoge onder­scheid tus­sen substantiële en functionele rationaliteit (zie hoofdstuk 3). Van het eerste is sprake wanneer iemand een gebeurtenis waar­deert en begrijpt vanuit een breder ka­der. De betrokkene poogt om vanuit een bepaald waardenpatroon de werke­lijk­heid als een betekenisvol geheel te ervaren en te bevatten. Van het tweede is sprake wanneer er georgani­seerd wordt gehandeld om zo effectief en efficiënt moge­lijk een bepaald doel te realiseren. In dit geval spreekt men ook wel van instru­mentele rationaliteit.

[2] Yergin en Stanislaw, die de betreffende trends vooral toejuichen, schrijven in hun The Commanding Heights: The Battle Between Government and the Marketplace that is Remaking the Modern World: ‘Today .. governments are privatizing. It is the greatest sale in the history of the world… Everything is going – from steel plants and phone companies and electric utilities to airlines and railroads to hotels, restaurants, and nightclubs. It is happening not only in the former Soviet Union, Eastern Europe, and China but also in Western Europe, Asia, Latin America, and Africa – and in the United States… In a parallel process that is more far-reaching and less well understood, they are also overturning the regulatory apparatus that has affected almost every aspect of daily life in America for the last six decades… The world over, governments have come to plan less, to own less, and to regulate less, allowing instead the frontiers of the market to expand.’ (1998: 13) Op vergelijkbare wijze stelt Perry Anderson in de New Left Review (2000): ‘For the first time since the Reformation, there are no longer any significant oppositions – that is, systematic rival outlooks – within the thought-world of the West; and scarcely any on a world-scale either… whatever limitations persist to its practice, neo-liberalism as a set of principles rules undivided across the globe: the most successful ideology in world history’ (2000: 17).

[3] In this all socialism had an ambivalent attitude to the Enlightenment. On the one hand it embraced many of its individualistic, naturalistic values, values it therefore shared with liberalism. On the other hand socialists agreed with much of the conservative critique on the Enlightenment. This focused on the liberal abstract view of man and the disruptive effects of a unbounded market on community life (cf. Berki 1977: 18ff; Parekh 1975). A telling manifestation of modernization is that political parties that used to be carriers of this conservative critique, have become fierce defenders of market-liberalism. This liberalism pre-eminently undermines the same family- and community-values these parties state to defend. Examples are the British Conservative Party since Thatcher, the German Christen-Democratic Union since Kohl, the Dutch Christen-Democratic Union since Lubbers and the American Republican Party since Reagan.

[4] Het is op zijn minst curieus te noemen, dat Dahl in hetzelfde jaar Dilemmas of Pluralist Democracy: Autonomy vs. Control uitbrengt, een boek waarin veel van de uitgangspunten van De Illusie van de ‘Democratische Staat’ krachtig worden genuanceerd (zie Deel III).

[5] Voor overzichten, zie: Cuperus & Kandel 1998 and Cuperus, Duffek & Kandel 2001.

[6] To the defense of Giddens it must be said that he, other than e.g. Ulrich Beck (1994), at least in theory acknowledges that new social movements, single-issue groups and other associations of citizens can never take over where government is failing and can never stand in place of political parties. These groups, he rightly writes, ‘cannot as such govern. One of the main functions of government is precisely to reconcile the divergent claims of special-interest groups, in practice and in law.’ (1998: 53) Taking this serious implies, in my view, the building of exactly that kind of political parties New Laborites consider as old-fashioned.

[7] Another State of Mind is de titel van Lindbloms 'presidential address' van 1981 aan de leden van de American Politial Science Association. Hij gaat hierin in op zijn groeiende twijfels over enige van de centrale, zelden betwijfelde uitgangspunten van het pluralisme.

[8] Het gebrek aan kennis onder politicologen van de intellectuele geschiedenis van het eigen vak lijkt sinds de Tweede Wereldoorlog voortdurend toe te nemen. Dahl klaagde hierover reeds veertig geleden (1961b: 25). Onder anderen Farr (1988: 1175), Ricci (1984: 313) en  Farr, Dryzek & Leonard (1995: 5) volgden hem.

[9] Uiteraard is originaliteit van belang daar wetenschappelijke vooruitgang hiervan afhankelijk is. Echter, schrijft David Ricci, ‘novelty is also forced upon all scientist as a form of self-advertisement, since elaborating the obvious engenders boredom whereas highlighting the unusual attracts favorable attention. Under the circumstances, there exists the possibility that in some fields of science, where many truths are fully known, the emphasis on novelty will detach itself from social utility and come to constitute little more than its own reward. A considerable gap between truth and novelty seems to have materialized in the field of political studies.’ (1984: 231)

[10] Hoe hoog de omloopsnelheid van publicaties is, illustreert het recente A New Handbook of Political Science (1996). De auteurs pogen hierin in ruim achthonderd pagina’s een ‘state of the art’ te geven van de politieke wetenschap. In een appendix van het overzichtsartikel van de redacteuren Goodin en Klingemann (1996: 27) is berekend hoe lang publicaties in deze discipline meegaan. Hiertoe is uitgezocht in welke jaren de 3403 publicaties zijn gepubliceerd die de diverse auteurs in het handboek aanhalen. Het blijkt dat tweederde van het werk niet ouder is dan twintig jaar en dat slechts 8,6 per cent is gepubliceerd vóór 1960 (overigens blijkt ook dat Dahl op drie collega’s na de meest geciteerde politicoloog aller tijden is en Lindblom de meest geciteerde specialist op het terrein van ‘public policy and administration’). Deze hoge omloopsnelheid zou kunnen duiden op een enorme wetenschappelijke vooruitgang: de literatuur veroudert zeer snel. Ik vrees evenwel dat hier andere mechanismen werkzaam zijn. Vergelijkbare mechanismen constateert Herbert Gans in de sociologie. Zie zijn ‘Sociological amnesia: The shortness of the discipline’s attention span’ (1992).