De Modernisering en haar Politieke Gevolgen

 

Voorwoord

 

 

 

Onderzoekingen hebben, zoals bekend, een ‘context of discovery’ en een ‘context of justificati­on’. Als het goed is, kenmerkt de laatste zich door een ondubbelzinnige probleemstelling en een coherent en consistent betoog. In werkelijkheid, zeker in de mens- en maatschappijwetenschappen, komt het echter zelden voor dat onderzoekingen dermate gepland en schematisch verlopen als doorgaans achteraf wordt gesuggereerd. De ‘context of discovery’ bestaat in hoge mate uit verkeerde afslagen, doodlopende wegen, non-rationele intuïties, vermoedens, vooroordelen, et cetera. Daar is niets mis mee. Zolang deze kronkelende paden maar ergens toe leiden.

Zoals ge­brui­kelijk begon dit onderzoek dus met niet veel meer dan een onbe­haaglijk gevoel. Enerzijds had ik de indruk, dat een aantal ontwikkelingen in onze samenleving de politieke vrijheid van mensen om gezamenlijk en welbewust richting te geven aan hun samen leven, steeds verder inperkte. Deze ontwikkelingen kan men tezamen gemaks­halve beschrijven met de term modernisering. Modernisering is een uitermate complex proces. Zij bestaat grofweg uit een differentiëring, individua­lisering en rationalisering van de samenleving. Rationalisering is hiervan het belangrijkste proces. Zij behelst een groei van het belang van functionele rationaliteit en een vermindering van het belang van substantiële rationaliteit in steeds meer levenssferen. De gevolgen van de modernisering voor de politieke vrijheid stimuleerden het ontstaan van enigszins vage klachten over ‘de kloof tussen burger en politiek’, ‘de malaise van de moderniteit’, ‘politikverdrossenheit’, ‘het einde van de politiek’, ‘het einde van de geschiedenis’, et cetera.

Anderzijds had ik het gevoel dat de voorstellen tot politieke en bestuurlijke vernieuwing die velen in de laatste twee decennia formuleerden en die in tal van landen ook in belangrijke mate werden gerealiseerd, de betreffende politieke onvrede voorname­lijk zouden vergroten. Deze voorstellen zijn een antwoord op deze onvrede of op deels hiermee samenhangende problemen die de verzorgingsstaat volgens de betrokkenen kenmerken. Men kan hier denken aan overbelasting, immobilisme, ‘stroperigheid’, ‘onbeheersbaarheid’, ‘verkokering’ en een gebrek aan legitimiteit. De politieke en bestuurlijke veranderingen die de voorstellen in gang zetten, kan men samenvatten met modieuze termen als ‘privatisering’, ‘verzelfstandiging’, ‘vermarkting’, ‘deregulering’, ‘decentralisering’, ‘flexibilisering’, ‘mondialisering’. De aldus in gang gezette herstructurering van politiek, economie en samenleving vergroot mijns inziens de door velen ervaren politieke machteloosheid of malaise. Zij bevordert namelijk op ongekende wijze dezelfde modernise­ring die ten grondslag ligt aan de wijdverbreide politieke onvrede.

Mijn onbe­haaglijke gevoel, zoniet mijn ergernis, betrof vooral de Europese sociaal-democratie en haar ‘liberale’ Amerikaanse tegenhanger. Vanouds heeft deze ‘progressieve’ politieke stroming een tegenkracht gevormd tegen een ongebreidelde modernisering. In zekere zin vormde de poging om processen van modernisering te beheersen zelfs de bestaansreden van het socialisme en van zijn belangrijkste erfopvolger, de sociaal-democratie. Het socialisme was een protest tegen een samenleving die vooral op functioneel rationele wijze is georganiseerd en was een poging hier een substantieel rationeel alternatief tegenover te stellen. Socialisten verzetten zich tegen individualisering wanneer dit louter gedefinieerd dreigde te worden als een toeneming van negatieve vrijheid, het privé-domein waarin men ongestoord door anderen dat kan doen, wat in zijn vermogen ligt. De positieve vrijheid, het vermogen zelfstandig richting aan het leven te geven, achtten zij zeker zo waardevol. Socialisten verzetten zich tegen differentiëring en individualisering wanneer deze processen de ontplooiing van dit vermogen dreigden te bemoeilijken en wanneer deze processen vooral leken te leiden tot een kille contractsamenleving van naamlozen. Ook de Europese sociaal-democratie en het Amerikaanse liberalisme zijn evenwel in de laatste twintig jaar ‘gemoderni­seerd’. Tal van normatieve uitgangspunten en idealen zijn als overbodige, achterhaalde ballast overboord gezet. De eisen van de moderne tijd en de moderne kiezer zouden dit onontkoom­baar hebben gemaakt. De precieze redenen hiervoor bleven vaak onduidelijk en dubbelzinnig. De consequentie is echter dat de sociaal-democratie samen met het marktliberalisme een stimulerende kracht achter de modernisering is geworden en iedere poging lijkt te hebben opgegeven om cultuurpolitieke doeleinden te realiseren, die de bestaande maatschappelijke processen overstijgen.

 

Het hoofdthema van mijn onderzoek vormde dus de politieke gevolgen van de modernisering: wat zijn de gevolgen van dit proces voor de positieve politieke vrijheid van burgers om gezamenlijk richting en inhoud te geven aan hun samenleven? Als een eerste kapstok voor het betoog gebruikte ik het denken van de Amerikaanse politicologen Robert A. Dahl en Charles E. Lindblom. Hierop zal ik vooral ingaan in het tweede en derde deel van deze studie. Hun gezamenlijke oeuvre beslaat inmiddels ruim een halve eeuw en geeft een overzicht van bijna alle debatten die zich in deze periode binnen het politieke denken hebben afgespeeld. Ik koos hiervoor omdat hun theorie van het pluralisme, zeker tot het midden van de jaren zeventig, bij uitstek kan worden gezien als een neerslag en een rechtvaardiging van de modernisering. Zo gaan pluralisten uit van een gefragmenteerde en geïndividualiseerde samenleving, bevelen zij goedbeschouwd maatschappelijke fragmentatie aan ter voorkoming van machtsconcentratie en ter bevordering van de kwaliteit van de maatschappelijke besluitvorming, en hechten zij weinig geloof aan de mogelijkheden rationeel over waarden te argumenteren en op basis van een doorwrocht, substantieel-rationeel plan de samenleving te sturen. De oorspronkelijke theorie van het pluralisme lijkt bovendien een buitengewoon lucide verdediging te bieden van de bestaande sociaal-politiek-economische ordening.

Aan de hand van het pluralisme wilde ik nu laten zien, dat een maatschappij die was ingericht op een pluralistische grondslag, nimmer in staat was over de eigen schaduw heen te springen. Haar burgers zijn derhalve in hoge mate onmachtig om oplossingen te formuleren voor de problemen die ten dele of geheel door de modernisering zijn en worden veroorzaakt. Men denke hier aan de politieke en sociale richtingloosheid, machteloosheid en vervreemding.

Toen ik het omvangrijke oeuvre van Dahl en Lindblom begon door te werken, kwamen er echter steeds meer vragen op. Zo bleken Dahl en Lindblom in hun latere werk een enorme radicalisering te hebben doorgemaakt: van bejubelde en verguisde, al dan niet schijnbare apologeten van de status quo, waren zij verworden tot felle critici van de bestaande maatschappelijke orde. Zelf menen zij evenwel dat zij hun kritiek uiten binnen het traditionele kader van het pluralisme, hetgeen ik betwijfel. Daarnaast bleken beiden reeds in hun vroege werk, waartoe het indrukwekkende Politics, Economics, and Welfare (1953) behoort, tamelijk sociaal-democratische opvattingen te hebben gehuldigd. Hun intellectuele ontwikkeling had hiermee een opmerkelijk verloop: van links naar rechts naar links. Merkwaardig was ook dat deze ontwikkeling precies tegendraads verliep ten opzichte van de maatschappelijke trend. Hoe viel deze tegendraadsheid te verklaren? Hiermee samenhangend viel mij op dat tal van ideeën die vandaag in de sociaal-democratie (en ver daarbuiten) gemeengoed zijn geworden, in de jaren vijftig en zestig reeds uitvoerig door Dahl en Lindblom waren verwoord en gerechtvaardigd. Zij meenden echter goede redenen te hebben om een aantal van deze ideeën grondig te herzien. Hoe kunnen in hoge mate overeenkomstige theorieën over de inrichting van de maatschappij op hetzelfde moment als onhoudbaar en als noodzakelijke aanpassing aan de moderne tijd worden gezien?

Aldus groeide het aantal vragen naar de ontwikkeling van het denken, zowel in maatschappelijke als wetenschapstheoretische zin. Deze werden pregnanter door de sombere conclusies die Lindblom in zijn latere jaren formuleerde over de mogelijkheden van de sociale en politieke wetenschappen om algemeen geaccepteerde ‘kennis’ voort te brengen en over de massieve wijze waarop belanghebbenden het denken van burgers vormen en beperken. Zo schrijft hij in 1996 dat in een echte wetenschap debat leidt tot een convergentie van ideeën en tot een betrekkelijk algemeen aanvaarde ‘body of knowledge’. En vervolgens concludeert hij: ‘In political science, debate rarely leads to findings. And on any given big issue of fact or value, debate in political science tends to be endless rather than declining (or terminating in a finding).’ (1996: 243) Valt er, met andere woorden, enige vooruitgang te onderscheiden in ons politieke denken of onze politieke kennis? Bestaat de mogelijkheid om op deze terreinen vooruitgang te boeken of verklaren slechts mode, conventie of, wat Lindblom noemt, ‘impairment’ de aanvaarding en populariteit van politieke ideeën?

Deze vragen versterkten zich toen ik de onderhavige studie maakte van de beschouwingen van Max Weber, Karl Mannheim en Joseph Schumpeter over de aard en de sociale en politieke gevolgen van de modernisering van de samenleving. Veel van deze beschouwingen bleken een opmerkelijke actualiteit te bezitten en veel van de huidige debatten over de wezenlijke maatschappelijke problemen van onze tijd en hun oplossingen, bleken probleemloos in de termen van Weber, Mannheim en Schumpeter te kunnen worden vertaald, ook al zijn slechts weinigen van de tegenwoordige discussianten zich hiervan bewust.

De primaire reden om onderzoek te doen naar het werk van Weber, Mannheim en Schumpeter was evenwel een beeld te krijgen van de modernisering van de westerse samenleving en politiek. Dit proces vormt, zoals gesteld, het hoofdkader van het betoog van de gehele studie en de genoemde denkers hebben zich bij uitstek met dit onderwerp beziggehouden. De centrale vraag in dit boek is naar de effecten van de modernisering op de politieke vrijheid van burgers om door democratische participatie invloed uit te oefenen op de inrichting en ontwikkeling van hun samenleving. Ter beantwoording van deze, impliciet of expliciet ook door Weber, Mannheim en Schumpeter gestelde vraag, onderzoek ik hoe zij de modernisering definiëren; welke krachten volgens hen ten grondslag aan dit proces liggen; wat de gevolgen hiervan zijn voor individu en samenleving; en welke consequenties de modernisering heeft voor de wijzen waarop wij politiek en democratie inhoud (kunnen) verlenen.

In de volgende twee delen van deze studie zal ik, vooral via het werk van Dahl en Lindblom, een schets geven van politiek en beleid in een zich moderniserende samenleving. Wij zullen zien dat Dahl en Lindblom, als zovelen, in hoge mate voortbouwen op het werk van Weber, Mannheim en (in veel mindere mate dan doorgaans wordt aangenomen) Schumpeter. Dit boek vormt om deze reden tevens een inleiding op hun werk. Daarenboven zullen wij zien dat Dahl en Lindblom uiteindelijk, aan het einde van hun carrière, met dezelfde vraagstukken zullen worstelen als hun illustere voorgangers in het interbellum. De overkoepelende vraag zal daarom zijn in hoeverre de problemen waarvoor de modernisering ons (ook) in de huidige tijd stelt, (nog) zijn op te lossen binnen het pluralistische politieke en bestuurlijke kader, een kader dat Dahl en Lindblom in de jaren vijftig en zestig briljant rechtvaardigden en dat vandaag bijna algemeen wordt aanvaard.

 

New Haven, december 2000