Recensies
 

Zet de politiek weer als een A-merk in de markt!

Verhelderende essays over de hijgerigheid in Den Haag

Twee wetenschappers houden een ferm pleidooi voor het aanzien van de politiek. Politici moeten zich niet voordoen als gewone mensen, ze moeten juist gezag uitstralen. Ze vertegenwoordigen immers een A-merk.

Een Rita Verdonk die haar ’geheime dieet’ verklapt waarmee ze veertien kilo afviel. Een Jan Peter Balkenende die onthult dat Maxime Verhagen hem aan zijn vrouw had gekoppeld en dat het geen liefde op het eerste gezicht was. Een Wouter Bos die zich welwillend door paparazzi laat fotograferen, zorgzaam gebogen over een kinderwagen (die leeg bleek te zijn, zoals hij later grinnikend toegaf) en een Mark Rutte die schoorvoetend toegeeft behoefte te hebben aan intimiteit en op zoek is naar een welgeschapen, krachtige carrièrevrouw. Zijn gedachten gaan uit naar de tv-presentatrices Sacha de Boer en Sophie Hilbrand.

Vooral de laatste ontboezeming prikkelde de nieuwsgierigheid. Je bent dus geen homo, constateerde de verslaggeefster van het vrouwenblad Viva, in de serie ’In bed met Tatum Dagelet’. Om de arme VVD-leider vervolgens te overstelpen met vragen als: „Wanneer had je voor het laatst een vriendin? Met welke vrouwen zou je naar bed willen? Lig je onder of boven? Heb je nog nooit een lange relatie gehad? Dan is er misschien toch iets mis met je. Hé, je hoeft niet zo naar mijn tieten te kijken. Zet die bril eens af. Trouwens, waarom heb je geen lenzen?”

Tijdens de laatste verkiezingscampagne waren dit zo ongeveer de belangrijkste items. Bij gebrek aan beter, stelt de politicoloog Hans Blokland sarcastisch vast in zijn essaybundel ’Een lange leegte’, waarin hij het verschijnsel van het hedendaagse maatschappelijk onbehagen grondig probeert te doorgronden. Logisch, zo redeneert hij, met campagnes die zich kenmerken door zoveel nietszeggendheid.

Er waren geen thema’s die de debatten beheersten, zelfs niet dat van het integratievraagstuk, de oppositie zette geen grote misstanden op de agenda en er werden geen lonkende perspectieven of enthousiasmerende visioenen geschetst voor een beter Nederland. Een terugkeer dus naar de jaren negentig, waarin paarse kabinetten met grauwe, verbeeldingsloze economische vraagstukken alles met de mantel van de (beloofde) materiële voorspoed bedekten.

Blokland spreekt de politieke klasse stevig aan op het laten ontstaan van dit onbehagen. Zij heeft het politieke domein laten ’vermarkten’ door op het kompas te gaan varen van de oppervlakkige voorkeuren van de kiezers, in plaats van zich te richten op hun werkelijke behoeften. Daarmee is de politiek stuurloos geworden en is de burger zich ondanks zijn zoveel grotere mondigheid kwetsbaarder gaan voelen. En zoals dat gaat, de politiek krijgt dat weer op haar bord en weet er vervolgens niet goed raad mee. Het koesteren van cultuurpolitieke idealen en het formuleren van een aansprekend toekomstbeeld zijn nodig om deze patstelling te doorbreken.

Dat is overigens makkelijker gezegd dan gedaan. Maar Hans Blokland is niet de enige die zich ergert. De historicus Remieg Aerts maakt zich in zijn verhelderende essay ook ernstig zorgen over het aanzien van de politiek. Nieuw is dat niet, want constateert hijzelf, de politiek komt er meestal bekaaid vanaf. Al in 1924, een paar jaar dus na de invoering van het algemeen kiesrecht, constateerde de liberale journalist Doe Hans dat het met de ’grandeur’ gedaan was. Klonk de namenlijst van weleer als ’de Achtste van Mahler’, de tegenwoordige klinkt als ’een draaiorgel’. De moderne afgevaardigden zijn ’oratorische piet-de-smeerpoetsen’ en hun ’confectie-welsprekendheid’ is oninteressant.

En wie mocht denken dat het daarvoor beter gesteld was, met een Kamer waarin de adel en de betere stand ruim vertegenwoordigd waren, komt volgens Aerts ook al bedrogen uit. Dat parlement etaleerde vooral kleine ijdelheid, middelmatigheid en gebrek aan kwaliteit, en daalde voortdurend af tot uiterste keuteligheid. De politiek werd voorgesteld als kermis, circus, pantomime, acrobatiek en dressuur, en geassocieerd met oppervlakkigheid, procedureel gedoe, wederzijdse beledigingen en gebrek aan visie. Niets nieuws dus onder de zon.

Wat wel nieuw is, is dat de Tweede Kamer tegenwoordig geneigd is zichzelf deprimerend te portretteren. In 2004 heette het dat de Kamer te veel en te lang vergadert over onbenullige zaken, dat ze met een zinloze stroom schriftelijke vragen de bewindslieden van hun werk afhoudt, kansloze moties indient, steeds de indruk wekt slecht op de hoogte te zijn en in het vragenuurtje een ’wekelijkse demonstratie van hijgerigheid’, ten toon spreidt. Je zou deze zelfkritiek bewonderenswaardig kunnen noemen, maar veel groter is het gevaar dat de Kamer hiermee alleen maar bestaande (voor)oordelen bevestigt.

Dat gevaar is volgens Aerts des te groter sinds bij politici het fatale idee heeft postgevat dat zij zich zoveel mogelijk als gewone mensen moeten voordoen. Zie ook boven. Het lijkt een goede manier om de veronderstelde kloof tussen burgers en bestuur te overbruggen.

Maar dat is een misverstand. De politicus zit nu eenmaal onvermijdelijk in de positie dat hij burgers vaak zal moeten tegenspreken, domweg omdat er nu eenmaal compromissen moeten worden gesloten en het land ook nog leefbaar moet blijven voor komende generaties. Hij moet daarom afstand houden van de kiezers met hun vaak onverenigbare en vaak ook slecht begrepen voorkeuren. Daarvoor heeft hij gezag nodig en inderdaad ook enig aanzien.

Complicatie is dat burgers de overheid als een dienstverlenend bedrijf zijn gaan zien, wiens bestuurders niet langer hun heren of voormannen zijn, maar hun personeel. Die burgers gedragen zich als geïrriteerde werkgevers als dit personeel onvoldoende presteert. Zo werkt de toeschouwersdemocratie. Maar in zo’n klimaat kan, aldus Aerts, alleen de populist met succes opereren. Gewone politici zijn aangewezen op het gezag en het aanzien van de politiek als zodanig.

Om dat terug te winnen zullen politici zich niet langer moeten laten reduceren tot ’slechts’ de uitvoerders van een dienstverlenend bedrijf. Zij zullen moeten laten zien dat er voor het overeind houden van een waardengemeenschap heel wat meer nodig is. En volgens Aerts heeft de burger dat ook wel in de gaten. Die stelt intuïtief de democratie boven de politiek. De burger hecht daarom wel aan de bijbehorende instituten en ambten. Daaraan moeten politici hun gezag en aanzien ontlenen, aan het ambt en aan hun instituut. Zijn advies is van een verrassende eenvoud: laat je niet uit de markt prijzen, zet de politiek als een A-merk in de markt.

Met de verrassende uitslag van de verkiezing voor het Europese parlement nog vers in het geheugen zou ik zeggen: lees die boeken om enigszins te begrijpen in wat voor wereld we terecht gekomen zijn.

Willem Breedveld

© Trouw 2009, op dit artikel rust copyright.

Remieg Aerts: Het aanzien van de politiek. Prometheus, Amsterdam. ISBN 9789035134553; 140 blz. € 17,95

Hans Blokland: Een lange leegte, Over maatschappelijk onbehagen, politieke competentie en het plannen van een toekomst, Klement, Kampen. 304 blz. ISBN 9789086870233; 304 blz. € 24,95