Artikelen
 
   

Zo gelukkig bent u niet

Robert Reijns. www.nieuwwij.nl. 28 juni 2011

Wat hebben de sociaalwenselijke of leugenachtige antwoorden over ons geluksgevoel, de bedscène van Mark Rutte met Tatum Dagelet en bekeuringdriftige politieagenten met elkaar te maken? Het zijn, volgens sociaal en politiek filosoof Hans Blokland, slechts drie voorbeelden die de toenemende inhoudloosheid van onze cultuur illustreren. Een gesprek over de leegte van uw doen en mijn laten.


Waarom worden wij volgens u steeds leger?

In De Modernisering en haar Politieke Gevolgen (2001) heb ik geargumenteerd dat inhoudelijke standaarden (‘substantiële rationaliteiten’) door moderniseringprocessen steeds meer vervagen en vervangen worden door het denken in aantallen (‘functionele rationaliteiten’): kwantiteit komt dus in de plaats van kwaliteit. Meer is beter dan minder. Sneller is goed, evenals hoger, langer, nieuwer. Maar wat precies “genoeg” of “goed” is, daarvoor ontbreekt een maatstaf. Men lijkt zekerheid te hebben gewonnen door te gaan tellen, te meten en te calculeren, maar deze zekerheid is, zo bemerkt men in ieder geval onderhuids, een illusie. We raken nooit uitgeteld. Het gevolg heb ik verwoord in de titel van mijn essaybundel (2008) Een Lange Leegte: Over Maatschappelijk Onbehagen, Politieke Competentie en het Plannen van een Toekomst. Het wijdverspreide persoonlijke onbehagen in westerse democratieën hangt in hoge mate samen met dit marktdenken. Mensen zitten gevangen in een “hedonistische tredmolen”. We werken steeds langer en in steeds grotere getale om een levensstijl mogelijk te maken die ons uiteindelijk niet datgene brengt wat ons in een marktcultuur wordt voorgespiegeld. Sterker nog: markt en marktdenken drukken al die sociale en culturele activiteiten in de marge die in rijke landen werkelijk zouden bijdragen aan het welbevinden. Wat in al die keurige, welvoorziene doorzonwoningen overblijft is een gevoel van innerlijke leegte en onbestemd onbehagen, ook al voelt men zich naar de SCP- enquêteur verplicht te beweren buitengewoon tevreden te zijn met zijn leven. In een cultuur waarin “persoonlijk geluk” de centrale waarde is geworden en waarin mensen in toenemende mate wordt aangepraat dat zij zelf volledig verantwoordelijk zijn voor hun falen en slagen, kan men moeilijk anders: wie wil er door het leven gaan als een verliezer?

Meetbare kwantiteiten verdringen dus onmeetbare kwaliteiten …maar hoe ziet u dat terug in de maatschappij?

Politieagenten zouden bijvoorbeeld door mensenkennis en wijsheid kunnen bijdragen aan gemeenschap en vredig samenleven. In plaats daarvan worden zij meer en meer beoordeeld op ‘productie’, in dit geval de aantallen bekeuringen die zij per dag hebben uitgeschreven. Maar grootheden als wijsheid en gemeenschap kunnen we niet ondubbelzinnig kwantitatief vaststellen. Bekeuringen wel: die kunnen we tellen en in geld uitdrukken. Een agent die weet te voorkomen dat conflicten uit de hand lopen maar geen bonnen uitschrijft, wordt in dit opzicht gezien als verliezer. En de starre, voortdurend kwaadbloed zettende klerk een winnaar.

Het is tekenend voor de mate waarin de leegte de inhoud opvult dat zelfs de universiteiten – ooit het bolwerk van inhoudelijke standaarden, bedaagdheid en wijsheid – volledig in de ban zijn gekomen van het berekenend denkgedrag (‘functionele rationaliteit’) van bureaucraten en managers. Naast aantallen studenten, colleges, afstudeerscripties, studiejaren en aantallen dissertaties zijn universitaire bestuurders ook aantallen publicaties en citaties gaan tellen. Hoe groter het aantal, hoe hoger de kwaliteit daarvan zou zijn. Een gevolg is een onwaarschijnlijke productie (Nederland is hier wereldwijd een van de koplopers) van slechts marginaal van elkaar afwijkende en relatief eenvoudig te fabriceren publicaties die niet bedoeld zijn om te worden gelezen, maar slechts om te worden geteld. Een ander gevolg is dat de maatschappelijke behoefte aan academische disciplines goeddeels wordt bepaald door de wanen en modes van zeventienjarige scholieren.

In 2006 schreef u eveneens over het gapen van “Een Lange Leegte” bij Nederlandse verkiezingen…

Het meest opmerkelijke aan moderne verkiezingscampagnes is hun nietszeggendheid, zoals ook bleek in de campagne van 2006. Er waren geen thema’s die de debatten beheersten, er werden door de oppositie geen grote misstanden op de agenda gezet op basis waarvan het kabinet moest worden afgerekend en er werden geen lonkende perspectieven of enthousiasmerende visioenen geschetst voor een beter Nederland. Meer dan ooit tevoren was de campagne gevuld met een eindeloze stroom politici in geinige televisieprogramma’s en ‘onthullende’ tijdschriften waarin zij, vermoedelijk daartoe opgedragen door hun campagnestrategen, hun ‘menselijke kant’ lieten zien. Balkenende zagen we als gastpresentator van RTL-Boulevard, Bos liet zich interviewen in Jensen! En Rutte ging ‘In bed met Tatum Dagelet’. Door hun neiging verkiezingen te verslaan als sportwedstrijden waarin enkel zetels op het spel staan, dragen journalisten en opiniepeilers sterk bij aan deze inhoudsloosheid.

Waarmee zou de maatschappij zich dan moeten en kunnen ‘verrijken’ om de inhoudsloze leegte te bestrijden?

Een voorwaarde voor de oplossing van elk probleem is dat de betrokkenen erkennen dat er een probleem is. Om terug te komen op een bovenstaand voorbeeld: de kwaliteit van het leven gaat, gemiddeld genomen, niet vooruit wanneer men de tijd op het werk vergroot ten koste van de tijd met zijn kinderen, partner, vrienden, buren en andere naasten. De erkenning van dit empirische feit zou een begin kunnen zijn van een minder leeg bestaan. Het liberale marktsysteem waarin mensen worden grootgebracht en moeten functioneren, maakt de erkenning van dit feit en, vervolgens, de vertaling in een concrete gedragsverandering, echter weinig waarschijnlijk. Dit systeem heeft zijn eigen behoeften: productie, consumptie, winst, groei. Deze behoeften kan men als politieke gemeenschap slechts begrijpen en overwinnen na een drastische toeneming van de politieke competentie. Deze competentie kan echter eerst toenemen, wanneer men het probleem zou erkennen dat de tegenwoordige competentie weleens tekort zou kunnen schieten. Ik zie dit niet snel gebeuren. Waarschijnlijk is de toekomst aan het populisme. En dus aan de leegte.

In het algemeen kan men de leegte die ontstaat wanneer door religie, traditie, cultuur gedragen inhoudelijke standaarden (‘substantiële rationaliteiten’) vervagen, alleen opvullen door nieuwe inhoudelijke standaarden te scheppen. Politici, kunstenaars, schrijvers, academici, cultuurdragers en andere onaangepasten hebben hier vanouds een belangrijke rol te spelen. Helaas lijken de betrokkenen zich hiervan, zeker in Nederland, niet helemaal meer van bewust te zijn.

In dat opzicht voorspelt u een lege en visieloze toekomst…

Burgers geven gezamenlijk steeds minder vorm aan de ontwikkeling van hun samenleving. In toenemende mate wordt die ontwikkeling bepaald door maatschappelijke structuren en processen waarop burgers nauwelijks greep hebben: structuren van markt en (publieke en private) bureaucratie, processen van vermarkting en bureaucratisering. Ook dit leidt weer tot politieke leegte: waarom zich interesseren voor politiek als deze zich steeds machtelozer en holler presenteert? De politieke leegte staat dus niet op zich maar lijkt zich voortdurend uit te breiden.