Rene Moerland. Zegt u het maar ; De machteloze houdgreep van politiek en burgers. NRC-Handelsblad. 3 juni 2005.

Politici hebben steeds minder zelfvertrouwen en geven meer macht uit handen – onder meer via het referendum. Maar is dat werkelijk een passend antwoord op de gapende kloof tussen politiek en burger? Persoonlijke, politieke en filosofische bespiegelingen over de crisissfeer in de democratie.

Na het feest van de democratie rest de kater. De hoge opkomst bij het referendum werd in Den Haag gevierd als een ‘daverend succes’ (PvdA-leider Bos). Maar vanaf nu zijn de gevolgen van het nee tegen de Europese Grondwet weer belangrijker. Zachtjes aan was na 2002 de veelbesproken kloof tussen de politieke elite en de burger wat op de achtergrond geraakt. Hier en daar werd het bestaan ervan zelfs betwist. Maar sinds deze week is ‘de kloof’ in een klap terug in de geesten, en heeft meteen de trekken aangenomen van een afgrond – die zich ook nog eens niet aan landsgrenzen blijkt te houden.

Dit is nu de stand op het slagveld: in twee oude Europese lidstaten, Frankrijk en Nederland, ligt de politiek duurzaam overhoop met de kiezers. In 2002 verloren in beide landen de regerende partijen grote hoeveelheden kiezers aan randbewegingen die kort daarvoor nog als niet-acceptabel golden (het Front National van Le Pen en de LPF). Anno 2005 voerde meer dan tachtig procent van de
volksvertegenwoordiging in de twee landen wekenlang campagne voor de Europese Grondwet, maar wilde het ‘volk’ niet luisteren – en liet het dat per referendum ondubbelzinnig weten. Rationele, demagogische, evenwichtige en bevlogen argumenten ten spijt: de kiezer vertrouwde het niet.

In de afgelopen week openden zich hier en daar verrassende inkijkjes in de democratische zelftwijfel. In Frankrijk beging de socialistische ex-minister en ‘ouiiste’ Dominique Strauss-Kahn zondagavond in een televisiedebat de onvoorzichtigheid te zeggen dat de Duitsers gelukkig wel voor de Europese Grondwet hadden gestemd. Woede aan de overkant van de tafel: de Duitsers hadden
zich helemaal niet mogen uitspreken, dat was het Duitse parlement maar! En dat werd gelijktijdig geroepen door Marine Le Pen, vertegenwoordiger van het extreem-rechtse Front National van haar vader, en door Henri Emmanuelli, socialiste du non, en een prominent partijgenoot van Strauss-Kahn.

In Nederland leidde het referendum deze week al voor de gang naar de stembus tot een deuk in het zelfvertrouwen van de representatieve democratie. Tevoren was nog gedacht dat het eerste nationale referendum in bijna 200 jaar een experiment kon zijn en niet veel meer dan dat. Maar inmiddels ligt zelfs hetoer-conservatieve Kamerlid Van der Vlies (SGP) op een lijn met PvdA-leider Bos,
zelfverklaard vernieuwer van de democratie en aanhanger van ‘een zeker populisme’. Communis opinio: als je als parlement een keer een referendum hebt georganiseerd, kun je het bij de volgende grote beslissing niet laten. Zeker nu er de afgelopen weken zo naar hartelust over Europa is gedebatteerd, in huiskamers en op het werk. Zo moet de roemruchte kloof overbrugd worden. Maar
gebeurt dat ook? De uitslag van de twee jongste referenda lijkt eerder op het tegendeel te wijzen. Democratische vernieuwingen zoals het referendum leggen de kloof vooralsnog alleen maar bloot. Referenda kunnen een hulpmiddel zijn om deze kloof te overbruggen, maar als niet wordt gekeken naar de oorzaken van die kloof, dreigen referenda te ontaarden in een vlucht naar voren.

De Tweede Kamer heeft deze week niet alleen de zeggenschap over de Europese Grondwet uit handen gegeven, maar kennelijk – naar het gevoel van het overgrote deel van de Kamerleden – ook het gezag verloren om op eigen kracht belangrijke beslissingen te nemen. Dat wijst er op dat er meer aan de hand is dan een incidentele nederlaag van de politieke leiders. Het referendum ging niet alleen
over de Europese Grondwet, het ging ook niet alleen over Europa. Het ging ook, zo blijkt, over het vertrouwen van de politiek in zichzelf. De volksvertegenwoordigers hebben gezegd: hartelijk dank dat u ons hebt gekozen, maar wij weten het eigenlijk niet zo zeker: zijn wij wel goed bezig?

De vraag lijkt op zijn plaats. Niet alleen omdat het antwoord nu ontkennend is gebleken, maar ook omdat zij voortdurend wordt gesteld – en niet alleen in het referendum of in analyses over de opstand van de burgers in 2002. Ergernis en onzekerheid over de politiek zijn dagelijkse kost – vaak vermengd met ergenis over de media die over de politiek verslag doen.

Je komt die onvrede op de meest onverdachte plekken tegen. Neem het onlangs verschenen ‘Herfstdagboek’ van oud-D66-leider Jan Terlouw. Een gemoedelijk boekje, deel drie van een serie terugblikken van heren in hun eigen herfst (eerder kwamen oud-ARP-leider Aantjes en dichter Leo Vroman aan bod). Maar af en toe klinkt ineens wanhoop door. En dan gaat het over de Tweede Kamer. Nu eens
zijn het ‘blunders’ die ‘ongelooflijk’ zijn, zoals bij het niet in de hand houden van de kosten voor de Betuwelijn. Dan weer is het de hype-gevoelige politieke cultuur. ‘Men wil ons doen geloven dat het land op zijn kop staat’, schrijft Terlouw op 11 november 2004 – het zijn de dagen na de moord op Theo van Gogh. Op televisie en via bezorgde telefoontjes van buitenlandse vrienden rijst het beeld dat het land op de rand van burgeroorlog verkeert. Kortom, ‘er is weer eens een hype gaande’, oordeelt Terlouw. De Kamer gaat er grif op in: ‘Wat er ook gebeurt, er worden ministers naar de Kamer geroepen’. VVD-leider Van Aartsen ziet de bui hangen en gaat tekeer tegen minister Remkes, verantwoordelijk voor de AIVD. ‘Maar de Tweede Kamer,’ schrijft Terlouw, ‘waarom laat die de regering niet even rustig regeren?’

Die klacht komt vaak terug: scoren in de media, kijken naar wat electoraal gunstig is, is een plaag voor het bestuur van het land en de democratie. Soms ligt het helemaal niet aan de politiek maar alleen aan de media. Dat is bijvoorbeeld de opvatting van oud-Europees Commissaris Frits Bolkestein. In zijn dagboek Grensverkenningen doet hij verslag van vier jaar aan de weg timmeren als Europees Commissaris Interne Markt. Dat is ‘zowel interessant als belangrijk’, schrijft Bolkestein in het nawoord. Maar de lezer gunt Bolkestein geen blik in dit interessante en belangrijke werk. Uit zijn dagboek spreekt vooral sleur en ergernis – over de middelmatigheid van politici en van de media, een ‘papegaaiencircuit’ dat uitblinkt in ‘grenzeloze oppervlakkigheid’. NRC Handelsblad doet het volgens hem overigens ook niet goed: de krant is ‘zowel arrogant als laf’.

Deze prikkeling ten spijt, is in dit dagboek geen schim te bekennen van de oude Bolkestein, de politicus-intellectueel die als VVD-leider in de jaren negentig de publieke agenda wist te bepalen. Het verslag van vier jaar werken als Europees Commissaris is, zo blijkt, een eindeloze opsomming: lunchen, dineren, vergaderingen, concerten bezoeken, tennissen, topmannen uit het bedrijfsleven ontmoeten, partijgenoten ontmoeten, overleggen over een baan voor zijn assistent bij het Institut Neerlandais in Parijs, voor de verkiezingen van 15 mei 2002 overleggen met Gerrit Zalm en Jozias van Aartsen over het vertrek van lijsttrekker Hans Dijkstal. Die is door Bolkestein zelf aangewezen, maar was naar het oordeel van de meester ‘apres tout toch een maatje te klein’.  Grensverkenningen levert zo een treffende illustratie van het beeld van de kloof tussen bestuur en burger. De burger verkeert op grote afstand in het leven van de Commissaris, zijn leven gaat over voortdurende grensgevechten met andere bestuurders en het verdelen van politieke banen en gunsten.

Bolkestein belichaamt zo de politieke bestuurder waartegen het essayistische pamflet Het einde van de buitenspelcultuur een aanklacht is. Het is geschreven door Marja Wagenaar, van 1997 tot 2002 Tweede-Kamerlid voor de PvdA, en bedoeld als ‘democratisch antwoord op het populisme’. Het is in elk geval een heldere opsomming van alle grieven die steeds terugkomen in het debat over de, volgens Wagenaar ‘groeiende’ kloof tussen kiezers en machthebbers. Zo is daar de politiek als een naar binnen gekeerde schimmenvoorstelling waar kiezers niet aan te pas komen – a la Bolkestein. Politici verdoen hun tijd met een dans om posities, schrijft Wagnenaar, zijn gericht op zichzelf en hun macht in plaats van op publieke verantwoording.

In discussies over hoe het beter moet, gaat het altijd over staatskundige structuren – een nieuw kiesstelsel, een Europese Grondwet die Europa democratischer moet maken – waar uiteindelijk niets van terecht komt, schrijft Wagenaar met een zekere profetische kracht. Daardoor neemt de crisis in de democratie alleen maar toe. Politieke partijen raken in verval, het vertrouwen van kiezers in de politiek neemt af, de bureaucratie dijt uit, terwijl de politiek steeds minder in staat is problemen op te lossen. Ondertussen bepalen de media, de televisie voorop, de politieke agenda. Wagenaar ziet als gevolg van deze machteloosheid van de politiek een ‘antipolitiek sentiment’ groeien, dat tegelijk een voedingsbodem is voor populisten en versterkt wordt door politici in het parlement die ‘zelf niet (meer) in hun eigen rol geloven’. Haar boek is een aanklacht tegen het afgenomen zelfbewustzijn van de volksvertegenwoordiging, waarvan de reacties op de uitslag van het referendum een treffende illustratie zijn.

Die analyse is interessant, maar Wagenaars remedies zijn wel erg simpel: gewoon steeds het tegendeel doen van de klacht. Het schimmenspel moet plaats maken voor duidelijkheid en openheid. Technocratische debatten moeten worden vervangen door debatten met meer ideologische onderbouwing. De naar binnen gekeerde cultuur moet worden opengebroken door meer participatie voor de burger. Af en toe een referendum kan helpen, maar Wagenaar gelooft in het algemeen niet in structuurveranderingen. Het moet komen van een nieuwe cultuur – net als in het bedrijfsleven, waar het management vaak wel slaagt in het omvormen van
informele omgangsregels.

De politiek moet volgens Wagenaar klantgerichter worden. Politieke partijen dienen de kiezer-consument te nemen zoals hij is. Zweven is niet raar – je koopt ook niet elke vijf jaar dezelfde jas. Het merkwaardige aan dit pleidooi is dat het in feite neerkomt op het afschaffen van de politiek als aparte publieke sfeer. Politieke opvattingen krijgen dezelfde status als goederen en diensten: ze dienen geen algemeen belang meer, maar hebben uitsluitend gebruiksnut. Een vraag is hoe dat zich verhoudt met Wagenaars pleidooi voor meer zelfbewustzijn van politici. Haar redenering kan zelfs beter worden omgedraaid: zou het gebrekkige zelfvertrouwen van politici in de representatieve democratie niet juist voortkomen uit de teloorgang van de politieke sfeer, waarvan een meer ‘bedrijfsmatige’ aanpak juist een symptoom is?

Deze vragen worden ook opgeworpen in Pluralisme, democratie en politieke kennis van de politicoloog Hans Blokland (niet te verwarren met de gelijknamige Europarlementarier). Het boek maakt deel uit van een trilogie met de ambitieuze titel ‘Een rehabilitatie van de politiek’. In het eerste deel, het in 2001 verschenen De modernisering en haar politieke gevolgen, legde Blokland het verband tussen de actuele discussie over de kloof tussen kiezers en politici en het denken van sociologen als Mannheim, Weber en Schumpeter over ‘modernisering’. Steeds meer menselijke activiteiten worden georganiseerd in gespecialiseerde verbanden, terwijl tegelijk de individualisering en de rationalisering toenemen. Gevolg is dat burgers zich steeds moeilijker kunnen identificeren met elkaar en met het algemeen belang. Hoe moderner de samenleving, hoe moeilijker het voor de politiek is om burgers op een gezamelijk programma te verenigen. Blokland gaat ervan uit dat de democratie het moet hebben van een politiek actieve minderheid die de democratie daadwerkelijk draagt – en vertrouwen wekt bij de minder actieve kiezer. Maar die politieke elite moet dan wel ontsnappen aan de greep van de economische en maatschappelijke processen, die typerend zijn voor de moderniteit. Voorwaar geen geringe opgave.

Het zou mooi zijn als Blokland dit pleidooi voor politiek zelfbewustzijn – niet van de kiezer, maar allereerst van politici zelf – eens in een essay zou vervattten dat ook buiten de kring van politicologische specialisten aantrekkelijk zou zijn om te lezen. Misschien is dat iets voor deel drie – want daarin zou te lezen moeten zijn hoe deze rehabilitatie van de politiek precies gestalte zou moeten krijgen – overigens een nogal teleurstellend besluit van dit tweede deel.

Een stap verder gaat de Amerikaanse politieke filosoof Michael Walzer. Zijn boek, Politics and Passion is een intelligent opgebouwde analyse van de dillema’s van Amerikaanse progressieven en Europese sociaal-democraten, waar Walzer dicht bij staat. De kern van progressieve politiek is volgens hem: de permanente afweging van belangen en keuzemogelijkheden die in principe een zo groot mogelijke groep burgers in staat moet stellen om eigen beslissingen te nemen in een open samenleving. Maar de uitkomsten van deze ‘deliberatieve’ politiek gaan volgens Walzer voorbij aan de kracht van niet-rationele passies en verlangens die mensen koesteren, vaak als onderdeel van een gemeenschap zoals de natie, soms zelfs regelrecht tegen hun eigenbelang in. Juist politici die het goed bedoelen, kunnen in alle redelijkheid geschikte compromissen en oplossingen vinden, die de kiezer toch niet overtuigen. Het antwoord van Walzer is een pleidooi voor meer passie, juist van hen die wel naar rationele oplossingen voor maatschappelijke problemen blijven streven.

Dat is een boodschap die de voorstanders van de Europese Grondwet – in Frankrijk en in Nederland – aan het denken zou kunnen zetten: zij brachten de afgelopen weken immers naar voren dat de Grondwet voor de Europese Unie misschien niet ideaal is, maar wel de beste oplossing voor praktische problemen – een typisch voorbeeld van Walzers ‘deliberatieve’ politiek. Toch haalden ze
bakzeil. Was meer passie genoeg geweest? Als je alle analyses van de dillemma’s van de hedendaagse democratie bij elkaar optelt, lijkt dat twijfelachtig. Zo’n opsomming levert meer dan genoeg ingredienten op voor een stevige democratische identiteitscrisis. Gekozen politici worden geconfronteerd met beleidsproblemen die ze nauwelijks de baas kunnen. Bestuurders zoeken naar pragmatische, compromisgerichte antwoorden, maar dat gaat ten koste van hun politieke herkenbaarheid. Alle grote middenpartijen gaan op elkaar lijken, nu de ideologische strijdbijl nagenoeg is begraven. Tegelijkertijd moeten politici wel met elkaar vechten om baantjes en publieke zichtbaarheid. De kiezer is ondertussen onberekenbaar, zodat het lastig is te weten wat je precies moet doen
om herkozen te worden. De conclusie kan alleen maar somber zijn: politici zijn net als de kiezers zelf in toenemende mate machteloos.

Hans Blokland: Pluralisme, democratie en politieke kennis: ontwikkelingen in de moderne tijd. Een rehabilitatie van de politiek. Van Gorcum, 475 blz. E45,-

Jan Terlouw: Achter de barricaden. Herfstdagboek. L.J. Veen. 174 blz. E16,50

Michael Walzer: Politics and Passion. Towards a More Egalitarian Liberalism. Yale Universtiy Press, 184 blz. E23,93

Marja Wagenaar: Het einde van de buitenspelcultuur. Een democratisch antwoord op het populisme. Bert Bakker, 231 blz. E18,95

Frits Bolkestein: Grensverkenningen. Dagboek van een Eurocommissaris. Bert Bakker, 322 blz. E19,95

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.