Interviews
 
   

Op zoek naar het publiek

(Magazine Kunsten ’92, December 2010, pp.4-8)

Robbert van Heuven

De kunstsector en de politiek weten nauwelijks nog uit te leggen waarom kunst– en cultuursubsidies nodig zijn. Die gebrekkige legitimering is voor een groot deel de oorzaak van de enorme bezuinigingen die de sector nu op zich af ziet komen, menen hoogleraren Hans Blokland en Arjo Klamer. De vraag is: hoe nu verder?

‘De houdbaarheid van dit systeem is echt voorbij’, zegt Arjo Klamer, hoogleraar culturele economie aan de Erasmus Universiteit. ‘Mensen schrikken als je ze vertelt hoeveel subsidie er naar kunst gaat. Daar draait die legitimeringsvraag dan ook om: wat rechtvaardigt het gebruik van gemeenschapsgeld voor culturele activiteiten? Terwijl tegelijkertijd heel veel mensen geen zin hebben om van kunst gebruik te maken. Kunst is belangrijk, maar de moeilijkheid is dat heel veel mensen dat toch echt niet zo zien.’

Volgens Hans Blokland, die als politiek filosoof veel over cultuurbeleid publiceerde en als hoogleraar werkzaam is aan de Berlijnse Humboldt–Universität, is het legitimeringsvraagstuk helemaal niet nieuw. Hij herinnert zich hoe hij in de jaren tachtig kwam te werken bij de Stafdirectie Cultuurbeleid van toen nog het ministerie van WVC. ‘Het eerste wat de directeur aan mij vroeg, was: “Wat denk je? Hoelang houden we de zaak hier nog overeind?” Toen al. De eerste nota’s waarin zorgen werden geuit over de legitimering van de kunsten en over het loszingen van de kunsten van de rest van de samenleving verschenen al in de jaren tachtig onder Brinkman en vroeg in de jaren negentig onder D’Ancona. Maar in die tijd konden de kunsten nog effectief reageren door te roepen dat politici die wilden bezuinigen barbaren waren. Politici schrokken daarvoor terug. Het wachten was op politici die op een meer populistische toer durfden te gaan en die zich daarin gesteund wisten door burgers die die subsidies ook niet langer pikten.’

Elitaire kunstopvatting

Klamer en Blokland menen dat de kunsten in de loop der jaren het contact met de maatschappij hebben verloren. Blokland: ‘Binnen de kunstenwereld heeft op een gegeven moment een opvatting van kunst en de kunstenaar postgevat die een ruime participatie van het publiek bij voorbaat bemoeilijkt. Omdat deze participatie wordt gezien als een bewijs van falen: ze willen avant–garde zijn. Een goede kunstenaar is ver boven het klootjesvolk verheven. Die voortdurend uitgestraalde arrogantie en zelfgenoegzaamheid gaat zich in een tijd van toenemend populisme steeds meer tegen de kunstenwereld keren.’ Klamer ziet vooral in het subsidiesysteem de oorzaak van de problemen: ‘Een elitaire kunstopvatting bij kunstenaars heeft in dit systeem zeker meer ruimte gekregen dan in een ander systeem mogelijk was geweest. Maar het systeem is niet de hoofdoorzaak van het ontstaan van deze elitaire kunstopvatting.’ Voor een deel is die opvatting de kunsten zelf aan te rekenen, maar ook de politiek die dat heeft laten gebeuren. Bijvoorbeeld door een subsidiesysteem op te tuigen gebaseerd op peer review. Blokland: ‘Het verdelen van het geld heeft met kwaliteitsmaatstaven te maken. Maar waar baseer je die kwaliteitsmaatstaven op? Welke criteria gebruik je? Je kunt het dan bijvoorbeeld hebben over vakmanschap, of over authenticiteit en originaliteit. Het probleem is dat de kunstkenners die bepalen wie hoeveel geld krijgt een eenzijdige voorkeur hebben voor bepaalde kwaliteitscriteria en met name die van die originaliteit. Dat valt te verklaren uit hun culturele competentie. Als je al honderd Shakespeares hebt gezien dan wil je bij de honderd–en–eerste keer toch graag een nieuwe interpretatie zien. Dat is begrijpelijk, maar het levert wel een eenzijdig theateraanbod op van originele interpretaties en interpretaties van interpretaties. Er is geen aanbod meer waar mensen met iets minder competentie makkelijk kunnen instappen en die competentie langzaam kunnen opbouwen. De kans is groot dat je bij een voorstelling terecht komt waar je geen touw aan kunt vastknopen en dan hou je het al snel voor gezien. Zo vormen de mensen die het aanbod bepalen en hen die er gebruik van maken een hele selecte, naar binnen gerichte groep.’

Arjo Klamer merkt op dat dat niet wil zeggen dat er geen moeilijke vormen van kunst zouden mogen zijn: ‘Er moet ook een laboratorium zijn dat op zoek gaat naar nieuwe vormen. Dat is ook niet bedoeld voor het grote publiek, maar voor deskundigen en kenners.’ Hij vergelijkt het met het zijn eigen wetenschappelijke werk: dat doet hij ook niet voor het grote publiek, maar hij wil wel graag dat zijn collega’s zijn werk lezen. ‘Maar in de huidige discussie lopen kunst voor het grote publiek en academische kunst door elkaar en dat is verwarrend. Het onderscheid tussen hoge en lage kunst moet duidelijk zijn. Dan is hoge kunst maar voor weinig mensen, maar daarin moet de overheid wel haar verantwoordelijkheid nemen. Maar dan moet het systeem ook anders worden gefinancierd.’

Cultuurrelativisme

Een ander probleem waar met name Blokland op wijst is het zogenaamde ‘emancipatiedilemma’, dat vooral betrekking heeft op de linkse politiek. In linkse academische kringen viert sinds de jaren zeventig en tachtig, onder invloed van onder andere het werk van de socioloog Bourdieu, het cultuurrelativisme hoogtij. Blokland: ‘Kunst en cultuur zijn in alle tijden door heersende groepen misbruikt om hun eigen positie te legitimeren en zich af te zetten tegen het klootjesvolk. Daarom werd het als een vorm van emancipatie en bevrijding gezien om daar doorheen te prikken. Maar wanneer je daar te ver mee doorgaat, wanneer je elk kwaliteitsoordeel gaat neerzetten als een complot van de hoge strata tegen de lagere strata, dan eindig je uiteindelijk met lege handen. Omdat elke roep om kwaliteit, elke roep om cultuureducatie dan dus paternalistisch en elitair is.’ Tegen dat dilemma liepen vooral de linkse partijen op en aangezien de kunsten het toch altijd vooral van links moesten hebben zit je nu, in de woorden van Blokland, in hoge mate met de gebakken peren. ‘Het is immers onmogelijk om kunstsubsidies te legitimeren als cultuurrelativisme het dominante discours is.’ Juist door dat emancipatiedilemma is fatsoenlijk kunstonderwijs in Nederland nooit van de grond gekomen, meent Blokland: ‘Want het is paternalistisch om bevolkingsgroepen die nog niet participeren in de kunsten daar wegwijs in te maken.’ Toch is cultuureducatie voor hem heel belangrijk. Pas als mensen over de nodige culturele competenties beschikken, kunnen ze een afgewogen keuze maken of ze gebruik willen maken van het culturele aanbod. ‘Het is aantoonbaar zo dat mensen die nu geen gebruik maken van culturele uitingen uit sociale strata komen waar men van huis uit niet vertrouwd wordt gemaakt met kunst. Men bezoekt bovendien scholen waar veel minder de nadruk op cultuur wordt gelegd dan scholen die door leden van de hogere strata worden bezocht. Van die mensen kun je vervolgens niet vragen, verlangen of verwachten dat ze een geïnformeerde, objectieve keuze kunnen maken voor een culturele voorkeur. Als je niet bekend bent met Bach, maar wel met Madonna, dan kies je toch voor die laatste? Mijn idee is en was dat je mensen pas werkelijk serieus neemt, wanneer je ze via school een eerste mogelijkheid geeft om in contact te komen met een zo wijd mogelijk spectrum van culturele uitingen, zodat ze van daaruit een voorkeur kunnen ontwikkelen.’ Ook Klamer denkt dat het onderwijs het heeft laten afweten. ‘Dat komt vooral door ons arbeidsgerichte onderwijs, waarin wij kunst en onderwijs strikt scheiden. In Amerika, waar ik een tijd werkte, maakt kunst integraal deel uit van het onderwijs. Universiteiten hebben hun eigen kunstopleidingen en een eigen theater. Dat vond ik zeer inspirerend.’

Hans Blokland is dat niet met Klamer eens: ‘Ook ik heb een aantal jaren gewerkt in de Verenigde Staten, maar heb weinig gemerkt van een in deze zin superieur onderwijs. De cultuurparticipatie beweegt zich in de VS ook op een lager niveau dan in Nederland of in Duitsland. Zeker, een universiteit als Yale – waar ik verbleef– had een indrukwekkend cultureel aanbod. Maar Yale, Princeton of Harvard zijn eilanden van substantiële rationaliteit in de VS.’

Lange–termijn arbeid

Het emancipatiedilemma, gebrekkig cultuuronderwijs en een in zichzelf gekeerde kunstenwereld maken nu dat de kunsten in de hoek zitten waar de klappen vallen. Softe argumenten werken niet meer, de samenleving zit vastgeroest in een economisch discours waarin geld het belangrijkste criterium is of iets goed is of niet. Daarom richt de cultuursector zich in zijn verdediging nu vooral op economische argumenten als het gaat om de legitimering van kunstsubsidies. Onverstandig vinden de hoogleraren. Klamer: ‘Uiteindelijk gaan die argumenten tegen je werken.’ Blokland: ‘Daarin heeft Klamer gelijk. Als kunst echt zoveel oplevert, dan kun je al tegenstander van subsidies meteen antwoorden met: dan kunnen de sector of die bedrijven die kunst zo belangrijk vinden dat heus wel zelf betalen. Bovendien: als uit die berekeningen blijkt dat kunst toch niets oplevert, kun je niet opeens naar de argumentatie terug dat het niet gaat om de economie, omdat kunst ook andere waarden heeft.’ Klamer: ‘Waardevolle dingen kosten nu eenmaal geld. Als ik een boek koop, kost me dat geld, maar het levert me niet direct iets op. Een schilderij boven mijn bank kost me een rib uit mijn lijf. So what? Kunst is nu eenmaal kostbaar.’

Het draagvlak in de samenleving voor een groter algemeen belang kalft af. De vraag is daarom of het huidige subsidiesysteem nog wel houdbaar is. Klamer denkt in ieder geval van niet. ‘Het is belangrijk dat we nieuwe manieren van financiering onderzoeken. Misschien snappen mensen de noodzaak van kunst bijvoorbeeld beter als ze er meer voor moeten betalen. Die kunst krijgt, omdat je ervoor moet betalen, een andere lading. Kunst is een gesprek, maar dat lukt alleen als de toeschouwer zich bij dat gesprek betrokken voelt. Het huidige systeem heeft het gesprek tussen samenleving en kunst verstomd. Toch is in deze wereld heel veel behoefte aan creativiteit, vooral ook binnen het bedrijfsleven. Kunstenaars missen die boot, omdat ze de kansen niet zien, daar niet alert op zijn of er niet geïnteresseerd in zijn. Mijn stelling is: door dit systeem zijn kunstenaars conservatief geworden en zien ze hun kansen niet. Daarmee doen ze de kunst tekort.’ Om na te denken over andere financieringsvormen organiseert Klamer met zijn vakgroep in het voorjaar een bijeenkomst over creativiteit en de financiering van de kunsten. ‘Daarmee willen we als universiteit een constructieve bijdrage leveren aan het debat.’

Ook volgens Blokland moeten kunstenaars weer op zoek naar hun publiek. Daarbij kan de politiek een handje helpen. ‘Politici kunnen de legitimering voor kunstsubsidies uitdragen. Maar die zitten in toenemende mate bij Wilders in een houdgreep. En die heeft geen belang bij een dialoog. Daarom staan de kunsten er steeds meer alleen voor. Daar komt bij: politici kunnen nog zo hard roepen dat kunst om allerlei redenen belangrijk is, maar dat moet dan in de theaters en concertzalen wel worden waargemaakt. Als mensen met een cultuuruiting worden geconfronteerd en daardoor op een manier geraakt worden die zij niet meemaken in het commerciële aanbod, dan legitimeert de kunst zichzelf. Uiteindelijk komt het op zulke momenten aan. De kunstenwereld zal minder gesloten moeten worden en meer open moeten staan voor de samenleving. Dan zal het ook makkelijker worden om steun te vinden bij de politiek. Dat is arbeid op de langer termijn. De legitimiteit is gedurende decennia ondergraven. Je hebt minimaal jaren nodig om dat draagvlak weer te laten groeien.’