Artikelen

 

De onvermijdelijkheid en continuÔteit van politiek en politieke beginselen

(in: Becker, F., Tromp, B. et al (red.) Inzake Beginselen: Het Zeventiende Jaarboek van het Democratisch Socialisme, Amsterdam: De Arbeiderspers/Wiardi Beckman Stichting, 1996, pp.105-22)

Hans Blokland

 

 

Een merkwaardig misverstand dat de laatste jaren algemeen ingang heeft gevonden, is dat fundamentele waarden en beginselen hope≠loos kunnen verouderen. Een niet minder curieuze misvatting, die inmid≠dels eveneens bijkans algemeen wordt aange≠hangen, is dat politieke waarden of beginse≠len zelfs volstrekt overbodig kunnen worden. Aldus is vandaag het sentiment wijdver≠breid dat in vroegere, duistere tijden enigszins bekrompen drammers en dromers door beginse≠len of ideolo≠gieŽn werden gemotiveerd om elkaar dwars te zitten, terwijl in onze eigen, verlichte tijd de zaken op een redelijke, practi≠sche en nuchtere wijze worden beschouwd en aangepakt. De gedachte dat men `het einde van de geschiede≠nis' beleeft, of `het einde der ideologie≠Žn', en dat de politiek van nu af aan slechts zal bestaan uit een eindeloze reeks van, louter door zakelijke en instrumentele overwegin≠gen ingegeven, incre≠mentele beleids≠aanpassingen, is overigens al verschillende keren eerder in de geschiedenis opgeko≠men. Zij komt kennelijk tegemoet aan een psychologi≠sche behoefte van mensen om te geloven, dat zij min of meer het hoogtepunt van de beschaving (mee)maken en dat er bijgevolg na hun verschei≠den niets werkelijk bijzonders meer zal geschie≠den. De overtui≠ging dat men niets mist, vormt, wellicht, een troost voor de eigen verganke≠lijk≠heid en een bevestiging van de eigen bijzon≠derheid.

Kunnen er ooit tijden zijn zonder politiek, zonder belangentegenstellingen en zonder menings≠verschillen over een plausibele definitie van het Goede leven en over de inrichting van de maatschappij waarin dit leven mogelijk wordt gemaakt? Neen, dit is niet mogelijk. In een reactie op vergelijk≠bare ideeŽn als welke vandaag opgeld doen, stelde Isaiah Berlin reeds in 1962 dat onze conditie zich kenmerkt door de aanwe≠zigheid van een grote diversi≠teit aan betekenisvolle waarden die geregeld confligeren en waartussen wij voortdu≠rend en onvermij≠delijk afwegin≠gen moeten maken. Funda≠mentele waarden als vrijheid, autono≠mie, gelijkheid, rechtvaardigheid, nuttigheid, barmhartigheid kunnen, met andere woorden, niet op logische wijze in ťťn harmo≠nieus, hiŽrarchisch, altijd en overal geldend, systeem worden geordend en derhalve worden wij, iedere keer wanneer zij in de praktijk botsen, genood≠zaakt om hen op een redelijke wijze tegen elkaar af te wegen. De notie van een ideale maatschappij, een maat≠schappij waarin alle waarden die ons leven zin en betekenis kunnen verlenen, zijn gereali≠seerd en waarin alle politieke activitei≠ten zijn volbracht en verdwenen, is dan ook incoherent.

Het idee dat wij ooit overeen≠stemming zullen berei≠ken, of inmid≠dels hebben bereikt, over de betekenissen en de gewichten die aan waarden moeten worden verleend, is evenzo weinig plausibel. Vragen naar de juiste betekenis van en de juiste afwe≠ging tussen waarden zijn uit de aard der zaak filosofische vragen waarop geen ondubbelzinnige, objectieve of `wetenschappelijke' ant≠woorden kunnen worden gegeven. In tegenstelling tot wetenschappelijke problemen gaat het hier immers om kwesties (`wat is een rechtvaardige verdeling van gezamen≠lijke produkten?', `moeten aangeboren kwaliteiten worden beloond?', `dienen buitengewo≠ne behoeften te worden gehonoreerd?') waarvan de oplos≠sin≠gen noch op empi≠ri≠sche, noch op formele of logische wijze kunnen worden gevon≠den. Omdat er geen consen≠sus bestaat over de methode bestaat er ook geen consen≠sus over de oplossin≠gen (hetgeen echter niet wil zeggen dat alle filosofi≠sche antwoor≠den wille≠keurig of gelijk≠waar≠dig zijn). Bijge≠volg zijn politieke meningsver≠schillen onuitroei≠baar.

Politiek is, tenslotte, niet alleen onvermijdelijk, maar ook uiterst wenselijk omdat zij de realisatie van ťťn van de belang≠rijk≠ste menselijke waarden mogelijk maakt, namelijk de politieke vrijheid om geza≠menlijk met anderen, anderen waarmee men een gemeenschap vormt, beteke≠nis en richting te verlenen aan het samen leven. Om dit op een inhoude≠lijk zinvolle manier te kunnen doen en om de hiervoor noodzake≠lijke publieke steun te kunnen mobiliseren, zijn normatieve politieke theo≠rieŽn onmisbaar. Het belang van deze vormen van vrijheid en politiek moet niet worden onder≠schat. Politiek is mťťr, zoals ook een gemeenschap mťťr is, dan het geven van een antwoord op de vraag `Who gets what, when, how' (Lasswell 1936). Politiek bestaat niet louter uit het verdelen van de, door andere factoren bepaalde, schaarste, zij vormt ook een poging om geza≠menlijk het beste van onszelf te maken. Een politiek systeem dat derhalve niet meer te bieden heeft dan het defensief reageren op, door andere krachten veroorzaak≠te, maatschap≠pelijke proble≠men, ver≠vreemdt zich uiteinde≠lijk van zijn burgers.

 

Waar komen de fundamentele waarden die mensen in de praktijk blijken aan te hangen vandaan? Dit is een interessante vraag, maar om betekenisvol normatief te argumenteren is het niet noodzakelijk haar te (kunnen) beant≠woorden. Of zij nu door God of een andere transcendente autoriteit zijn ingegeven, het product zijn van natuurlijke selectie, dan wel voortkomen uit een specifieke historische en culturele constellatie doet niets af aan de empiri≠sche waarne≠ming dat mensen zich, veelal zeer emotioneel, verbonden hebben aan bepaalde waarden. De diversiteit van deze waarden moet overigens, anders dan vandaag onder invloed van het postmodernisme gebruikelijk is geworden, niet worden overdreven. Mensen hebben, stelt ook Berlin, biolo≠gisch, psycholo≠gisch, sociologisch zoveel gemeenschappelijk dat communicatie en begrip tussen personen uit verschillende culturen en tijden mogelijk blijkt te zijn. Een absoluut volunta≠risme en particularisme is dus empirisch weinig plausibel: er is een gemeen≠schappelijke horizon van funda≠mentele waarden.

Kunnen mensen zonder waarden of, in het verlengde hiervan, zonder een normatie≠ve politieke theorie of ideologie? Om met de waarden te beginnen: is het voorstel≠baar dat mensen deze als onnodige, verouderde ballast van zich af werpen en vervolgens alle kwesties waarmee zij in het leven worden gecon≠fron≠teerd, op een `moderne', `zakelijke', `redelijke', `onbevooroordeelde' of `paarse' wijze tegemoet treden? Het antwoord moet ontkennend zijn: mensen, betoogt Charles Taylor overtuigend, definiŽren hun identiteit via waarden of via, wat hij betitelt als, `kwalita≠tieve onderscheidingen'. De vraag `wie ben ik?' wordt beantwoord door waar wij staan in een `mo≠rele ruimte', een ruimte waarin vragen opkomen over wat goed dan wel slecht is, welke activitei≠ten betekenis≠vol zijn en welke niet, wat belangrijk en waarde≠vol voor ons is en wat triviaal en secundair (Taylor 1989: 28; cf. 1991: 37-8) Een persoon die wij kwalificeren als een `opper≠vlakkige persoonlijkheid', is bijgevolg iemand, schrijft Taylor, `waarvan wij de indruk hebben, dat hij ongevoelig, onwetend of onver≠schillig is omtrent zaken die de kwaliteit van zijn leven raken en die ons wezenlijk of belang≠rijk lijken. Hij leeft aan de oppervlakte omdat hij tracht verlangens te bevredi≠gen zonder geraakt te worden door de "diepere" onder≠werpen .. of zijn aandacht hiervoor lijkt ons terloops vertaald in triviale en onbelangrijke vragen.' (1976: 288) Mensen die, een stap verder, in grote onze≠ker≠heid verke≠ren over het ant≠woord op de vraag welke waarden zij aan de vele keuze≠moge≠lijk≠he≠den in hun leven moeten toeken≠nen, lijden aan desori≠nta≠tie, zijn richting≠loos of verkeren zelfs in een identi≠teitscri≠sis. Kwalita≠tie≠ve onder≠schei≠dingen vormen, met andere woorden, een nood≠za≠kelijk onder≠deel van het kader waar≠bin≠nen, of de horizon waarte≠gen, ons leven eenheid, zin en bete≠kenis krijgt. '(S)tepping outside these limits' stelt Taylor, `would be tanta≠mount to stepping outside what we would recogni≠ze as inte≠gral, that is unda≠maged human person≠hood.' (1989: 27) Het bezitten van een morele oriŽnta≠tie is, kortom, een voorwaar≠de voor het kunnen functio≠neren als mens, het is geen `metap≠hysical view we can put on or off.' (1989: 99)

Kunnen mensen, in de politieke sfeer, zonder normatieve politieke theorie≠n?Politieke waarden, alsmede hun onderlinge afwegingen, worden uitge≠drukt en deels gerechtvaar≠digd in het kader van een normatieve politieke theorie. In de eerste plaats geldt hier derhalve datgene wat in zijn algemeen≠heid ook op individuen van toepas≠sing is. Iemand die politiek wil denken of handelen zonder te vertrekken uit politieke waarden of beginselen is richting≠loos. Men kan op een `redelijke', `verstandige' of `zakelij≠ke' wijze het belang van bepaalde waarden formuleren, bepaalde waarden tegen elkaar afwegen of de geschikte instrumen≠ten ter verwe≠zenlijking van waarden zoeken. Wat men echter niet kan, is louter `redelijk', `practisch', `realis≠tisch' of `nuchter' zijn. In de praktijk zijn dit evenzovele eufemismen voor visieloos≠heid en opportunis≠me.

In de tweede plaats kan men in het politieke domein niet zonder norma≠tieve politieke theorieŽn daar deze cohe≠rente en heldere articula≠ties (en deels rechtvaardi≠gin≠gen) zijn van door≠gaans onsamen≠hangende en tegenstrijdige intuÔties over het Goede leven en de Goede maatschappij. Men heeft deze articulaties nodig om duidelijke afwegin≠gen te kunnen maken en om publieke steun te kunnen mobiliseren voor een politiek program. Een wezenlijk onder≠deel van democratische politiek is immers de verwerving van steun op basis van berede≠neerde om≠schrijvingen van het algemeen belang en van een nastrevens≠waardige, betere samenle≠ving. Dit maakt politiek als collectieve wilsuiting mogelijk.

In de derde plaats zijn de normatieve theorieŽn onontbeerlijk als gevolg van de onher≠leidbare diversiteit aan, gere≠geld onver≠enigbare, waarden. In het kader van een politieke theorie worden deze waarden op een beargu≠menteer≠de wijze tegen elkaar afgewogen. Een politiek systeem dat niet beschikt over criteria om tegenstrijdige claims af te wegen, loopt gevaar aan overbelas≠ting en immobilis≠me ten onder te gaan. Evenzo wreekt een gemis aan norma≠tieve politieke theorieŽn en bijgevolg aan beredeneerde afwegingen zich door een onvermogen om genomen beslissingen te rechtvaardigen en te legitimeren. Wat rest is een beroep op macht. Het is echter in iedere gemeenschap, niet alleen de politieke, on≠verstan≠dig om in een te groot aantal gevallen zijn toevlucht tot het laatste te zoeken: zij holt de politieke legitimiteit uit. Zo zal het ressenti≠ment dat inmiddels in de samenleving is opgebouwd als gevolg van de, niet inhoudelijk verdedigde en waarschijnlijk ook niet inhoude≠lijk te verdedigen, `herstructuring' van de verzorgingsstaat, niet eenvou≠dig met een, door de politiek aangezwen≠gel≠de, publieke discussie over `burger≠schapszin' geneutrali≠seerd kunnen worden.

 

Mensen kunnen, resumerend, niet zonder waarden, zonder normatieve politie≠ke theorieŽn en zonder politiek, de permanente discussie en onderhan≠deling tussen pleitbezor≠gers van afwijken≠de particuliere belangen en van afwijkende definities van het algemeen belang. Kunnen politieke beginselen en norma≠tieve politieke theorieŽn echter veroude≠ren? En zo ja, in welk tempo zou dit kunnen gebeu≠ren? Hoe dringend kan dus een `modernisering', een `aanpas≠sing aan de realiteit', van een politieke theorie gewenst zijn? Om deze vragen te kunnen beant≠woorden, dient te worden inge≠gaan op de vraag waarop de plausibi≠liteit en realiteitswaarde van een theorie zijn gebaseerd (cf. Blokland 1995b: 25-30).

Het spreekt, in de eerste plaats, voor zich dat een theorie coherent en intern consis≠tent moet zijn. Dat theorieŽn in de regel confligeren≠de waarden bevatten, doet hier niets aan af: het gaat er juist om dat deze in het kader van een theorie op een redelijke wijze tegen elkaar worden afgewo≠gen.

In de tweede plaats hangt de plausibiliteit van een theorie af van de mate waarin zij recht doet aan onze, onder meer via de verschillende weten≠schap≠pen verkregen, kennis van mens en maatschappij. Omdat wij bijvoorbeeld weten dat mensen sociale wezens zijn, die eerst dankzij sociale interactie hun talenten kunnen ontplooien, is een politieke theorie welke is gebaseerd op een puur atomistisch mens- en maat≠schappijbeeld, weinig overtuigend (cf. Taylor 1979). Evenzo weten wij inmiddels dat macht de neiging heeft te corrumperen en dat het dus verstan≠dig is om haar enigszins te spreiden en aan beheersings≠mecha≠nis≠men onder≠hevig te maken.

Hiermee samenhan≠gend is het, in de derde plaats, van belang in welke mate de theorie overeen≠komt met onze reeds intuÔtief aange≠hangen, doch zelden coherent en ondubbel≠zinnig gearticu≠leerde, waarden. Deze waarden vinden onder meer hun neerslag in de door ons gehanteerde, in eeuwen gerijpte, concepten en categorieŽn in termen waarvan wij gewoon zijn over mens en maatschappij te denken (cf. Berlin 1962, 1988). Zo kunnen wij het concept `mens' slechts bevatten in categorie≠n als goed en slecht, waar en onwaar, vrijheid en dwang, geluk en ongeluk. Het zou dus tamelijk excentriek en ook onnavolgbaar zijn om iemand als een mense≠lijk wezen aan te duiden, maar er tegelijker≠tijd bij te vermel≠den dat noties als waarheid, rechtvaar≠dig≠heid, vrijheid, hoop en angst voor hem of haar geen enkele betekenis bezitten. Dienovereenkomstig zijn sommige waarden onlosma≠ke≠lijk met het concept `mens' verbonden, hetgeen overigens opnieuw duidt op de mogelijkheid een minimum aan univer≠sele waarden te onderschei≠den. Berlin stelt dat wanneer hij iemand zou treffen voor wie het geen enkel verschil uitmaakt of zij tegen een steentje schopt of haar familie uitmoordt, hij niet geneigd zal zijn, zoals consistente relativisten, om haar louter een enigszins afwijken≠de morali≠teit toe te schrijven. In plaats daarvan zal Berlin spreken van `krank≠zinnigheid' en `onmenselijkheid'; hij zal haar beschou≠wen als een gek, zoals iemand die denkt dat zij Napoleon is, gek is. Met andere woorden: hij zal een dergelijk wezen niet werkelijk als een `mens' zien (Berlin 1962: 166). Normatieve politieke theorieŽn die, kortom, strijdig zijn met wat wij doorgaans belangrijk in het leven achten en met onze geza≠menlij≠ke, in concep≠ten en categorieŽn opgesla≠gen, (empirische ťn norma≠tieve) common-sense noties over mens en maat≠schappij verdwijnen op de mestvaalt van de geschie≠denis van het denken. De vandaag steeds meer gepo≠neerde, en door velen ook gaarne geloofde, stelling dat `alles kan', is dus kennistheoretisch onjuist.[1]

 

In welke zin en in hoeverre kunnen politieke beginselen en theorieŽn nu veroude≠ren? TheorieŽn, waarin beginselen worden uitgedrukt en gerechtvaar≠digd, dienen aller≠eerst recht te doen aan onze reeds bestaande morele intuÔties. Deze intuÔties over funda≠mentele waarden als vrijheid, autonomie, gelijkheid, rechtvaardig≠heid, barmhar≠tigheid, solidariteit zijn tamelijk stabiel en universeel. Het is mogelijk, niets kan in het leven worden uitgesloten, dat ze kunnen en zullen veranderen, maar dat dit geschiedt binnen een tijdvak van een decenni≠um of een eeuw, is hoogst onwaarschijnlijk, zeker binnen het kader van ťťn culturele traditie. Dienovereenkomstig is het weinig aanneme≠lijk, dat een normatieve politieke theorie veroudert of irrele≠vant wordt omdat onze morele intuÔties omslaan. Hoe abstrac≠ter en fundamen≠teler hierbij de waar≠den, hoe kleiner hun variatie.

De plausi≠biliteit van politieke theorieŽn is echter tevens afhan≠ke≠lijk van de mate waarin zij rekenschap geven van onze kennis van mens en maat≠schappij. Deze kan in de loop van de tijd groeien (en is ook daadwerkelijk gegroeid), maar plotse≠linge drasti≠sche toenemin≠gen doen zich zeer zelden voor. Ook wat dit betreft is er derhalve geen hoge omloopsnelheid van norma≠tieve politie≠ke theorieŽn te verwachten. Hetzelfde kan worden opgemerkt met betrekking tot de eis van interne consistentie: onze formele opvattingen over wat consis≠tent mag worden genoemd, zijn aan weinig verande≠ring onder≠hevig.

Ondanks het voorgaande kan men echter niet om de vaststelling heen, dat normatie≠ve politieke theorieŽn geregeld aanpassing behoeven aan zich verande≠rende maat≠schappe≠lijke omstandigheden. Een reden hiervoor is dat de gewich≠ten van waarden, alsmede hun onderlinge afwegin≠gen, in enige mate per situatie kunnen variŽren. Een verandering van de omgeving heeft dus gevolgen voor de prioriteiten die men stelt en voor de doelen die men nastreeft. De aanpas≠singen die in de regel het meest gewenst zijn, betreffen nochtans de instru≠men≠ten welke men geschikt acht om bepaal≠de doelein≠den te realiseren. Instrumen≠ten kunnen op een gegeven moment inade≠quaat of inferieur blijken te zijn (geworden), onwen≠se≠lijke neveneffecten hebben (gekregen) of achter≠haald worden door techno≠logische vernieu≠wing. Binnen de sociaal-democratie hebben velen bijvoor≠beeld lange tijd gedacht dat bedrijven onder beheersing van de centrale overheid gebracht dienden te worden, wilden de burgers een reŽle mogelijk≠heid bezitten het beleid van bedrijven democratisch te controle≠ren. Uit ervaring weten wij inmiddels dat een dergelij≠ke constellatie een aantal onwen≠selijke nevenef≠fecten heeft: een enorme bureaucratisering en een centralisering van de macht die onder meer leiden tot immobilisme, verkoke≠ring, ondoelma≠tig≠heid, onbeheers≠baarheid en machtsmis≠bruik. Bij het gelijk gebleven doel - democra≠tie, gelijk≠heid, politieke vrijheid - moeten derhalve andere instrumen≠ten worden gezocht. Te denken valt dan, wij komen hier dadelijk op terug, aan een gedecentrali≠seerd econo≠misch systeem waarin de markt in stand wordt gehou≠den en de bedrijven onder beheer worden gebracht van de desbetreffen≠de werknemers.

 

De plausibiliteit en realiteitswaar≠de van politieke beginselen en norma≠tieve politieke theorieŽn zijn, zo kan worden geresumeerd, betrekkelijk stabiel en de grootste mutaties zijn in de regel te verwachten op het gebied van de gekozen instru≠menten. Niettemin moet worden geconstateerd dat de sociaal-democrati≠sche beweging zich de laatste jaren, onder de vlag van `moderni≠sering', van tal van haar traditionele funda≠mentele beginselen heeft ontdaan en tal van opvat≠tin≠gen, waarden en doelein≠den heeft aanvaard die gewoonlijk werden toege≠schreven aan libera≠len. Hier is geen goede rechtvaardiging voor. Het goed≠deels volledig van onze politieke agenda verdwij≠nen van de betref≠fende beginselen, opvat≠tingen, doeleinden kan weinig te maken hebben met ontwikke≠lin≠gen in onze morele intuÔties of in onze kennis van mens en maat≠schap≠pij. Zij kunnen derhalve nog altijd op zeer plausibele wijze worden verde≠digd, hetgeen in de praktijk ook blijkt te gebeu≠ren.

 

Een voor de sociaal-democratie belangrijk en treffend voor≠beel≠d zal dit wellicht verduide≠lij≠ken. Sociaal-democraten zijn van oudsher, het woord zegt het al, democra≠ten geweest. Dit is er de belang≠rijkste verklaring van dat wij ons, al een eeuw geleden, los hebben gemaakt van het marxisme. Wezen≠lijk voor een democratie is dat daar waar binden≠de besluiten worden genomen, degenen die zich door deze besluiten gebonden weten, er recht op hebben invloed uit te oefenen op, zinvol te participeren in, de betref≠fende besluitvor≠ming. Het geldt, zowel binnen de sociaal-democratie als het liberalis≠me, als vanzelfsprekend dat de staat een voorbeeld is van een instituut waarin dergelijke, voor anderen bindende, beslissingen worden genomen en dus een voorbeeld is van een instituut dat democratisch gecontro≠leerd behoort te worden. Sociaal-democra≠ten onderschei≠den zich traditiege≠trouw van een belangrijk deel der liberalen in de opvatting dat ook in de economi≠sche sector tal van verrei≠kende, voor anderen evenzo bindende, besluiten worden geno≠men en dat deze besluiten dus even≠zeer onder democra≠tische controle behoren te vallen. De volstrekt logische en tijdloze argumenten hiervoor zijn, nog niet zolang geleden, uiterst helder gefor≠muleerd door de Amerikaanse politicologen Charles Lindblom en Robert Dahl. Het is interes≠sant juist deze theoretici aan te halen omdat zij, na bijna hun volledige carriŤre (gewild of ongewild) gefungeerd te hebben als apologe≠ten van de bestaande, in hoge mate door het vrije onderne≠mer≠schap geken≠merkte, Amerikaanse sociaal-economi≠sche orde, op zeer gevorderde leeftijd in een aantal belangrijke opzichten het sociaal-demo≠cratische licht zagen. Wat deze meningsverande≠ring interessant maakt is dat dit gebeurde in een periode waarin, zoals gesteld, tal van traditionele sociaal-democrati≠sche beginse≠len tamelijk plotse≠ling als hopeloos verou≠derd en overtolli≠ge ballast overboord werden gezet. De ontwik≠keling in het denken van deze sociaal-liberalen verliep hiermee in precies tegengestelde richting als die van het merendeel van de Europese sociaal-democratische leiders en opiniema≠kers. Het feit dat dit kan gebeuren, is een indicatie dat de veranderingen die de stand≠punten der sociaal-democra≠ten in de laatste vijftien jaar hebben onder≠gaan, geen door objectieve omstan≠digheden afge≠dwongen `modernisering' zijn.

Een kenmerk van het oorspronkelijke denken van Dahl en Lindblom in de jaren vijftig en zestig is dat een democratie wordt gezien als een voortdurend onderhande≠lings≠proces tussen vertegenwoordigers van verschillende belangen≠groeperingen. Op tal van niveaus en in tal van organen wordt in de samenle≠ving geloofd en geboden over schaarse goederen: over macht, vermogen, inkomen, informatie, kennis.[2] Dahl en Lindblom veronderstelden hierbij dat alle relevante belangen werden vertegenwoor≠digd, dat nieuwe of onderbe≠lichte belangen al snel nieuwe belangen≠organisa≠ties zouden opwek≠ken en dat de vele bestaande organisaties elkaar grosso modo in even≠wicht hielden. Aldus werd op indirecte wijze een mate van volkssoevereini≠teit bereikt - ook voor Dahl en Lindblom het uiteinde≠lijke democratische doel - welke op directe wijze, louter via politieke partijen, verkiezingen, parlementen, onbereikbaar zou zijn. Hoewel niet werd ondersteld dat de invloe≠den die de betref≠fen≠de organisa≠ties uitoefe≠nen, aan elkaar gelijk waren (dit zou ook onredelijk zijn: waarom zou bijvoor≠beeld een organisatie met tien miljoen leden evenveel invloed moeten hebben dan een met duizend leden?), maakten beiden op dit terrein geen wezenlijke onder≠scheiden tussen verschil≠lende soorten belangen≠organisa≠ties. In 1976 noemen Dahl en Lindblom dit echter `een onver≠geeflijke fout': de rol die het bedrijfsleven in onze `polyarchieŽn' speelt, is van een fundamen≠teel andere orde dan die van andere belangengroe≠peringen. Binnen het werk dat beide auteurs sindsdien hebben geschreven, vormt deze kwestie een centraal thema.

Het is, zeker vandaag, niet ongebruikelijk om te veronderstel≠len dat onder≠ne≠mingen in een marktsysteem volledig worden gecontroleerd en worden ge≠stuurd door de wensen van de consu≠ment en dus in feite te zamen een machte≠loos instituut vormen. Lindblom acht dit echter in toenemende mate een naÔeve gedachte. Onderne≠mers, betoogt hij onder meer in Politics and Markets (1977: 152-7), hebben een belangrijke `discretionai≠re' macht: zij kunnen (en moeten) tal van beslissingen nemen die hen niet via de markt door de consumenten worden opgelegd. De consumenten zijn in de eerste plaats niet geheel compe≠tent en kunnen via reclamecam≠pag≠nes en dergelijke worden gemani≠puleerd. De beslissings≠macht van de produ≠centen neemt bijgevolg evenredig toe met de incompe≠tentie van de afne≠mers. In de tweede plaats beschikt een consument te allen tijde over niet meer dan een vetorecht: hij of zij kan hooguit besluiten een product niet aan te schaffen. Het initiatief tot de produc≠tie van een specifiek goed ligt echter altijd bij de fabrikant. In de derde plaats dienen onderne≠mers tal van keuzen te maken over investe≠ringen en productie≠proces≠sen die zij niet kunnen baseren op ondub≠belzinni≠ge markt≠ge≠gevens, op tot uitdrukking gekomen consumentenvoor≠keu≠ren. Zo liggen de ontwikkeling van de conjunctuur en van de preferenties van de consumenten hiervoor te veel open. Ook levert de markt geen antwoor≠d op de vraag of men zijn winst, dan wel omzet moet maximalise≠ren en of dit op de korte, dan wel lange termijn moet gebeuren. Buitenge≠woon groot is de beslis≠ruimte van onderne≠mers, in de vierde plaats, met betrekking tot de uiterst belangrijke `instrumen≠tele' keuzen die gemaakt worden ten behoeve van het productiepro≠ces. Het gaat hier om zaken als de aan te wenden techno≠logie, de plaats van vestiging, de organisatie van het werk, en de salaris≠sen van en andere baten voor de ondernemers. In de vijfde plaats, tenslotte, kunnen onderne≠mers op eigen gezag besluiten nemen over de omvang en het karakter van hun `public relations', sponsoractiviteiten en advertentiecam≠pagnes, over de bezetting van de topposi≠ties, de omvang van hun ondersteuning aan onderwijs en onder≠zoek, en de steun aan politieke partijen en hun verkie≠zingscampagnes.

Ondernemers zijn, kortom, in de bestaande democratieŽn belangrij≠ke publie≠ke functies toegewezen. De onderwerpen waarover zij beslissen - inzake de aanwending van materiŽle en immateriŽle hulpbronnen van een gemeen≠schap - zijn van de politieke agenda gehaald en hun besluiten komen tot stand zonder democra≠tische controle. Hiermee is de publieke rol van onderne≠mers echter nog lang niet beschre≠ven: zij kunnen een invloed uitoefenen op het beleid van de overheid welke door geen enkele andere belangengroepering wordt geŽve≠naard. Hun ge≠privile≠gieerde positie in deze, schrijft Lindblom (1977: 172-3), is te danken aan het feit dat een landsbestuur niet onver≠schillig kan staan tegenover de ba≠nen, prijzen, nationale producten, groeicijfers, levensstandaar≠den welke in hoge mate door beslissingen binnen het bedrijfsle≠ven worden bepaald. Een hoge werk≠loosheid of inflatie, een economi≠sche depressie, een teruglo≠pende of te lang≠zaam stijgende welvaart, zelfs een bedrijfssluiting, kunnen een regering ten val brengen. Een regering stelt zich derhalve tot taak te bevorde≠ren dat het bedrijfsleven zijn publieke functies optimaal vervult: haar eigen legitimiteit is hiervan afhankelijk. Bij alles wat zij doet - of het nu gaat om fiscaal, monetair, sociaal, milieu- of buiten≠lands beleid - houdt zij rekening met de effecten op het bedrijfsleven. Daaren≠boven verschaft zij, al dan niet op verzoek, subsidies, speciale belastingfacilitei≠ten, verzorgt zij een infra≠structuur, een economi≠sche wetgeving en een scho≠lingssys≠teem, bevordert zij de export, belemmert zij zo nodig via tariefmuren de import, steunt zij onderzoek naar en ontwikke≠ling van nieuwe producten, enzovoorts.[3] De relatie tussen de over≠heid en het bedrijfs≠le≠ven heeft daar≠bij in een vrije markteconomie ťťn zeer specifiek kenmerk: de overheid kan niets afdwingen of opdragen, zij kan onder≠nemin≠gen hooguit tot iets stimule≠ren of bewegen. Hiertoe dienen ondernemin≠gen gunsten te worden verleend en voor≠delen te worden geboden. Alle hierbo≠ven genoemde maatrege≠len zijn hier voorbeelden van: zij vormen geen bevelen, geboden of opdrachten, maar stimuli, lokmidde≠len en prikkels.

Het is derhalve een groot misverstand, schrijft Lindblom (1977: 173) dat een marktsysteem slechts bestaat uit de relaties tussen aanbieders en vragers en dat de aankoop van hun goederen en dien≠sten voldoende is om producenten er toe te brengen hun functies te vervul≠len. Op een dergelijk fundament kan geen enkele volwaardi≠ge econo≠mi≠sche productie van de grond komen. Overhe≠den in op de markt georinteer≠de systemen hebben van oudsher en tot op de dag van vandaag uitvoe≠rig in de markt geÔntervenieerd, met juridische, econo≠mische en sociale maatregelen, om het economisch leven aan te wakke≠ren en ook mogelijk te maken. En hoe meer zij met de economische sector verbonden raakten, hoe groter hun publieke legitimiteit afhankelijk werd van het presteren van deze sector. Ondernemers zijn daarom in de ogen van vertegenwoorders van de over≠heid geen behartigers van willekeurige belangen. Het zijn functiona≠ris≠sen die onmisbare publieke functies vervullen en de betrokkenen zijn zich hier uitste≠kend van bewust: zo nodig zullen zij de politici en de ambtenaren hier fijntjes aan herinne≠ren. Om deze bijzondere positie van het bedrijfs≠leven in te zien, heeft men dus geen samenzweringsthe≠orie nodig. `Business', schrijft Lindblom, `simply needs inducements, hence a privileged position in govern≠ment and politics, if it is to do its job.' (1977: 175)

Het bedrijfsleven en de overheid zijn, met andere woorden, in een innige symbiose verstrengeld. Hun interactie geschiedt via, niet voor burgers toegan≠kelij≠ke, directe onderlinge onderhande≠lingen en beraadslagingen, en, belang≠rij≠ker, op indirecte wijze, via anticipatie op elkaars belangen. Daar≠naast krijgen vertegen≠woordigers van het bedrijfsleven ook zitting in met beslisbe≠voegdhe≠den toege≠ruste bedrijfs- en handelsor≠ganen (Lindblom 1977: 185-7). In een neo-corpora≠tistisch systeem als Nederland is dit in nog veel grotere mate het geval dan in landen als de Verenigde Staten of Groot-BrittanniŽ. De belangrijkste politieke consequentie van de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven is volgens Lindblom, dat polyarchieŽn de facto door twee verschillen≠de groepen leiders worden geregeerd of beheerst en dat slechts ťťn van deze twee, de politici, enigszins is onderworpen aan democratische controle. Daarenboven onder≠graaft de exclusie≠ve positie van de ondernemers de reeds betrekkelijk beperkte mogelijkheden van de burgers om, via demo≠cratische regels en procedures, invloed op het landsbe≠stuur uit te oefenen. Politici en ambtena≠ren zijn immers niet alleen de lastdragers van de burgers, maar ook van het bedrijfsle≠ven (Lindblom 1977: 189-90).

 

Private ondernemingen, zeker wanneer zij de enorme afmetingen van vandaag hebben, passen, zo concluderen Lindblom en Dahl, niet in een waarlijke democra≠tie en vreemd genoeg zijn er ook geen (normatieve) democratietheo≠rieŽn waarin rekenschap wordt gegeven van hun bijzondere positie. Deze leemte proberen beide auteurs in hun werk in de jaren tachtig en negentig op te vullen. Beiden zoeken op inventieve wijze[4] naar alternatieve sociaal-econo≠mi≠sche ordeningen waarin een grotere politieke gelijkheid en volkssoe≠ve≠reiniteit wordt gerealiseerd dan in het huidige systeem van `corporate capita≠lism' het geval is. Hoewel beiden ook geregeld een aanmerkelijk grotere overheidsinter≠ventie in het econo≠misch leven beplei≠ten, gaat hun aandacht hierbij primair uit naar systemen waarin de werking van de markt en de autonomie van individue≠le bedrijven zoveel mogelijk worden gehandhaafd. Aldus kunnen een te grote centralisatie van de macht en een allesomvattende, inefficiŽnte en rigide bureau≠cratie worden voorkomen. Lindblom (1977, 1984) en vooral Dahl (1982, 1985) houden in deze geest vooral een krachtig pleidooi voor vormen van arbeiders≠zelfbe≠stuur. In zijn A Preface to Economic Demo≠cra≠cy (1985) geeft Dahl hiervan een nadere beschijving en een diepgaande rechtvaardiging. Hij staat een systeem voor van onderne≠mingen waarin elk bedrijf eigendom is van, en democra≠tisch wordt be≠stuurd door, de mensen die er in werk≠zaam zijn. De mensen die verbonden zijn aan de betref≠fende self-governing enterpri≠ses, nemen, al dan niet via hun vertegen≠woordi≠gers, bindende besluiten over beloningen, investeringen, werkwijzen, werkver≠houdingen, et cetera. Zij doen dit evenwel binnen de grenzen die worden bepaald door de markt en de overheid. De laatste instantie is hierbij de vertegenwoordiger van de gehele demos.

Dahl behandelt verschillen≠de rechtvaardigingen van een dergelijke ordening. Zo gaat hij in op het, volgens hem in verschillende opzichten plausibele, argument dat een democratie binnen bedrijven een meer egalitaire spreiding van politieke hulp≠bronnen bevordert alsmede de kwaliteit van de landelijke demo≠cratie. Voor wat betreft het laatste valt dan te denken aan een toene≠ming van het vermogen tot moreel-verantwoordelijk handelen, een vermogen dat binnen een grootscha≠lige maatschappij als de onze, waarin de gevolgen voor anderen van zijn handelen nauwe≠lijks voor het individu waarneembaar zijn, in veel mindere mate tot ontwikke≠ling wordt gebracht dan in een te overzien bedrijf (Dahl 1985: 96-110). De volgens Dahl sterkste rechtvaardiging van zelfbesturende ondernemingen luidt echter: `If democracy is justified in governing the state, then it is also justified in governing economic enterprises. What is more, if it cannot be justified in governing economic enterprises, we do not quite see how it can be justified in governing the state (Dahl 1985: 135, cf. 111). De argumen≠ten die hier in de regel tegenin worden ge≠bracht (werkne≠mers zijn incompetent om hun bedrijf te leiden, zij richten hun bedrijf te gronde daar zij consumptie prefereren boven investeringen, het privť-eigendom van bedrijven is een grondrecht, et cetera) beschouwt Dahl stuk voor stuk als onhoud≠baar (1985: 111-140). Op al deze, voor sociaal-democra≠ten niet onbe≠kende, argumenten en tegen-argumen≠ten hoeft echter niet op deze plaats te worden ingegaan.[5]

 

Het ging hier namelijk om iets anders. Het ging hier om de vraag in hoeverre politieke beginselen en normatieve politieke theorieŽn kunnen verouderen. Kunnen de overtuigingskracht en de realiteitswaarde dermate drastisch afne≠men als, volgens velen, de laatste jaren met name de sociaal-democratie is overkomen? Eerder werd geconstateerd dat de plausibiliteit van een norma≠tie≠ve politieke theorie, alsmede van de beginselen die in haar kader worden geformu≠leerd en gerechtvaar≠digd, tamelijk duurzaam is en zelden onder invloed van wijzigingen in de omgeving belangrijk zal veranderen. Het waren vooral de instrumen≠ten die somtijds bijstel≠ling behoefden. Ter adstructie werd ingegaan op het politieke beginsel, dat daar waar voor anderen binden≠de beslissingen worden genomen, deze beslissingen aan demo≠cratische controle onderhevig moeten zijn en op de overtuiging van sociaal-democraten, dat dit beginsel ook van toepassing is op de economische sector. De argumentaties die de laatsten daarvoor in het verleden hebben geformu≠leerd, wijken niet sterk af van de recentelij≠ke verdedigingen van Dahl en Lindblom.[6] De laatste jaren hebben sociaal-democra≠ten dit beginsel en zijn argumentaties echter nagenoeg laten vallen. Het streven de economische sector onder democratische controle te brengen, via welk instru≠ment of in welke vorm dan ook, is als achterhaald, onpractisch of irreŽel afgedaan. Hier zijn geen goede argumenten voor. Dat juist Dahl en Lindblom in dezelfde periode en in vergelijkbare maatschappelij≠ke omstandig≠heden dit streven benadrukken en hiervoor vergelijkbare, uiterst houdbare, argumentaties geven als binnen de sociaal-democratie gebruikelijk was, is hier een belangrijke indicatie van. Het demonstreert tevens dat wan≠neer op een bepaalde moment in de geschie≠denis specifie≠ke waarden en politieke theorieŽn schijnbaar algemeen geaccep≠teerd worden - zoals vandaag het economisch liberalisme tot de eind≠overwin≠naar van de geschiedenis is verklaard -, geenszins is bewezen dat andere waarden verouderd zijn, geen realiteits≠waar≠de zouden hebben of op geen steun zouden kunnen rekenen. Het kan ook duiden op, wat Lind≠blom (1990) heeft ge≠noemd, `impair≠ment': de beperking door belangheb≠benden van de maat≠schappelijke discussie, van de ideeŽn en opvattin≠gen die in de samenle≠ving circuleren. Van het laatste is hoogstwaar≠schijnlijk vandaag de dag sprake (idem noot 6). De door de sociaal-democra≠ten vertoonde `aanpassing aan de realiteit' heeft niet betekent dat men zich heeft `gemoderni≠seerd', maar dat men een eerloze nederlaag heeft geleden tegen degenen die het meeste belang hebben bij een bestendi≠ging van de status quo. Dit is erg genoeg. Men maakt de situatie echter nog erger, nog uitzichtlo≠zer, wanneer men deze nederlaag niet toegeeft, maar er een (zelf)overwinning van maakt. Dan heeft men niet alleen een slag verloren, maar ook de oorlog.

 



[1].Uiteraard wil dit alles niet zeggen dat een volstrekt implausibele politie≠ke theorie nimmer op massale publieke steun kan rekenen. Zoals bekend is deze steun ook van andere factoren afhankelijk, factoren die in dit artikel buiten beschouwing blijven. Het neo-liberalisme zoals dit door tal van Amerikaanse Republikeinen en Britse Conservatieven wordt uitgedra≠gen, is bijvoorbeeld een volstrekt inconsistente en daardoor onaannemelijke theorie: enerzijds komt men gepassi≠oneerd op voor traditionele gezins- en gemeen≠schapswaar≠den en anderzijds bepleit men een laissez-faire economie die deze waarden bij uitstek ondermijnt. Weinigen onder de Ameri≠kaanse en Britse kiezers blijken deze tegenstrijdig≠heid echter als een probleem te ervaren.

[2]. Vergelijk hier Paul Kalma's pleidooi in onder meer zijn De Illusie van de 'Democra≠ti≠sche Staat' (1982) voor `sociale democratie' en voor `horizontale', in plaats van `vertica≠le coŲrdinatie'.

[3]. Naarmate de markt mondialer van karakter wordt (of met succes wordt gesugge≠reerd dat dit het geval is), worden ook nationale overheden meer en meer tegen elkaar uitgespeeld. Het bedrijfsleven vraagt in een dergelijk geval aan regerin≠gen om speciale vestigingsvoorwaarden en belastingfaciliteiten. In Nederland worden overi≠gens ook steden in toene≠men≠de mate door onderne≠mingen voor het blok gezet en concurreren gemeenten actief, via subsi≠dies en andere steun, om de vestiging van bedrijven.

[4]. In een tijd waarin een vermoeide, klagerige generatie veertigers steeds meer begint te praten over het einde van de politiek en het einde van de grote verhalen, verklaart de inmiddels zeventigjarige Lindblom in een inter≠view met Flip Vuijsje: 'Mijn algemene opvatting .. is dat de democratie nog in haar kinder≠schoenen staat; hetzelfde geldt voor het intelli≠gente sturen van een marktstel≠sel, terwijl werknemers≠be≠stuur nog niet eens aan die kinder≠schoenen toe is.. de wereld zou er heel anders uit kunnen zien dan tot nu toe het geval is geweest, en toch merk ik dat de meesten van mijn vrien≠den en collega's - zelfs mensen met dezelfde politie≠ke en ideologi≠sche visie als ik - ervan overtuigd zijn dat de mensheid nu wel zo'n beetje alle mogelijke vormen van sociale organisa≠tie heeft verkend... Maar voor mij is nog lang niet bewezen dat we ook maar in de verste verte alle moge≠lijkheden hebben uitgepro≠beerd.' (Lindblom 1987: 108)

[5]. Ik zal dit wel doen in mijn, deo volente, in 1997 te verschijnen Een Rehabi≠litatie van de Politiek: De Convergentie en Divergentie van het Ameri≠kaanse Pluralisme en de Europese Sociaal-Democratie.

[6]. Zie hiervoor bijvoorbeeld De Weg naar Vrijheid: Een Socialistisch Perspec≠tief (Rapport van de Plancommissie van de Partij van de Arbeid) Amsterdam, De Arbeiderspers, 1951, Deel 1