De verhouding tussen Elon Musk en de sociaaldemocratische regering in Brandenburg waar Tesla onlangs een Gigafabriek opende, illustreert wat Charles Lindblom in 1977 betitelde als de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven. Om deze verhouding te duiden hadden academici, politici en burgers vóór de jaren tachtig een interpretatiekader, dat daarna evenwel grotendeels uit het publieke bewustzijn is verdwenen. Het laatste verheldert de hegemonie van de ideeën van de belangrijkste actoren in een private markteconomie en verklaart mede de neergang van sociaaldemocratische partijen, vakbonden en instellingen in Europa en Amerika.

Elon Musk, eigenaar van Tesla en de rijkste man ter wereld met een geschat vermogen van 300 miljard dollar, heeft een gigafabriek voor elektro auto’s in Grünheide, Brandenburg, gebouwd. Met deze fabriek, de grootste van Tesla buiten de VS en de eerste in Europa, gaat hij de strijd aan met zijn West-Duitse concurrenten, in hun eigen achtertuin.

De fabriek vergde naar schatting tot dusver vijf miljard Euro aan investeringen, zal om te beginnen 12.000 werknemers tellen en per jaar een half miljoen auto’s produceren. Daarnaast komt er een accufabriek, vanzelfsprekend de grootste ter wereld, met 2.000 werknemers. In de laatste fabriek investeert Tesla eveneens ongeveer vijf miljard Euro. Twintig procent van dit bedrag, 1.14 miljard, bestaat uit subsidie van de Duitse overheid, die daarvoor vooral middelen van de Europese Unie aanboort.[1] Uiteindelijk, wanneer de fabrieken volledig zijn ontwikkeld, kunnen rond 40.000 arbeidsplaatsen worden geschapen, plus een vergelijkbaar aantal arbeidsplaatsen bij toeleveringsbedrijven, die zich reeds nu in de nabijheid van Grünheide vestigen. Naar schatting zal minimaal een derde van de werknemers uit Polen moeten komen, die dagelijks vanuit Polen naar de Tesla fabriek zullen pendelen[2], samen met duizenden andere Polen die in de logistiek bedrijven aan de zuidrand van Berlijn werkzaam zijn.

Brandenburg is een van de minst tot de verbeelding sprekende Bundesländer. Het telt niet meer dan ongeveer tweeëneenhalf miljoen inwoners, een miljoen minder dan voor de samenvoeging met West-Duitsland. Zodra ze de mogelijkheid hadden, trokken velen weg (Blokland 2016). Brandenburg staat in Duitsland voor traagheid, leegheid, verveling en sulligheid.[3] Het is dermate traag dat zijn bestuur en justitieel apparaat nog altijd in belangrijke mate worden bevolkt door vertegenwoordigers van een dictatuur die reeds dertig jaar geleden ophield te bestaan (Blokland 2020). Het is er plat, er lopen wat wolven rond en zijn grootste attractie is Berlijn, dat als een landingsschip uit een andere wereld in het midden van Brandenburg ligt. Berlijners zijn dan ook eerder geneigd het vliegtuig naar Majorca te nemen, dan een tripje in Brandenburg te maken.

Elon Musk is een dynamische, hyperintelligente en extravagante ondernemer in het autistische spectrum. In December 2021 riep Time Magazine hem uit tot “Person of the year”, hetgeen een erkenning is voor de person “who had the most influence on the events of the year, for good or for ill”. Time omschreef hem als een “clown, genius, edgelord, visionary, industrialist, showman, cad”, wees op de successen van zijn firma’s SpaceX, SolarCity en Tesla, maar ook op zijn merkwaardige aversies tegen vakbonden en het betalen van belasting (zijn belastingafdrachten worden op niet meer dan 3.27% geschat), zijn visioenen op de Maan en op Mars menselijke nederzettingen te vestigen (”it’s just exciting”), zijn soms harteloze optreden tegen medewerkers, en de curieuze tweets die hij geregeld, gezeten op zijn “porseleinen troon”, aan zijn 66 miljoen volgers stuurt, tweets die, voordat hij door de rechter werd gedwongen ze eerst aan advocaten voor te leggen, gigantische koersschommelingen op de beurs konden veroorzaken. Musk is dermate aanwezig in het publieke domein, dat Tesla, stelde de voorzitter van zijn ondernemingsraad in Time Magazine, niet of nauwelijks geld aan advertenties hoeft te besteden. Zijn vriend Bill Lee stelde in hetzelfde blad, “He’s probably the most viral social influencer ever.”

Het wekt dan ook geen verbazing dat Musk in april 2022 een belang van 9.2% in Twitter nam. Hiermee werd hij de grootste aandeelhouder van dit mediabedrijf. Tevens werd hij lid van het bestuur. Musk verklaarde bij zijn intrede veel ideeën te hebben over hoe Twitter verbeterd kon worden (New York Times, 5 april 2022).

De fascinatie van velen met Musk verklaart Time Magazine als volgt: “The man from the future where technology makes all things possible is a throwback to our glorious industrial past, before America stagnated and stopped producing anything but rules, restrictions, limits, obstacles and Facebook.” Niettemin wordt Musk geregeld, zeker door links, met argwaan bekeken. Maar, schreef Douglas Coupland in The Guardian, “here’s the thing: Musk has a huge IQ. He is measurably, scientifically, clinically and demonstrably the smartest person in any room anywhere” (29.08.2021). Musk (1971) heeft nog zeker “three more high-functioning decades to go”, dus we kunnen er maar beter van genieten, stelde Coupland.

Tesla heeft vandaag een beurswaarde van meer dan een triljoen Euro, waarmee het traditionele autofabrikanten, die overigens doorgaans aanzienlijk grotere aantallen auto’s produceren, ver in de schaduw stelt. Ondanks de problemen die werden veroorzaakt door de Coronapandemie, was de omzet in 2021 ongeveer 32 miljard euro, tendens zeer sterk stijgend. Brandenburg heeft een Bruto National Product van ongeveer 74 miljard dat door ongeveer 1.1 miljoen werkenden tussen de 15 en 65 jaar wordt voortgebracht (op een bevolking van 2.53 miljoen).

De vestiging van Tesla is uiteraard voor Brandenburg van enorme betekenis. De directeur van de overheidsinstelling “Wirtschaftsförderung Land Brandenburg” (WFBB), Steffen Kammradt, vertelde de Märkische Allgemeine Zeitung (MAZ; het grootste dagblad in Brandenburg) dat hij, sinds het accoord met Ego Musk in het Adler hotel in Berlijn gesloten werd (op 12 november 2019), zijn papieren kalender niet verder had omgebladerd. Door deze deal, die in het diepste geheim werd afgesloten, heeft „Brandenburg sich in kurzer Zeit einen Ruf als ‘place to be’ erarbeitet.“ Het merk Brandenburg is „in die Top-Liga der Automobilstandorte in Europa“ opgestegen (MAZ 23.11.2021). Aan de MAZ (28.10.2021) verklaarde de Minister van Economische Zaken, Jörg Steinbach: „Brandenburg habe jetzt die einmalige Chance, wirtschaftlich zu Bayern oder Baden-Württemberg aufzuschließen.“ (Bayern heeft overigens zes keer zo veel inwoners als Brandenburg, en Baden-Würtenberg vijfmaal zo veel).

Vanzelfsprekend hadden ook andere Bundesländer Tesla graag verwelkomt. Mecklenburg-Vorpommern viste achter het net en inmiddels is alhier het zwarte pieten spel begonnen wie hiervoor verantwoordelijk is. De minister-president, Manuele Schwesig (SPD), stelt niet betrokken te zijn geweest bij de mislukte gesprekken met Tesla, hetgeen de voormalige minister van economische zaken van de CDU met klem tegenspreekt. Gelekte documenten lijken hem deels gelijk te geven.[4]

Een persoon met zoveel beslismacht is een graag geziene gast bij politieke bestuurders. Het is niet alleen dat het charisma en de macht van Elon Musk op hen afstralen, door zijn beslissingen over vestigingsplaats, investeringen en werkgelegenheid, kan hij politieke carrières maken en breken. In Berlijn heeft Elon Musk daarom toegang tot de hoogste kringen. Der Spiegel meldde op 2 september 2020 dat Musk naar Berlijn was gekomen en achtereenvolgens had gesproken met „eine ganze Reihe von Regierungsmitgliedern und Spitzenpolitikern der [Christendemokratische] Union: Bundeswirtschaftsminister Peter Altmaier, Gesundheitsminister Jens Spahn, Forschungsministerin Anja Karliczek und Fraktionschef Ralph Brinkhaus.“

In Brandenburg is zijn populariteit onder bestuurders vanzelfsprekend niet minder. Bij hetzelfde bezoek aan Duitsland sprak Musk met de Ministerpresident van Brandenburg, Dietmar Woidke (SPD) en de reeds aangehaalde Minister van Economische Zaken van deze deelstaat, Jörg Steinbach (SPD). Dit gesprek was “sehr angenehm und konzentriert gewesen”, verklaarden de beide sociaaldemocraten later aan Der Spiegel. “Vor uns steht noch viel Arbeit” had Woidke echter tevens gesteld. Bestemmingsplannen moesten namelijk worden aangepast, vergunningen moesten worden verleend, de infrastructuur moest worden ontwikkeld: een bos van 300 hectare moest worden gekapt, toegangswegen moesten worden aangelegd, het treinstation moest twee kilometer worden verlegd[5], de watervoorziening moest worden geregeld (een giga autofabriek verbruikt gigantische hoeveelheden water, water dat in Brandenburg, de warmste en droogste regio van Duitsland, ieder jaar schaarser wordt)[6], de toekomstige werknemers moesten ergens wonen[7], hun kinderen hadden kinderdagverblijven en scholen nodig, et cetera. Ook dienden vele lokale bewoners die de drastische veranderingen van hun leefomgeving niet altijd onverdeeld toejuichten en allerlei juridische en politieke procedures startten om de plannen aan te passen of zelfs te torpederen, te worden overtuigd van de noodzaak of de onvermijdelijkheid van de gigafabriek.

Gelukkig verliepen de gesprekken met de toppolitici van Brandenburg in een zeer goede sfeer. Op 11 Augustus 2021 treffen Musk,

Elon Musk. Foto van Jörg Steinbach.

Woidke en Steinbach elkaar in het bijzijn van de familie van Musk. Trots twittert minister Steinbach een foto van Elon en meldt in het Duits[8] en het Engels: “Very relaxed evening meeting with @elonmusk, D. Woidke, co-workers on both sides and myself. In an atmosphere of mutual trust we discussed the remaining tasks. Thanks to you and your great family for this visit, Elon!” Deze tweet krijgt 2103 likes en wordt 175 geretweetet. In een van de reacties wordt overigens de verwondering uitgesproken dat Steinbach in een interview had verklaard dat Elon hem had beloofd het Duitse arbeidsrecht te respecteren. Was dit niet vanzelfsprekend daar Brandenburg een onderdeel van Duitsland is?

Jörg Steinbach is begeesterd van het project. Op 15 October 2021 twittert hij enthousiast in het Duits[9] en Engels: “Today I was lucky. Upon my return from a business trip todays‘s approach to @berlinairport allowed me to take these photos of  @Giga_Berlin.”

Tesla Gigafabriek in Brandenburg. Foto van Jörg Steinbach.

Ondanks het enthousiasme van de SPD-Minister van Economische Zaken van Brandenburg, had Tesla eind 2021 nog altijd geen definitieve bouwvergunning voor de fabrieken gekregen. Alle vergunningen waren voorlopig, in afwachting van allerhande milieutoetsen en inspraak- en beroepsprocedures van burgerorganisaties. De productie, waarvan de start oorspronkelijk voor juli 2021 was gepland, kon daarom niet worden begonnen, tot grote ergernis van Musk. Reeds in mei 2021 laat hij Der Spiegel (17.05.2021) weten: “Wenn es immer mehr Regeln gibt, kann man am Ende gar nichts mehr machen.“ Een maand eerder had Tesla in een positiepapier, gericht aan het Oberverwaltungsgericht Berlin-Brandenburg, gesteld: „Der deutsche Genehmigungsrahmen für Industrie- und Infrastrukturprojekte sowie für die Raumplanung steht in direktem Gegensatz zu der für die Bekämpfung des Klimawandels notwendigen Dringlichkeit der Planung und Realisierung solcher Projekte“ (Der Spiegel 08.04.2020). Het irriteerde Tesla vooral dat projecten die de klimaatverandering veroorzaken, op dezelfde wijze door de bureaucratie worden behandeld, als projecten die deze verandering tegengaan. Tesla heeft hier zeker een punt, maar of elektro-auto’s onmiddellijk tot de laatste projecten kunnen worden gerekend, valt natuurlijk nog maar te bezien, daar de productie van deze vervoersmiddelen en het exporteren van vroegtijdig afgedankte auto’s met verbrandingsmotoren naar minder ontwikkelde landen (zoals Polen), voor jaren een enorme milieubelasting met zich mee zal brengen. Elektro-auto’s zijn geen fietsen.

Niettemin maakt de onvervaardheid waarmee Musk de fabriek uit de grond stamt indruk. Zo laat de “Mittelstandsbeauftragten der Bundesregierung”, Thomas Bareiß (CDU), het Handelsblatt in augustus 2020 noteren „Tesla zeigt, was möglich ist, wenn politischer Wille sowie effiziente und schnelle Bearbeitungsabläufe bei Verwaltung und Gerichten auf Umsetzungswillen in Wirtschaft und Industrie treffen”.[10] Tesla heeft hier een voorbeeldfunctie voor de hele Duitse economie.

De fabriek werd uiteindelijk op 22 maart 2022 feestelijk geopend. Iedereen was er. Elon Musk was reeds op 21 maart op het vliegveld van Berlijn-Brandenburg met zijn privéjet geland, berichtte de MAZ op dezelfde dag opgewonden.[11] De minister-presidenten van Brandenburg, Dietmar Woidke (SPD) en van Duitsland, Olaf Schulz (SPD), waren er, maar ook de Duitse Minister van Economische Zaken, Robert Habeck (die Grünen) en natuurlijk minister Jörg Steinbach die ook enige foto’s maakte.   De MAZ schreef in een commentaar: “Er hat es – wieder einmal – allen gezeigt. Mitten im Autoland Deutschland eine Fabrik dieser Größenordnung in Rekordzeit zu errichten, das ist schon eine Ansage. Oder, um in Musk-Dimensionen zu formulieren: eine kleine Marslandung.“[12] Van nu af aan zou er in Brandenburg nog slechts worden gesproken over de tijd vóór en die ná Tesla. Tesla zette Brandenburg, voorheen vooral bekend door massawerkeloosheid en het massaal wegtrekken van inwoners, op de kaart als modern industrieland.

Uit heel Duitsland waren er Tesla-fans naar Grünheide afgereisd in de hoop een glimp van Elon Musk te kunnen opvangen. „Die Markentreue der Musk-Gemeinde ist höchstens mit der religiösen Verehrung der frühen Apple-Kundschaft für Steve Jobs vergleichbar“ observeerde de MAZ (22 april 2022).  “Wir sind mega aufgeregt… es ist krank, es ist Wahnsinn, absolut Wahnsinn! Wir sind sehr gespannt!“ stelden enige bewonderaren.[13] Elon had de sleutels van de eerste dertig in Grünheide geproduceerde Tesla Model Y persoonlijk aan hun overgelukkige nieuwe eigenaren overhandigd, die deze gebeurtenis met een eigen gekozen muziekstuk luister mochten bijzetten. De inwoonster uit Brandenburg had “What a wunderful world” van Louis Armstrong gekozen.[14]

Het duiden van Musk en Tesla: de lange jaren tachtig.

Sommigen blijven een ongemakkelijk gevoel houden bij de macht die ondernemers als Elon Musk representeren. Hoe kan een enkele persoon in een democratie zoveel vermogen, invloed en beslismacht genereren? Een kerngedachte van de democratie is dat daar waar macht wordt uitgeoefend, verantwoording moet worden afgelegd. Waar is hier echter de verantwoording?

Tot ongeveer het einde van de jaren zeventig hadden politiek, wetenschap, media en burgers minder moeite gehad om Musk en Tesla te duiden. De jaren tachtig sloten een lange naoorlogse periode af waarin, in vergelijking met de huidige tijd, veel werd nagedacht over politieke, bestuurlijke en economische ordeningen. Er waren, zeker in de jaren vijftig, belangrijke meningsverschillen die onderwerp waren van vaak heftige, academische, publieke en politieke debatten en van verkiezingen. Dit alles droeg bij aan een betrekkelijk breed gedragen vocabulaire, dat het mensen mogelijk maakte over ordeningsvraagstukken gedachten te vormen. Met ingang van de jaren tachtig kwam hierin verandering. Dit gebeurde eerst langzaam, maar vanaf de ineenstorting van het Oostblok, razendsnel. Gaande deze ineenstorting, met de “Val van de Muur” als symbolisch, mediageniek hoogtepunt, werd iedere discussie over alternatieve maatschappelijke technieken of ordeningen op voorhand verdacht. “Het” was toch al geprobeerd en “het” had toch gefaald? De euforie in het Westen die werd geschapen over het vermeende eigen gelijk, legde een behaaglijke deken over academie, media en politiek waaronder ieder kritisch, onbevooroordeeld denken werd gesmoord.

Velen verwarden de gedachteloze eensgezindheid die aldus ontstond met een einde van de ideologieën, een einde van de Grote verhalen, een einde van de politiek en zelfs een einde van de geschiedenis. De geschiedenis zou van nu af aan uit niet meer bestaan dan een saaie, eindeloze reeks kleine aanpassingen van de status quo, stelde Francis Fukuyama in zijn The End of History and the Last Man (1992). Zeker, er kwam een steeds langere stoet in beweging van columnisten, journalisten en andere “mediapersoonlijkheden” die met grote heftigheid allerhande meningen ten beste gaven. Maar in overeenstemming met de postmodernistische tijdgeest ging het hier doorgaans, zo begrepen de lezer en de kijker natuurlijk ook wel, slechts om triviale, vooral grappig geformuleerde pogingen om de saaiheid van het einde der geschiedenis een beetje op te vrolijken. Postmodernisme en populisme zijn nauw met elkaar verbonden (Blokland 2017). Maar weinigen bemerkten aldus dat er niet zo zeer sprake was van een einde van de ideologieën, als wel van een einde van de aanwezigheid van concurrerende visies, een einde van een serieuze ideeënstrijd. Er bestond nog slechts één ideologie en deze was zo alomtegenwoordig en vanzelfsprekend dat niemand haar bemerkte. De lange jaren tachtig behoren hiermee tot de meest ideologische tijdperken uit de menselijke geschiedenis. Zij sloten geen door ideologie gekenmerkte periode af, zij vormden hiervan het begin.

In het volgende zal ik aan de hand van een thema van één boek, alsmede zijn receptie ten tijde van zijn verschijnen, illustreren wat aan de vooravond van de jaren tachtig als een plausibel denkkader voor ordeningsvraagstukken werd beschouwd. Aan de hand van hetzelfde boek ga ik daarna kort in op de vraag waarom dit denkkader gaande de jaren tachtig ondenkbaar werd. En tenslotte sta ik stil bij de vraag of de jaren tachtig kunnen worden afgesloten: kunnen wij met elkaar nog iets anders denken, dan in deze jaren onaantastbaar gemeengoed is geworden?

Politiek en markten

In 1977 publiceerde Charles E. Lindblom Politics and Markets: The World’s Political-Economic Systems.[15] De aan Yale University verbonden Lindblom (1917 – 2017) geldt in deze jaren onder politicologen, bestuurskundigen en politiek economen als een van de meest vooraanstaande naoorlogse denkers. Samen met zijn collega Robert A. Dahl behoort hij tot de grondleggers van de politieke theorie van het pluralisme, een theorie die de Amerikaanse politicologie decennialang heeft gedomineerd.[16] Kern hiervan is de empirisch en normatief onderbouwde these dat publieke besluiten tot stand komen in een nimmer eindigend onderhandelingsproces tussen belanghebbende groepen. De aanwezigheid van een pluraliteit van elkaar beconcurrerende groepen binnen en buiten de overheid bevordert zowel de spreiding van de macht als de kwaliteit van de publieke besluitvorming. Het laatste omdat iedere belangengroep het besluitproces verrijkt met de eigen kennis, waarden en doeleinden. Mochten er voor bepaalde inzichten en waarden onvoldoende aandacht bestaan, dan zal in een open democratische samenleving de oprichting van een nieuwe belangengroep die hiervoor opkomt, niet lang op zich laten wachten. Er is dus geen sprake van een gekozen democratische meerderheid die via de overheid een duidelijk, doordacht en samenhangend politiek program uitvoert. In plaats daarvan komt overheidsbeleid tot stand in een voortdurende concurrentiestrijd tussen een pluraliteit van groepen met deels overlappende en deels tegenstrijdige belangen. Wat doorgaans een democratie wordt genoemd, is in werkelijkheid een “polyarchie”.

De titel van Lindbloms boek verraadt zijn centrale uitgangspunt: maat­schappelij­ke stelsels onderscheiden zich primair van elkaar door de mate waarin de markt is vervangen door de politiek, of de politiek door de markt. Het gaat hierbij overigens niet om een harde scheiding tussen markt- en centraal geleide systemen, benadrukt Lindblom (1977: 11-13). Alle economische systemen maken immers gebruik van de markt – van geld, lonen en prijzen – ter allocatie van arbeid en goederen, en in alle systemen wordt de productie mede georganiseerd via hiërarchische bureaucratieën, of deze nu van privaat (Philips, Nestlé, General Motors, Tesla) of van publiek karakter zijn.[17] In zijn boek onder­zoekt Lindblom op zeer uitputtende wijze de voor- en nadelen van de twee genoemde fundamen­tele mechanismen en technieken van coördinatie en beheer­sing, alsmede van de vele mogelijke tussenvormen. Juist deze tussenvormen, die wij naar zijn mening volstrekt onvoldoende onderzoeken, hebben hierbij zijn bijzondere aandacht.  Het leidmotief in Politics and Markets, stelt hij in zijn voor­woord, vormt “(..) a reconsiderati­on of the validity of both classical liberal and pluralist thought. Both are found to be grossly defective, yet some core elements of them seem to remain firm” (1977: xi). In dit verband gaat Lindblom vooral in op, wat hij betitelt als, “de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven“. Deze positie wordt volgens hem in het liberale denken volstrekt verkeerd inge­schat (1977: 5).

De geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven

De rol die het bedrijfsleven speelt in de huidige polyarchieën onderscheidt zich in wezenlijke opzichten van die van andere belangengroepen, betoogt Lindblom. Zij bedreigt het maatschappelijke pluralisme en hiermee de democratische kwaliteit van de publieke besluitvorming. Om dit duidelijk te maken gaat hij allereerst in op de geregeld gepo­neerde stelling dat onderne­min­gen in een markt­sys­teem volledig worden beheerst en gestuurd door de wensen van de consu­ment en dus een machteloos instituut vormen.

Ondernemers, argumenteert Lindblom, hebben een belangrijke ‘discretionaire’ macht: zij kunnen (en moeten) tal van beslissingen nemen die hen niet door de markt worden opgelegd (1977: 152-7). De consumenten zijn in de eerste plaats niet geheel competent en kunnen via reclamecampagnes en dergelijke worden gemanipuleerd. De beslissings­macht van de producenten neemt derhalve evenredig toe met de incompe­tentie van de afnemers. In de tweede plaats beschikt een consument te allen tijde over niet meer dan een vetorecht: hij of zij kan slechts besluiten een product niet aan te schaffen. Het initiatief tot de productie van een specifiek goed ligt altijd bij de fabrikant. In de derde plaats dienen ondernemers tal van keuzen te maken over investe­ringen en productieprocessen, die zij niet kunnen baseren op ondub­belzinni­ge marktge­gevens, op tot uitdrukking gekomen consumentenvoor­keu­ren. Zo liggen de ontwikkelingen van de conjunctuur en van de preferenties van de consumenten hiervoor te veel open. Evenzo levert de markt geen antwoor­den op vragen als of men zijn winst, dan wel omzet moet maximalise­ren en of dit op de korte, dan wel de lange termijn moet gebeuren. Buitenge­woon groot is de beslis­ruimte van onderne­mers of managers, in de vierde plaats, met betrekking tot de, uiterst belangrijke ‘instrumen­tele’ keuzen betreffende het productiepro­ces. Het gaat hier om zaken als de aan te wenden techno­logie, de plaats van vestiging, de organisatie van het werk, en de salaris­sen en de andere beloningen van de ondernemers. De keuzen die op deze terreinen worden gemaakt, bepalen volgens Lindblom in hoge mate de structuur van de economie. En in de vijfde plaats kunnen onderne­mers op eigen gezag beslissingen nemen over de omvang en het karakter van hun ‘public relations’, advertentiecampagnes en lobbyactiviteiten, over de bezetting van de topposi­ties, de omvang van de ondersteuning aan onderwijs en onderzoek, en de steun aan politieke partijen en hun verkiezingscampagnes.

Zeker naarmate bedrijven in omvang groeien, vormen al de genoemde be­voegdheden naar de mening van Lindblom een grote inperking en ook een bedrei­ging van de volkssoeve­reiniteit. Geen van de bestaande polyarchieën heeft dit tekort aan democratie volgens hem werkelijk onderkend (1977: 156). Het bedrijfsleven heeft tot dusver ook iedere poging tot het vergroten van de democra­tische beheersing met succes afgeslagen. De werking van de vrije markt zou vereisen dat ondernemers de volledige controle bezitten over hun kosten. Maar zij nemen, zoals wij zagen, een groot aantal beslissingen die zij onmogelijk (kunnen) baseren op kostenoverwegingen. De introductie van polyarchi­sche of democratische structuren van besluitvorming ten behoeve van de betreffen­de onderwer­pen leidt daarom niet noodzakelijk tot ongewisse of hogere kosten, stelt Lindblom (1977: 157). Zonder gevolgen voor de rationaliteit van de markt kunnen bijgevolg nieuwe, ‘hybride’ vormen van besluitvorming in de economische sector worden ingevoerd. Hoewel Lindblom deze uiterst gewenst acht, constateert hij dat de obstakels hiervoor immens zijn. Dit brengt ons op de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven.

De gijzeling van de politiek door het bedrijfsleven

Ondernemers zijn, zo bleek, in de bestaande polyarchieën belangrijke publieke functies toegewezen. De onderwerpen waarover zij beslissen zijn van de publieke agenda gehaald en hun besluiten komen tot stand zonder democra­tische controle. Hiermee is de publieke rol van ondernemers volgens Lindblom echter nog lang niet uitputtend beschreven: zij oefenen een invloed uit op het beleid van de overheid welke door geen enkele andere belangengroep wordt geëvenaard. Hun ge­privile­gieerde positie in deze, schrijft Lindblom, is te danken aan het feit dat een landsbestuur niet onver­schillig kan staan tegenover de ba­nen, prijzen, nationale producten, groeicijfers, levensstandaarden welke in hoge mate in de handen van de ondernemers liggen (1977: 172-3). Een hoge werk­loosheid of inflatie, een economi­sche depressie, een teruglo­pende of te lang­zaam stijgende welvaart kunnen een regering ten val brengen. Iedere regering stelt zich derhalve tot taak te bevorde­ren dat het bedrijfsleven zijn publieke functies optimaal vervult. De eigen legitimiteit is hiervan afhankelijk. Bij alles wat zij doet houdt zij rekening met de effecten op het bedrijfsleven – of het nu gaat om fiscaal, monetair, sociaal, milieu- of buitenlands beleid. Daarenboven verschaft zij, al dan niet op verzoek, subsidies, speciale belastingfaciliteiten en andere hulp, verzorgt zij een infra­structuur, een economische wetgeving en een scholingssys­teem, bevordert zij de export, belemmert zij zo nodig via tariefmuren de import, steunt zij onderzoek naar en ontwikke­ling van nieuwe producten, enzovoorts. De relatie tussen de overheid en het bedrijfs­le­ven heeft daarbij in een vrijemarkteconomie een zeer specifiek kenmerk: de overheid kan niets afdwingen of opdragen, zij kan onder­nemin­gen hooguit tot iets stimuleren of bewegen. Hiertoe dient zij ondernemin­gen gunsten te verlenen en voor­delen te bieden. Alle hierbo­ven genoemde maatregelen zijn hiervan voorbeelden: zij vormen geen bevelen, geboden of opdrachten, maar stimuli, lokmiddelen en prikkels.[18]

Eén van de grote misverstanden binnen de traditionele economische theorie, schrijft Lindblom, is dat een marktsysteem slechts bestaat uit de relaties tussen aanbieders en vragers en dat de aankoop van hun goederen en dien­sten voldoende is om producenten er toe te brengen hun functies te vervul­len (1977: 173). Op een dergelijk fundament kan echter geen enkele volwaardi­ge econo­mi­sche productie van de grond komen. Overheden in op de markt georiënteer­de systemen hebben daarom altijd uitvoerig in de markt geïntervenieerd, met juridische, economische en sociale maatregelen, om het economisch leven aan te wakkeren en ook mogelijk te maken (cf. Polanyi 1944: 140ff; Blokland 2008: 155-76, 239-51). En hoe meer zij met de economische sector verbonden raakten, hoe groter hun publieke legitimiteit afhankelijk werd van het presteren van deze sector.

Ondernemers zijn daarom in de ogen van vertegenwoordigers van het politieke systeem geen behartigers van willekeurige belangen. Het zijn functionaris­sen die onmisbare publieke functies vervullen en de betrokkenen zijn zich hiervan uitste­kend bewust: zo nodig zullen zij de politici en de ambtenaren hieraan herinne­ren. Hij vat de geprivi­legieerde positie van ondernemers aldus samen: “Any government official who understands the requirements of his position and the responsibilities that market-oriented systems throw on businessmen will … grant them a privileged position. He does not have to be bribed, duped, or pressured to do so. Nor does he have to be an uncritical admirer of businessmen to do so. He simply understands, as is plain to see, that public affairs in market-oriented systems are in the hands of two groups of leaders, government and business, who must collaborate and that to make the system work govern­ment leadership must often defer to business leadership” (1977: 175). Om deze bijzondere positie van het bedrijfsleven in te zien, en de hoofdstroom van de traditionele politieke wetenschap heeft dit volgens Lindblom nagelaten, heeft men dus geen samenzweringstheorie nodig. “Business”, schrijft hij, “simply needs inducements, hence a privileged position in government and politics, if it is to do its job” (1977: 175).

Het bedrijfsleven en de overheid zijn dus volgens Lindblom in een innige symbiose verstrengeld. Te zamen creëren zij een extreme vorm van wederzijdse aanpas­sing, ondanks de aanwezigheid van een polyarchisch bestel (1977: 179-80). De wederzijdse aanpassing geschiedt via, niet voor burgers toegankelij­ke, onderlinge onderhande­lingen en beraadslagingen, en, belangrijker, op indirecte wijze, via anticipatie op elkaars belangen. Daarnaast krijgen vertegenwoordigers van het bedrijfsleven ook zitting in, met beslisbevoegdhe­den toegeruste bedrijfs- en handelsorganen (1977: 185-7). Menings­verschil­len en belangenconflic­ten zijn, erkent Lindblom, beslist mogelijk tussen beide partijen. Zij zullen echter altijd binnen het kader van de wetenschap blijven, dat zij noodza­kelijker­wijs de leidende rollen binnen het bestaande systeem spelen. Elkaars positie en fundamentele kwesties als de private eigendom en de vrije markt zullen niet werkelijk aan de orde worden gesteld. Niettemin heeft Lindblom in 1977 de indruk dat de verhouding tussen beide partijen gedurende de laatste decennia uiterst langzaam, maar gestaag ten gunste van de overheid is veranderd: het bedrijfsleven verliest privileges en de overheid wint aan gezag (1977: 180).

Het heeft geen betoog nodig dat deze trend omstreeks de tijd dat Lindblom dit schreef drastisch in de andere richting werd omgebogen. In de lange jaren tachtig werd de positie van het bedrijfsleven steeds sterker door deregulering, privatisering en verzelfstandiging.

De gevolgen van de machtspositie der ondernemers voor de democratie

Wat zijn volgens Lindblom de politieke consequenties van de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven? De belangrijkste is uiteraard dat polyarchieën de facto door twee verschillende groepen leiders worden geregeerd of beheerst en dat slechts één van deze twee, de politici, enigszins is onderworpen aan polyarchische controle. Daarenboven ondergraaft de exclusieve positie van de ondernemers de reeds betrekkelijk beperkte mogelijkheden van de burgers om, via demo­cratische regels en procedures, invloed op het landsbe­stuur uit te oefenen. Politici en ambtena­ren zijn immers niet alleen de lastdragers van de burgers, maar ook van het bedrijfsleven (1977: 189-90).

Kenmerkend voor de vragen die het bedrijfsleven aan de overheid stelt, is dat zij niet via electorale processen worden geformuleerd. Bovendien zijn zij niet afhan­kelijk van, en geregeld in conflict met, de voorkeuren van het electoraat. Uit door Lindblom aangehaald empirisch en historisch onderzoek blijkt, dat tal van wettelijk maatregelen op allerhand gebied niet zijn genomen in reactie op verlangens van de kiezers, maar op die van specifieke groepen onderne­mers. Evenzo komt uit onderzoek naar voren dat tal van electorale voorkeuren onver­taald zijn gebleven in beleid, daar zij confligeerden met de belangen van het bedrijfsleven (1977: 190-1). Niettemin zou er volgens Lindblom in een nog aanmerkelijk groter aantal situa­ties dan thans het geval is een tegenstel­ling moeten zijn tussen de verlan­gens van het bedrijfsleven en die van het electoraat. Veel minder dan men zou mogen verwachten vragen kiezers ech­ter om, bij voorbeeld, inkomens­herverde­ling, beteuge­ling van monopolies, democratische controle in en van bedrijven, laat staan, om centrale planning. Een deel van de verklaring hiervoor is, in Lindbloms visie, dat ondernemers niet alleen invloed uitoefenen op de overheid, maar ook op de polyarchi­sche processen waarmee de burgers trachten dezelfde overheid te beheer­sen (1977: 192, 200). Het laatste doen zij via activiteiten in belan­gengroe­pen, politieke partijen en verkie­zingscam­pagnes.

Lindblom hamert erop dat de doeltreffendheid waarmee het bedrijfsleven zijn invloed laat gelden in polyarchische processen door geen enkele andere groepering wordt geëvenaard (1977: 194). De ondernemers kunnen namelijk de hulpbronnen inzetten waarover zij beschikken in hun hoedanigheid als ‘publieke beambten’ (vergelijk Blokland 2005: 345-57; 2008: 199-210). Ten eerste beschikken zij over buitengewoon omvangrijke fondsen (1977: 194-6). Deze worden aangewend ten behoeve van politieke partijen en verkie­zingscampagnes, lobbyactiviteiten bij de overheid, politieke en ‘institutionele’ advertenties in de massamedia, lesmateriaal voor openbare onderwijsinstellin­gen en juridische processen die zijn bedoeld om het overheidsbeleid te beïnvloeden. De schaal waarop dit alles gebeurt, stelt de activiteiten van nagenoeg alle andere belangengroepen volledig in de schaduw.

Wat ondernemers, ten tweede, zeer tot voordeel strekt is dat zij gebruik kunnen maken van reeds bestaande organisaties, namelijk hun bedrijven. Ook burgers kunnen zichzelf organiseren, maar dit kost tijd, energie en geld. Hun bezigheden zullen vaak in de sfeer van goedwillend amateurisme blijven. Bedrijven zijn echter professio­nele instellingen met gelden en vakmensen die ook voor andere activiteiten kunnen worden ingezet, in casu lobbyactiviteiten.

Ten derde zijn ondernemers bevoordeeld ten opzichte van andere burgers door hun eenvoudige toegang tot overheidsfunctionarissen. Elon, Jörg, Dietmar, Jens, Peter, Anja, Ralph, Robert en Olaf tutoyeren elkaar.  Dit danken ondernemers uiteraard aan hun geprivilegieerde positie. Zij zijn bekend met, worden welwillend tegemoet getreden door en zijn reeds ‘in gesprek’ met ambtenaren en politici. Wanneer zij, schrijft Lindblom, deze bestuurders vervolgens benaderen als gewone burgers, als burgers die politiek bedrijven, dan zal niemand het verschil bemerken. Ook zij zelf niet (1977: 197-8).

Op elk van deze drie gebieden, stelt Lindblom, zijn andere belangen- en actiegroepen sterk in het nadeel. Dit geldt dus ook voor de vakbonden van werkne­mers. Deze hebben er bovendien doorgaans mee te kampen dat zij minder sociaal aanzien genieten, minder respectabiliteit en autoriteit bezitten, dan hun tegenpolen.[19] De waarden die werkgevers uitdragen – privébezit, orde en gezag, harmonie – zijn namelijk gelijk aan de waarden van de politiek dominante middenklassen.

Kortom, in de systemen die Lindblom betitelt als polyarchieën, wordt er op verschillende fronten tegelijkertijd strijd geleverd om de macht. Vanzelfsprekend is er het gevecht tussen autoriteiten onder­ling en tussen leiders en hun uitdagers. Dit kenmerkt ieder politiek bestel. Daarnaast is er de strijd tussen politieke partijen. Deze strijd is empirisch het best waarneembaar. Voorts is er een conflict tussen het bedrijfsleven en het politieke systeem. Het bedrijfsleven kan dankzij zijn geprivilegieerde positie eisen stellen aan de overheid, terwijl de burgers via dezelfde overheid pogen hun wensen in beleid te vertalen. En ten­slotte is er het streven van ondernemers om rechtstreeks de polyarchische politiek te beheersen – via lobby’s, donaties en dergelijke.

De beïnvloeding van de publieke opinie door het bedrijfsleven

Met betrekking tot het pogen van ondernemers om direct invloed op de politiek uit te oefenen, acht Lindblom het bovendien mogelijk, dat ondernemers er, bewust en onbewust, in slagen om de politieke voorkeuren van de burgers in die mate te beïnvloeden, dat deze vanzelfsprekend hun positie en hun belangen bevestigen. Bijgevolg zou er sprake kunnen zijn van een gesloten cirkel, waarbij het bedrijfsleven door de burgers ‘beheerst’ zou worden op basis van waarden, opvattingen en voorkeuren die door hetzelfde bedrijfsleven zijn opgewekt. Naar de mening van Lind­blom moet deze eventuele vicieuze cirkel serieus nader worden onderzocht.

Een mogelijk geval van indoctrinatie betreft volgens Lindblom allereerst de wijze waarop het bedrijfsleven zijn geprivilegieerde positie legitimeert. Ondernemers pogen de burgers ervan te overtuigen, dat de macht en de invloed die zij uitoefenen op de overheid en op de publieke besluitvorming een normaal, alledaags onderdeel zijn van de polyarchie. Door bij voorbeeld het polyarchi­sche spel van inspraak en overleg gedreven mee te spelen, suggereren zij dat besluiten die voorname­lijk onder hun druk tot stand zijn gekomen, het legitie­me resultaat zijn van een waarlijk democratisch proces en dat zij te zamen slechts één van de vele belangen­groepen vormen die in de besluit­vorming actief zijn. Evenzo pogen zij hun positie te legitimeren door via de media de bood­schap te ver­sprei­den, dat het privé-onderne­mer­schap en de politieke demo­cra­tie nauw met elkaar zijn verbonden en dat iedere aanval op het eerste instituut een aanval op het tweede impli­ceert.

Van de tweede en meest vergaande vorm van indoctrinatie is volgens Lindblom sprake wanneer fundamentele kwesties van de publieke agenda worden geweerd die ondernemers onwelgevallig zijn (1977: 205). Dit gebeurt indien wordt voorkomen dat onderwerpen op de agenda komen als het instituut van de privéonderneming, de hoge mate van bedrijfsautonomie, de uiterst ongelijke verdeling van inko­men en vermogen, en de nauwe samenwerking tussen over­heid en bedrijfsleven. De kans hierop groeit wanneer een beeld van de werkelijk­heid wordt gecreëerd, waarin deze onderwer­pen op geen enkele wijze mogelijke problemen vormen waarvoor alternatieve oplossingen denkbaar zijn.

Op welke wijzen bereikt de boodschap van de ondernemers de burgers en in hoeverre is deze effectief? Lindblom wijst erop dat het bedrijfsleven niet altijd zelf de bron van de desbetreffende informatie vormt en dat de bron zelden direct traceerbaar is: “The message usually reaches the citizens indirectly in a news story or broadcast, a magazine article, a film, an editorial, a political speech, or a conversation. Only a small part of it comes explicitly from a business source” (1977: 206). Kenmerkend voor de boodschap is tevens dat zij de burgers zelden op andere gedachten hoeft te brengen. Zij bevestigt voornamelijk de status quo. De burger wordt duidelijk gemaakt dat de visie die hij heeft op de politiek-economische ordening, een visie die hem van jongs af aan is bijgebracht en die, zeker in de Verenigde Staten, zelden wordt aangevochten, nog altijd juist en betamelijk is.[20] Het gevolg is dat de bestaande politiek-economische instituties “come to be taken for granted. Many people grow up to regard them not as institutions to be tested but as standards against which the correctness of new policies and institutions can be tested” (1977: 207). In hun pogingen om de politieke verlan­gens van het electoraat te beïnvloeden dient het bedrijfsleven bijgevolg vaak niet meer te ondernemen dan in te spelen op diep gevoelde, nauwelijks rationele sentimen­ten.

Indien de boodschap van het bedrijfsleven inderdaad zijn doel bereikt, dan zouden de electorale wensen van de burgers tamelijk beperkt moeten zijn en de fundamenten van de bestaande politiek-economische ordening onaangetast moeten laten. Dit is ook, stelt Lindblom, precies het geval. Het conformisme aan de status quo is in alle polyarchieën wijdverbreid, hoewel in hogere mate in de Verenigde Staten als in de Europese landen. Zo vragen de kiezers nergens om meer centrale planning of om een grotere gelijkheid in inkomen en vermogen. Het is, schrijft Lindblom, “one of the world’s most extraordinary social phenomena that masses of voters vote very much like their elites. They demand very little for themselves” (1977: 209). Het conformisme op deze gebieden is des te merkwaardiger daar waarden en opvattingen op de terreinen van de seksualiteit, het huwelijk, de omgangsvormen of de kleding wel grote veranderingen te zien hebben gegeven.

Kortom, niet alleen in communistische of andere autoritaire landen, maar ook in polyarchieën wordt de publieke en politieke discussie sterk beperkt. In de polyarchieën, schrijft Lindblom, “core beliefs are the product of a rigged, lopsided competition of ideas“ (1977: 212). De wijze waarop autoritaire systemen de publieke opinie bepalen, is uiteraard aanmerkelijk minder zachtzinnig. Maar in het licht van het democratische ideaal is deze beperking van de discussie in de bestaande poly­ar­chieën wel degelijk een probleem. Deze systemen hebben hun burgers een in de geschiedenis wellicht onvergelijkba­re (negatieve) vrijheid gebracht. Maar het is kennelijk, schrijft Lindblom, voor de betrokken burgers moeilijk “to remind themselves of how unequal the competi­tion of ideas is and how far governments still fall short of achieving a larger liberation of man’s minds to accomplish the degree of popular control that only then might be possible” (1977: 213).

De verburgerlijking van het electoraat

Een met het voorgaande verbonden belemmering van een goed functione­ren van de politieke democratie die Lindblom tot slot onderzoekt, vormt de hoogste sociaal-economi­sche klasse en de maatschappelijke dominantie van haar waarden. Zijn opvattin­gen op dit terrein formuleert hij in de vorm van proposities (1977: 222-8).

Een sociale klasse omschrijft Lind­blom losjes als een groep mensen met een gemeenschappelijke cultuur en een vergelijkbare sociaal-economische status. In alle polyar­chieën bestaan er volgens hem klassen, ook al denken met name Amerikanen in een klasse­loze maatschappij te leven. De hoogste bevat de ruimst bedeelden, een groot aantal topambtenaren en politici, veel ondernemers en managers, tal van universitai­ren, academici en professio­nals, en menig journalist en ander publiek figuur. De leden van deze klasse zijn op vele verschillende wijzen bevoorrecht: zij zijn welgestelder en invloedrijker, bezitten meer prestige en aanzien, groeien op in een plezieriger en stimulerender omgeving, genieten meer scho­ling, ont­vangen meer subsidies, worden door de rechterlijk macht met meer mede­dogen bejegend, et cetera. Omdat zij een specifieke maatschap­pelijke positie en een waardepatroon gemeen hebben, delen deze mensen ook een saamho­righeids­gevoel.

Een volgende propositie van Lindblom is cruciaal: daar het mensen tot voordeel strekt als lid van de hoogste klasse te worden beschouwd, bestaan er krachtige prikkels om zich te confor­meren aan haar uiterlijke kenmerken. Mensen die, met andere woorden, willen stijgen op de maatschap­pelijke ladder, zijn geneigd de politiek-economi­sche opvattingen, houdingen en verlangens over te nemen van het geprefereer­de sociale stratum, en meer specifiek, “of those members of that class who have the most benefits to offer” (1977: 226). Concreet gaat het hier om “beliefs in private enterprise, private property, corporate autonomy, and opportunities for great wealth” (1977: 226). Het overnemen van deze geloofsartikelen heeft ook als tactisch voordeel dat men aanmerkelijk minder hindernissen op zijn weg zal vinden dan zij die wensen vast te houden aan hun (eventu­ele, HTB) eerdere waarden en opvattingen (cf. Bourdieu 1979).

Het resultaat van dit alles is, schrijft Lindblom in zijn laatste these, dat leiders uit de overheid en het bedrijfsleven zich mogen verheu­gen op vele geestverwanten buiten de eigen klasse (1977: 227). Dit is het grote aantal mensen dat op de maat­schappelijke ladder poogt te stijgen of deze stijging voor zijn kinderen wenst. Het feno­meen van de sociale klasse, kortom, versterkt volgens Lindblom de tendentie dat burgers geen controle uitoefenen op hun leiders omdat zij identieke wensen en verlan­gen bezitten.

De neiging van de lagere strata tot conformisme aan de waarden, houdingen en geloofsartikelen van de leidende klasse is een aspect van de verburgerlijking van de betrokkenen. Volgens Lind­blom heeft dit proces zich in de Verenigde Staten verder ontwik­keld dan in de West-Europese landen. Hij acht dit er mede een verklaring van waar­om Amerikanen zich, anno 1977, van een smaller spectrum aan politieke opinies op de hoogte stellen, waarom zij stemmen op politieke partijen die veel geringer van elkaar verschillen, minder in vakbonden actief zijn en minder eisen stellen op het gebied van de sociale zekerheid en andere collectieve voorzienin­gen.

Met kracht bestrijdt Lindblom de opvatting dat waardepatronen spontaan, zonder achterliggende intentie of kracht, tot stand komen (1977: 231). Hij acht het geen toeval dat de heersende waarden en opvattingen de positie van de geprivilegieerde klasse ondersteunen. Het is dus bepaald niet toevallig dat rijkdom algemeen wordt geëerbiedigd en dat niemand de vraag stelt hoe deze is verwor­ven; dat voortdu­rend de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het eigen welzijn wordt benadrukt en niet de sociale coöperatie om vorm te geven aan de gemeen­schappelijk toekomst; dat alsmaar de gehoorzaamheid aan het gezag wordt beklemtoond en niet de sceptische, conditionele en selectieve aanvaarding hiervan. Dit soort waarden, benadrukt Lindblom, zijn de mensen eindeloos voorgehouden door kerken, media, scholen, ouders, bedrijfsleven en de politiek. Als gevolg hiervan kan vandaag bijna niemand zich meer het gemaakte karakter van deze waarden voor­stellen. De kansen om deze reproductie van waarden en opvattingen te doorbreken, zijn dan ook gering en zo ook de mogelijkheden van de burgers om via polyarchische politiek meester te zijn over het eigen leven.

Kortom, de geprivile­gieerde klasse en het bedrijfsleven indoctrine­ren in de visie van Lindblom met succes het electoraat op het gebied van de fundamenten van de bestaande politiek-economische orde. Om deze reden zullen de burgers deze fundamenten nimmer ter discussie (kunnen) stel­len. “It is a less than happy ending to a long story”, schrijft hij, “Clearly polyarchy is no more than an extremely rough approximation to any idealized models of liberal democracy or to any other kind of democra­cy” (1977: 233).

De politieke impotentie van het bestaande democratische bestel

De geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven beperkt niet louter de mogelijkheden van burgers om hun leiders democratisch te beheersen. Hiermee verbonden bemoeilijkt zij de oplossing van belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Zij vormt de belangrijkste van de, reeds excessief in de tegenwoordige polyarchie aanwezige vetomachten. Het bedrijfsleven dankt deze vetomacht voornamelijk aan zijn geprivi­legieerde positie: “its privileged position permits it to obstruct policies such as those on environ­mental pollution and decay, energy shortage, inflation and unem­ployment, and distribution of income and wealth” (1977: 347). [21] Alles wat onderne­mers hiertoe moeten doen, is de poli­tiek erop te wijzen dat eventuele hervor­mingen om deze problemen het hoofd te bieden, het bedrijfsle­ven zullen schaden. Dit wil niet zeggen, benadrukt Lindblom, dat ondernemers altijd hun zin krijgen. Maar, vervolgt hij, “they get a great deal. And when they do not get enough, recession or stagnation is a consequence” (1977: 187). Aaron Wildavsky vergelijkt aldus Lindbloms beschrijving van de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven met Catch-22: wanneer ondernemingen hun zin krijgen, dan schaadt dit de democratie, krijgen ze deze niet, dan schaadt dit de economie (1978: 225).

Het is voor Lindblom evident dat deze situatie fundamenteel dient te worden gewijzigd. Hij acht het merk­waardig dat binnen de democratische theorie nauwelijks aandacht is voor de bijzondere positie van het bedrijfsleven: het oefent een ongecontroleerde en buitengewoon dispro­por­tionele macht uit in de samenleving die nauwelijks democratisch lijkt te kunnen worden gerechtvaardigd. Sterker, concludeert Lindblom in de meest geciteerde laatste zin van Politics and Markets: “The large private corporation fits oddly into democratic theory and vision. Indeed, it does not fit” (1977: 356).

De cruciale vraag is daarom of het mogelijk is de geprivi­legieerde positie op te heffen zonder daarbij de voor een goed functioneren van het bedrijfsleven gewenste autonomie van ondernemingen aan te tasten. Dit is een vraag waarop geen eenvoudige antwoorden mogelijk zijn. Men zou natuurlijk de disproportionele politieke invloed van het bedrijfsleven kunnen beteugelen door de ondernemingen volledig onder publieke controle te brengen. Lindblom heeft echter altijd zeer afwijzend gestaan tegenover centrale coördinatie en planning: planners beschikken over te weinig kennis, informatie, tijd, middelen en cognitieve capaciteiten om de enorme hoeveelheid afwegingen en beslissingen te kunnen maken die in een centrale geleide economie gemaakt moeten worden (zie Lindblom 1958, 1965; Blokland 2008: 155-89). Spontane wederzijdse aanpassingen, waarvan het marktsysteem een voorbeeld is, zijn superieur op dit terrein.

In plaats van dit soort eenzijdige keuzen voor totale planning of totale markt heeft Lindblom zijn hele loopbaan gezocht naar, en gepleit voor, op specifieke terreinen toegesneden combinaties van de vele politiek-economische technieken die ons ter beschikking staan, combinaties die ook voortdurend dienen te worden heroverwogen en aangepast. Een voorbeeld van een strategie die aangeeft in welke richting volgens Lindblom eventueel gezocht kan worden voor antwoorden, is een hybride vorm van markt- en polyarchische beheersing. Hij constateert dat overheden overal ter wereld rechtstreeks allerhande goederen en diensten van private partijen kopen, zonder de productie van deze partijen hiërarchisch te plannen. Men denke aan ruimteraketten, defensiematerieel, wegen, bruggen, parken, medische voorzieningen, scholen en scholing, huisvesting, et cetera (1977: 98). De aankopen van overheden kunnen de productie dus evenzogoed sturen als de aankopen van consumenten. Het is denkbaar, stelt Lindblom, maar dit geldt ook voor tal van andere ordeningen waarvan hij de voors en tegens behandelt, veel grotere delen van de economie via dit ‘planner sovereignty market system’ te coördineren, dan vandaag het geval is. Men kan zelfs de gehele economie aldus organiseren. De (private of publieke) ondernemingen zouden dan al hun goederen en diensten aan overheden verkopen of aan andere ondernemingen. De overheid zou de allocatie van productiemiddelen sturen door eindproducten in grotere of kleinere hoeveelheden te kopen, of volledig van aankoop af te zien. De desbetreffende goederen en diensten kunnen vervolgens aan de consumenten worden gerantsoeneerd, zoals gedurende een oorlog geregeld geschiedt, of aan de consumenten worden verkocht. Waarom zouden de consumenten in het laatste geval hun goederen niet rechtstreeks bij de producent kunnen aanschaffen? “Because officials want outputs different from those which consumers would buy if left to themselves”, antwoordt Lindblom (1977: 99). De overheid zou dus minder SUV’s kunnen kopen en meer gezond en biologisch verantwoord voedsel, dan de consumenten zouden doen wanneer er geen marktinterventie van de overheid zou zijn. Er zouden bijgevolg twee markten naast elkaar bestaan: een om de productie te sturen en een voor de distributie. De verschillen tussen de prijzen voor een bepaald goed op beide markten zijn een neerslag van politieke opvattingen over wenselijke producties en consumpties. Hieraan is weinig unieks: in alle marktgeoriënteerde economische systemen kopen overheden eindproducten en distribueren deze gratis of voor lagere prijzen aan de consumenten. Evenzo verlenen overheden subsidies aan bedrijven om de kostprijs te drukken en aldus de productie te stimuleren en belasten zij bepaalde goederen om de consumenten te ontmoedigen deze aan te schaffen.

Lindblom acht deze ordening geenszins zaligmakend. Hij noemt haar slechts als een mogelijkheid binnen specifieke sectoren, zonder de nadelen onvermeld te laten. Charles Anderson betoogt terecht, dat Lindblom “seems to write as the policy adviser preparing a staff paper for a civilization. He is giving industrial society its options… In the end, the analysis culminates not as an argument for a preferred solution but as a statement of trade-offs” (1978: 1013). Net als de grote politiek economen uit het verleden ziet Lindblom de economie als een ordening die doelbewust kan worden georganiseerd om optimale maatschappelijke resultaten te behalen. Vanuit dit perspectief, schrijft Anderson, “political economic structure is seen as a problem of deliberate and reasoned public appraisal and choice rather than as a phenomenon to be explained” (1978: 1012). In een tijdperk waarin de economie ons voortdurend wordt gepresenteerd als iets dat ons overkomt, is dit voor velen een verwarrende benadering.

De receptie van Politics and Markets: van ‘instant classic’ naar vergetelheid

De analyse van Lindblom van de positie van het bedrijfsleven binnen een democratie, alsmede zijn afwegingen van alternatieven, zal vandaag al snel als wereldvreemd en onwerkbaar worden afgedaan. Aan de vooravond van de jaren tachtig was dit anders. Zo bekroonde The American Political Science Association, geen bolwerk van linksradicale wereldverbeteraars, Politics and Markets met de Woodrow Wilson Book Award. De jury betitelde het boek als “a profound contribution not only to democratic theory but also to the future of democracy itself”. “Politics and Markets is bound to become a classic”, stelde Rune Premfors evenzo in de British Journal of Political Science (1978: 224). Michael Mandelbaum betitelde het boek in The Political Science Quarterly (vol. 93, No.3) als “genuinely original” omdat de auteur politicologie en economie samenbrengt, vanuit de wetenschap dat ieder economisch systeem een zowel economische als politieke dimensie bezit (1978: 508). Ook de bestuurskundige Aaron Wildavsky, geen politieke medestander van Lindblom, was zeer te spreken over Lindblom. Wat hij vooral een enorme verdienste achtte, is dat Lindblom het radicale denken heeft bevrijd van zijn traditionele afkeer van de markt: “Lindblom’s seminal contribution is to achieve a more radical conceptual seperation of markets from private enterprise … than has heretofore been thought possible. This seperation, fraught with consequences, is a milestone in the history of social thought. Raising radical social thought from the mire of wrong-headed opposition to markets for any and all purposes, Lindblom encourages use of their marvelous calculating power in a radically new way” (1978: 219).[22]

Bovengenoemde recensies staan niet op zich. Eind jaren negentig, in een analyse van de meest geciteerde publicaties en personen binnen de politicologie, noemen Goodin en Klingemann Politics and Markets een ‘instant classic’, een boek dat na publicatie onmiddellijk wordt herkend als een toekomstige klassieker, een boek, gelezen of niet, waarover iedereen praat en waarnaar iedereen verwijst (1998: 15). Sommige van deze boeken verdwijnen niettemin spoedig in de vergetelheid. Twee duidelijke voorbeelden hiervan achten de auteurs uitgerekend het onderhavige Politics and Markets en het door Yale-collega Edward Tufte geschreven Political Control of the Economy (1978). Goodin en Klingemann leveren hiervoor geen verklaring. Deze lijkt niet te zijn dat het wetenschappelijke forum bij tweede lezing alsnog inziet dat het boek minder bijzonder is, dan aanvankelijk werd gedacht: het is niet het geval dat er enige jaren later allerhande publicaties verschenen waarin werd uitgelegd, dat het boek uiteindelijk toch op een misverstand bleek te berusten.

Een meer plausibele verklaring lijkt het zich wijzigende politieke klimaat: gaande de jaren tachtig raken steeds minder mensen geïnteresseerd in een analyse van de mogelijke afwegingen tussen markt en overheid, een betoog over het publieke karakter van ondernemingen, een kritiek op de machtspositie van het bedrijfsleven, of in een ‘political control of the economy’. Dit geldt ook voor wetenschapsbeoefenaren. In hun onderzoeksagenda volgen zij voornamelijk slechts de maatschappelijke stemming. Onderzoek naar maatschappelijke ongelijkheid in het algemeen en naar macht en machtsongelijkheid in het bijzonder zijn hiervan eveneens goede voorbeelden. Deze onderwerpen verdwenen vanaf de jaren tachtig goeddeels van de maatschappelijke én wetenschappelijke agenda, ook al kon moeilijk worden beweerd dat de desbetreffende problemen, politicologische gezien, bevredigend waren opgelost.

Eerst aan het begin van het millennium komt de belangstelling voor de genoemde onderwerpen schoorvoetend terug. De maatschappelijke ongelijkheden in inkomen, vermogen en macht zijn dan inmiddels tot dermate onwaarschijnlijke proporties uitgegroeid dat, bijvoorbeeld, de American Political Science Association zich genoodzaakt ziet voor het eerst in een halve eeuw speciale werkgroepen in het leven te roepen die, in dit geval, de dramatische gevolgen van de ongelijkheden in inkomen, vermogen en macht voor de democratie trachten te onderzoeken.[23] Hierbij wordt expliciet aandacht gevraagd voor de mogelijkheid, dat vooral de maatschappelijk geprivilegieerden die zich rond het bedrijfsleven hebben verzameld, een dermate grote invloed op de meningsvorming binnen de Amerikaanse samenleving uitoefenen, dat er van een open democratische ideeënstrijd nauwelijks meer sprake is.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Hoe zijn de lange jaren tachtig tot stand gekomen? De antwoorden hierop liggen deels reeds besloten in de analyse van Lindblom uit 1977. Deze antwoorden hebben een structurele en een, hiermee samenhangende, culturele component.

Structurele beperkingen door het kapitalisme

De structurele component van de verklaring van het wegebben van het kritisch denken over de machtsrelatie tussen privaat bedrijfsleven en democratie kunnen we behandelen aan de hand van kritiek die Politics and Markets reeds na publicatie ten deel viel. De desbetreffende kritiek, zo zullen we zien, is door de tijd achterhaald.

In het vakblad Economica (Vol.46, No.183, cf. Anderson 1978: 1015) betitelde Cedric Sandford Politics and Markets als “an important book of majestic sweep”. Zijn belangrijkste bezwaar betrof echter de opvatting van Lindblom dat private ondernemingen een geprivilegieerde positie bezitten die volstrekt onvergelijkbaar is met die van vakbonden. In de Verenigde Staten en andere polyarchieën mag dit juist zijn, maar “[t]o the contemporary Briton this judgement may seem odd” (1979: 320). Door het instituut van de ‘closed shop’, de vele wetgeving aangaande ontslagrecht en hun collectieve onderhandelingen over inkomen lijken de vakbonden in Groot-Brittannië “to exercise as much control over output and employment as business. They exercise disproportionate influence on party and electoral politics. There is a predominant union representation on the official organs of the Labour Party” (1979: 320).

Een vergelijkbaar bezwaar formuleerde Alan Wolfe. Hoewel het bedrijfsleven geen gewone belangengroep is, gaf Wolfe toe, moet worden geconstateerd dat “its power to manipulate the state is limited to some degree by the organized power of the working class, even in a ‘bourgeois’ democracy” (1978: 112). De visie van Lindblom ontbeert een theorie over legitimatie, stelde Wolfe, “a sense that if potential business power over the state were actually used, working-class and labor unrest would disrupt the system”. In het bestaan van stakingen en communistische partijen in Italië en Frankrijk zag Wolfe voorts een bewijs dat er een grens is aan “the ability of capital to do anything it wants” (1978: 112).[24] Lindbloms analyse van de macht van het kapitaal ging volgens hem daarom wellicht op in de Verenigde Staten, maar niet in die landen waar de werkende klasse sterk is georganiseerd (1978: 113).

In zijn boek ging Lindblom voorhands uitgebreid in op tegenwerpingen als die van Sandford en Wolfe. Hij onderkent dat er meer en meer pogingen zijn ondernomen om te interveniëren in de vrijheid van ondernemingen om op allerhande terreinen, ook die van publieke aard, ongehinderd door derden beslissingen te nemen. Maar hij stelt dat deze interventies niet te ver kunnen gaan daar anders het functioneren van het bestaande economische stelsel in gevaar komt. Door de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven in zijn relatie met de overheid, zullen de interventies ook niet te ver gaan: de politieke leiders kunnen zich dit niet permitteren omwille van de eigen electorale positie. Goedbeschouwd verklaart dit waarom na de jaren zeventig, die het hoogtepunt van de naoorlogse overheidsinterventies in de markt vormden, er een massieve neoliberale tegenbeweging is opgekomen: in hun pogingen invloed op de marktbeslissingen van de werkgevers te krijgen vonden de vakbonden uiteindelijk niet alleen de werkgevers, maar ook de politici op hun weg.

Specifiek met betrekking tot Groot-Brittannië erkent Lindblom in 1977 dat de Britse vakbonden meer invloed kunnen uitoefenen dan in de meeste andere polyarchieën het geval is. Hij constateert tevens dat dit volgens sommigen de oorzaak is van de zogenaamde ‘Engelse ziekte’: een langdurige economische stagnatie. Of dit juist is, valt volgens hem moeilijk vast te stellen. Maar wanneer dit verband inderdaad bestaat, dan bewijst het slechts de noodzakelijkheid van een buitengewoon disproportionele invloed van het bedrijfsle­ven voor de economische stabiliteit en groei van polyarchieën. Lindblom schrijft: “a market-oriented system may require for its success so great a disproportion of business influence, both through the privile­ged position of business and through business disproportion in electoral and interest-group activity, that even modest challen­ges to it are disruptive to economic stability and growth” (1977: 199). Zijn gelijk in deze wordt gedemonstreerd door de ontwikkeling in Engeland nadien.

Eind jaren zeventig, de tijd waarin Sandford en Wolfe hun kritiek formuleerden, werd Groot-Brittannië door een lange reeks stakingen lamgelegd. De Labourregeringen van Harold Wilson (1974 – 76) en James Callaghan (1976 – 79) waren binnen de bestaande sociaal-economische structuren niet in staat om de vakbonden tevreden te stellen en vervielen meer en meer in besluiteloosheid. Mede hierdoor kon de Conservatieve Partij aan de macht komen. Zoals bekend, werd de positie van de vakbonden vervolgens door de langdurige regering van Margaret Thatcher (1979 – 90) diepgaand uitgehold. Ook New Labour heeft daarna deze positie niet meer hersteld. Tony Blair (1997 – 2007) maakte de Labour Party grotendeels los van de vakbonden, vormde in plaats daarvan innige banden met het bedrijfsleven[25], liberaliseerde op ongekende wijze de arbeidsmarkt en ondernam niets tegen de reeds onder Thatcher sterk toenemende maatschappelijke ongelijkheid.

Het lidmaatschap van vakbonden daalde in het Verenigd Koninkrijk van 13 miljoen in 1979 naar ongeveer 7.3 miljoen in 2000. In 2021 waren nog 6.4 miljoen werknemers vakbondslid, 23.5% van de totale arbeidsbevolking. Veelzeggend is dat de meeste leden (3.8 miljoen) zijn te vinden in de publieke sector. In de drie keer zo grote marktsector, waar werknemers uitsluitend via de organisatie in vakbonden invloed zouden kunnen uitoefen, is de organisatiegraad slechts 13%.[26] Benjamin Davies (2021) vat samen: “Since 1979, trade union membership in Britain has more than halved, with secure, unionised work largely replaced by the euphemistic ‘flexible labour market’ – resulting in millions working in the ‘gig economy’ in insecure, low-waged jobs, the vast majority in the private sector.”

Hiermee samenhangend nam de sociale ongelijkheid in Groot-Brittannië enorm toe. Gemeten naar de Gini coëfficiënt heeft het land inmiddels een van de meest ongelijke inkomensverdelingen van Europa (de coëfficiënt steeg van 25.5 in 1977 naar 35 in 1991 en bedraagt vandaag 36.6%).[27] De toeneming in vermogensongelijkheid is sinds de jaren tachtig zo mogelijk nog dramatischer geweest. In 2020 bezat the rijkste 10% van de huishoudens 43% van al het vermogen in het Verenigd Koninkrijk. De onderste 50% van de bevolking mocht zich in 9% van alle rijkdom verheugen (Financial Times, 7 Januari 2022).

Groot-Brittannië is daarmee, zoals zoveel westerse landen[28], steeds meer op de Verenigde Staten gaan lijken en de kritiek dat Lindbloms these onjuist is omdat het Verenigd Koninkrijk een tegenvoorbeeld vormt, is hiermee ondergraven. De ontwikkelingen in de Europese landen sindsdien onderstrepen slechts de juistheid van zijn analysen.

Intellectuele beperkingen door het kapitalisme

Private markteconomieën leggen niet alleen systemische beperkingen op aan de publieke besluitvorming van een democratie. Zij beperken deze democratie ook rechtstreeks door een bepalende invloed uit te oefenen op de ideeën, waarden, houdingen die in omloop zijn. Het bedrijfsleven doet dit allereerst rechtstreeks en doelbewust. Daarnaast oefenen de waarden, ideeën en houdingen die zijn positie schragen een enorme aantrekkingskracht uit op al diegenen die tot de kleine elite van geprivilegieerden hopen toe te treden. Omdat veel van deze mensen teven posities bekleden waar zij verhoudingsgewijs veel mogelijkheden hebben om hun opvattingen te verspreiden, krijgen deze opvattingen een bovenmatige aandacht.[29]

Een kleine, maar treffende illustratie van de directe beïnvloeding vormen twee reacties uit het bedrijfsleven op Lindbloms Politics and Markets. Na de publicatie hiervan verscheen er een grote advertentie van de oliemaatschappij Mobil op de opiniepagina van de New York Times (9 februari 1978) waarin uitdrukkelijk van Lindblom afstand werd genomen.[30] Op zijn ideeën gingen de scribenten hierbij niet in: zij stelden slechts dat het bedenkelijk was dat zij juist door een Yale-professor werden aangehangen. Lindblom vroeg de redactie van de New York Times te mogen reageren op het stuk van Mobil. Dat mocht, maar net als Mobil moest hij hiervoor wel een advertentie kopen. Het laatste ging de financiële draagkracht van Lindblom helaas te boven.[31]

Ook de oliemaatschappij Exxon spande zich in om Lindbloms gelijk te demonstreren. In zijn functie van directeur van het Institution for Social and Political Studies van Yale University voerde hij al geruime tijd gesprekken met vertegenwoordigers van deze maatschappij over financiële onderzoeksteun. Geen onderzoek naar de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven, maar naar milieubeleid. Na de publicatie van Politics and Markets verbraken zij zonder verdere toelichting alle verbindingen.[32]

Bedrijven spenderen enorme bedragen aan lobbyactiviteiten en aan pogingen om de politieke besluitvorming en de publieke opinie te beïnvloeden.[33] Zo werd Washington in 2021 belegerd door naar schatting 12.000 geregistreerde lobbyisten met een jaarbudget van ongeveer 3.7 miljard dollar.[34] Volgens Lobby Control hebben zich vandaag meer als 7000 lobbyisten in Berlijn verzameld, en meer als 25.000 in Brussel. Zij proberen onder andere de vrijheid van de markt te beperken door de overheid te bewegen wetten en regels te veranderen of in het leven te roepen. Hun budgetten, voor Brussel geschat op in totaal 1.5 Miljard, worden hoofdzakelijk betaald door ondernemingen en ondernemingsorganisaties, alsmede door belangengroepen van vooral de hogere sociale strata. Belangengroepen vormen namelijk in afnemende mate een afspiegeling van de bevolking. Dankzij hun sociaal pluriforme achterban behartigden zij in het verleden vaak breed gedragen waarden. Vandaag vertegenwoordigen zij vooral specifieke, in de regel beroepsgebonden belangen en dan met name die van de hoger opgeleiden en beter betaalden (Berry 1999; Skocpol 2003).

Vooral de kapitaalkrachtige groepen hebben aldus de beschikking gekregen over megafoons om hun stem te laten horen. Belangengroepen die nog wel opkomen voor de lagere strata, zoals vakbonden, hebben tegelijkertijd sterk aan kracht ingeboet, zo zagen we hierboven, of beschikken over aanmerkelijk minder middelen om lobbyisten in te huren. Jacobs en Skocpol concludeerden in hun reeds aangehaalde Inequality and American Democracy: “U.S. government today is responsive mainly to the privileged and well-organized, and is often not a powerful instrument to correct social disparities or look out for the needs of the majority. If disparities of participation and influence become further entrenched, and if average citizens give up on democratic government as a tool to enhance security and opportunity for all, unequal citizenship could take on a life of its own, weakening American democracy for a long time to come” (2005: 232).

Het leidt weinig twijfel dat de sterke toeneming van de sociale ongelijkheid in bijna alle westerse polyarchieën sinds de jaren zeventig mede wordt verklaard door deze nog altijd groeiende ongelijke toegang tot de publieke besluitvorming. Evenzo leidt het weinig twijfel dat individuen, groepen en instellingen die tot de maatschappelijke elite gerekend kunnen worden, dankzij deze ongelijke toegang meer en meer invloed kunnen uitoefenen op de publieke meningsvorming.[35] Veel van de vigerende meningen rechtvaardigen en bevestigen dan ook de geprivilegieerde positie van de bovenste strata, hetgeen de sociale ongelijkheid verder verdiept. Voorbeelden hiervan zijn de meningen dat brede verzorgingsstaten en sociale gelijkheid slecht zijn voor de economie, dat mensen hun talenten en capaciteiten alleen ten volle benutten wanneer substantiële sociale ongelijkheid wordt toegelaten, dat overheidsinstellingen per definitie inefficiënter en klantonvriendelijker zijn dan private instellingen en dat eenieder verantwoordelijk is voor het eigen succes en falen op de arbeidsmarkt en in het leven. Stuk voor stuk opinies waarvoor geen ondubbelzinnig wetenschappelijk bewijs te vinden is. Maar bijna iedereen lijkt het te geloven.

Tot slot: clowns en populisme

Hoe kunnen we de lange jaren tachtig beëindigen? Dit lijkt buitengewoon moeilijk. De electorale reacties in een groot deel van de westerse wereld op de grootste economische crises sinds de jaren dertig, de kredietcrisis en daarna de Corona-epidemie, demonstreren hoe diep het gedachtegoed van de jaren tachtig is verankerd. Het feit dat de kredietcrisis mede was veroorzaakt door een zelfverrijking die herinnert aan de tijd van de robber barons Rockefeller en Carnegie, bracht hierin geen verandering. Hetzelfde geldt voor de door Corona nogmaals blootgelegde ongelijkheid in bestaanszekerheid en gezondheid. Fundamentele politieke discussies over maatschappelijke ordening hebben eigenlijk nergens plaatsgevonden. Men lijkt zich weinig meer te kunnen voorstellen dan de status quo.

Verkiezingen in Nederland betitelde ik reeds eerder als ‘Een lange leegte’ (2008: 19-40). De daaropvolgende vier kabinetten Rutte (2010 – 2024) vielen in overeenstemming hiermee vooral op door visie- en inhoudsloosheid en door het letterlijk weglachen van problemen. Verkiezingen en politiek in Duitsland gedurende het Merkel-tijdperk (2005 – 2021) verdienen geen ander etiket. „Es fehlt ein Project, eine Grundsatzidee. Das Große, das alles Kleine bündelt. Es fehlt das Positive… Kleine Ziele, matte Begriffe… Wer immer nur Kleines hört, wird irgendwann kleingeistig,“ concludeerden Peter Dausend en Henning Sussebach die aan de vooravond van de verkiezingen van 2009 een rondgang maakten langs de Duitse ‘Stammtische’ (Die Zeit 6.08.2009). De politiek in het verre Berlijn kon nog maar weinigen boeien. Bij een landelijke enquête gaf een maand voor de verkiezingen 84% van de geïnterviewden aan, dat de verkiezingsstrijd hen volkomen koud liet. Achttien procent kon zich voorstellen op de fictieve Horst-Schlämmer Partei van de komiek Hape Kerkeling te stemmen. De politiek wordt een steeds minder ernstig genomen en oprecht gebeuren, stelde Tillmann Prüfer naar aanleiding hiervan. Hij haalde de Franse postmodernist Jean Baudrillard aan volgens wie partijen nog slechts simulaties van partijen zijn. De sociaaldemocratische partij doet net alsof zij een sociaaldemocratische partij is. Zij speelt een sociaaldemocratische partij. „Demnach wären die Spassparteien die Simulation der Simulation… Wo Politik zur Clownerie wird, sind Clowns die besten Politiker“ (Die Zeit 27.08.2009).

Inderdaad hebben we het laatste decennium meer en meer clowns in de politiek gekregen. Silvio Berlusconi, in totaal tien jaar Italiaans Minister-President tussen 1994 en 2011, was een van de eersten die niets werkelijk serieus leek te nemen, ook de rechtstaat en de democratie niet, en die uitstekend leek te passen in een tijd waarin de politiek er niets toe lijkt te doen. Waarom zullen we ons daarom niet een beetje vermaken? Aan het begin van het Millennium vermoedden sommigen dan ook een grote toekomst voor het autocratisch populisme à la Berlusconi, ook al werd de betrokkene voortdurend achtervolgd door corruptieschandalen, beschuldigingen van machtsmisbruik en buitensporigheden op alle mogelijke gebieden.

Nadien kwamen, onder veel meer, Matteo Salvini, Donald Trump, Viktor Orbán, Jair Bolsonaro, Rodrigo Duterte en Boris Johnson op het toneel. “Killer Clowns” noemde George Monbiot deze sterke leiders in The Guardian (30.07.2019). Net als andere populisten presenteren zij zich allen als vrienden en representanten van de gewone man en vrouw, maar komen, onder een dekmantel van bijna dagelijkse gekkigheid en buitensporigheid, nagenoeg uitsluitend op voor gevestigde economische belangen. Men verlaagt de belastingen voor de topinkomens en vermogenden, bevrijdt de ondernemende mens van allerlei knellende wetten en regels, verklaart de overheid en de welvaartstaat als de vijand van het volk, en gaat onvervaard ten strijde tegen migranten, vluchtelingen, moslims, joden, de Europese Unie, vakbonden, de links veronderstelde vrije pers en publieke omroep, wetenschapsbeoefenaren en andere saaie, moraliserende en arrogante deskundigen. De sociale media zijn voor hen een godsgeschenk. De presentatie en verbreiding van een serieuze analyse van de problemen van onze tijd en van hun mogelijke oplossingen zijn schier onmogelijk via een tweet op Twitter, een post op Facebook, een foto op Instagram of een filmpje op TikTok. De sociale media dienen vermaak en afleiding en precies dat is wat deze hedendaagse toppolitici leveren.[36] Zij kunnen zich rechtstreeks tot de achterban richten en hoeven niet langer voor een afhankelijke pers te vrezen. Voor het gebrek aan analyse, diepgang, samenhang en oprechtheid is men bovendien voorhands geëxcuseerd – “The medium is the message”, stelde Marshall McLuhan reeds in 1964. De traditionele pers heeft zich zowiezo in hoge mate van de samenleving losgezongen (Blokland 2021).

Opvallend is dus dat in al het politieke kabaal dat in onze democratieën in de laatste twee decennia is gaan overheersen, de bestaande economische ordening, de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven en de bestaande verdeling van inkomen, vermogen en macht geen rol van betekenis op de publieke en politieke agenda hebben gespeeld. Dit komt overeen met wat Lindblom in 1977 voorzag. Vakbonden en sociaaldemocratische partijen zijn bijna overal gemarginaliseerd. De Partij van de Arbeid is een splinter partij geworden. Labour behaalde in de verkiezingen van december 2019 het slechtste resultaat sinds 1935 en is, afgezien van het sociaalliberale decennium van Tony Blair en Gordon Brown, sinds 1979 niet meer aan de macht geweest. De onverwachte overwinning van de SPD in Duitsland in 2021 was meer te danken aan de chaos binnen de CDU dan aan een doordacht sociaaldemocratisch politiek program dat succesvol aan het electoraat gecommuniceerd was.[37] President Joe Biden heeft moedig geprobeerd, mede gebruikmakend van de urgentie van de Corona-epidemie, met een groot investeringsprogram elementen van de Europese welvaarstaat in te voeren, maar heeft inmiddels gemerkt dat hiervoor zelfs in zijn eigen Democratische partij te weinig steun over is. Met het zweet in de machteloze handen kunnen Democraten als Joe Biden en Bernie Sanders slechts de volgende, mogelijk opnieuw door Trump gedomineerde verkiezingen afwachten. In de Franse verkiezingen van april 2022 zijn vooral rechtspopulisten als Marine Le Pen und Éric Zemmour kansrijk en zijn de hopeloos verdeelde sociaaldemocraten uiteindelijk genoopt de marktliberaal Emanuel Macron te ondersteunen om in ieder geval een minimum aan politiek fatsoen en rationaliteit te waarborgen.

Een belangrijke verklaring van de neergang van sociaaldemocratische partijen en hiermee verwante organisaties is dat hun kiezers zich keer op keer bedrogen voelden wanneer deze partijen aan de macht waren. Zij bleken niet veel meer te kunnen doen dan het verhullen van de pitteren pillen die hen door het economische systeem en de geprivilegieerde positie van het bedrijfsleven werden opgedrongen. Men denke aan de Blairs ‘The Third Way’ of ‘New labour’ in Engeland, Schröders Agenda 2010 in Duitsland, en de deelname van de PvdA en de SPD aan zogenaamde grote coalities met voormalige politieke tegenpolen. Wanneer de liberale, conservatieve en marktliberale partijen de bestaande verhoudingen niet willen veranderen en de sociaaldemocratische partijen hiertoe onmachtig zijn, waarom dan niet stemmen voor populistische partijen die het politieke systeem evenmin serieus nemen, en de aandacht afleiden naar de Europese Unie, de overheid, migranten, vluchtelingen, moslims, homoseksuelen of feministen. De overheid in het algemeen, maar ook de Europese Unie, zijn bij uitstek instrumenten van de economisch machtelozen om zich collectief te weer te stellen tegen ongebreidelde economische actoren, processen en structuren. Niettemin worden zij onverminderd met succes gepresenteerd als autoritaire, zelfs totalitaire instituten die het nietige, vrije individu vermorzelen. De vraag is hoe de betrokkenen op dit idee zijn gekomen.

Eind Januari 2022 blokkeerden ongeveer duizend trucks het regeringscentrum van de hoofdstad van Canada, Ottawa. Het begon als een niet geheel onredelijk protest tegen de Covidmaatregel dat een niet-gevaccineerde vrachtwagenchauffeur die in de Verenigde Staten was geweest, na terugkomst in Canada twee weken in quarantaine moest. Het protest werd echter al snel overgenomen door een bonte verzameling van geradicaliseerde, woedende burgers die een ding gemeen hadden: een haat tegen de overheid die als de bron van al het mogelijke kwaad werd gezien (The Guardian 11.02.2022; New York Times 13.02.2022). Dit fenomeen hebben we keer op keer in de protesten tegen de Covidmaatregels kunnen waarnemen. De demonstranten legden het regeringscentrum en de grensovergangen volkomen lam (een commentator vergeleek deze actie met de bestorming van het Capitool in januari 2021, maar dan in slow-motion) en brachten de regering van Justin Trudeau ertoe de noodtoestand uit te roepen. Canada heeft een van de hoogste vaccinatiegraden in de wereld en Trudeau noemde de demonstranten ook daarom “a fringe minority”.

Net als vooraanstaande Republikeinen als Donald Trump (“Trudeau is a far left lunatic”), Ron DeSantis en Ted Cruz verklaarde Elon Musk zich solidair met de demonstranten. Op 30 januari 2022 twitterde hij: “It would appear that the so-called ‘fringe minority’ is actually the government” en “If the government had the mandate of the people, there would be a significant counter-protest. There is not, therefore they do not.”

Wanneer men deze redenering van Musk, the smartest person in any room anywhere, volgt, dan kunnen nog enige conclusies worden getrokken. Totalitaire staten als China, Noord-Korea en Rusland genieten brede maatschappelijke steun. Wanneer dit niet het geval zou zijn, zouden de burgers immers in opstand komen. Nergens is er een fundamenteel verzet tegen de situatie waarin 1% van de wereldbevolking 46% van alle vermogens bezit en onderste 55% in totaal 1,3% (Shorrocks et al 2021), dus moet deze verdeling rechtvaardig zijn. In 2018 bezaten 26 miljardairs, waaronder Musk, Arnault, Bezos, Gates, Buffett en Page, evenveel vermogen als de onderste 50% van de wereldbevolking (Lawson et al 2018). De verklaring en rechtvaardiging van deze ongelijkheid kan slechts zijn dat deze mensen oneindig intelligenter, vlijtiger en productiever zijn, dan bijna alle anderen op deze planeet. Democratisch gekozen politici in marktliberale systemen vechten overal om de gunsten van topondernemers. De macht van deze miljardairs is dus democratisch gelegitimeerd.

Bibliografie

Adamek, Sascha en Kim Otto. 2008. Der gekaufte Staat: Wie Konzernvertreter in deutschen Ministerien sich ihre Gesetze selbst schreiben. Köln: Kiepenheuer & Witsch.

Anderson, Ch.W.(1978) ‘The political economy of Charles E. Lindblom’, The American Political Science Review, Vol.72, No.4, p.1013; cf. Premfors, Rune. 1981. ‘Charles Lindblom and Aaron Wildavsky’. British Journal of Political Science. Vol.11. No.2. p. 218-9.

Berry, Jeffrey. 1999. The New Liberalism: The Rising Power of Citizen Groups. Washington, D.C.: Brookings Institution Press.

Blokland, Hans T. 2006. Modernization and its Political Consequences. New Haven and London: Yale University Press

Blokland, Hans T. 2016. Pluralism, Democracy and Political Knowledge. New York and London: Routledge.

Blokland, Hans. 2016b. Rural Regeneration by Connecting Bigger Social Solutions.

Blokland, Hans. 2017a. Robert A. Dahl. In: Bryan S. Turner (ed). The Wiley Blackwell Encyclopedia of Social Theory, Chichester: John Wiley & Sons, Ltd.

Blokland, Hans. 2017b. How Postmodernism Advanced Populism: An Inside Story from The Netherlands.

Blokland, Hans. 2020. Opportunists in Political Education for Democracy, Freedom and Respect: The Long Road of Democratization.

Blokland, Hans. 2021a. Das Misstrauen der deutschen Bürger gegenüber den etablierten Medien und die Folgen für die Demokratie.

Blokland, Hans. 2021b. Charles Lindblom on the Market, Elites, Inequality and our Inability to Think Clear.

Blokland, Hans T., Rune Premfors and Ross Zucker. 2018. Charles Edward Lindblom, In Memoriam. Political Science & Politics, Vol.41, No.2.

Carr, Nicolas. 2021. How to fix social media. The New Atlantis. Fall 2021.

Dahl, R.A. & Lindblom, C.E. 1953. Politics, Economics and Welfare: Planning and Politico-Economic Systems Resolved into Basic Social Processes, Chicago, The University of Chicago Press.

Dahl, Robert A., 1993. ‘Bold critic, cautious reformer, skeptical but hopeful rationalist’. In: Harry Redner (ed.) An Heritical Heir of the Enlightenment. Boulder, San Francisco and Oxford: Wetsview Press, pp.23-31.

Dausend, Peter en Henning Sussebach. ‚Draußen im Lande‘. Die Zeit. 6 augustus 2009, Nr.33.

Davies, Benjamin. 2021. The state of trade unions in the UK. OpenDemocracy. 18 January 2021. https://www.opendemocracy.net/en/can-europe-make-it/state-trade-unions-uk/

Friedrichs, Julia. 2008. Gestatten: Elite, Auf den Spuren der Mächtigen von morgen. Hamburg: Hoffmann und Campe.

Goodin, R.E. and Klingemann, H-D.(eds.), 1998. A New Handbook of Political Science. Oxford: Oxford Univer­sity Press.

Handelsblatt. Der Tesla-Effekt: Experten erwarten von Gigafactory Signalwirkung für andere Projekte.  19.08.2020.

Jacobs, Lawrence R. and Theda Skocpol. 2005. Inequality and American Democracy. New York: Russell Sage.

Kafkadesk. 2020. Czech Republic and Slovakia set new car production records in 2019

Keeley, Brian. 2015. Income Inequality: The Gap between Rich and Poor, OECD Insights, OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/9789264246010-en.

König, Johann-Günther. 2007. Die Lobbyisten: Wer Regiert uns Wirklich. Düsseldorf: Patmos Verlag.

Lane, Robert E. 1962. Political Ideology: Why the American Common Man Believes What He Does. New York: The Free Press of Glencoe.

Lawson, Max, Man-Kwun Chan, et al. 2018. Public good or private wealth? Oxfam.

Leif, Thomas. 2006. Beraten & Verkauft. McKinsey & Co. – der große Bluff de Unternehmensberater. München: C. Bertelsmann.

Leyendecker, Hans. 2007. Die Grosse Gier. Korruption, Kartelle, Lustreisen: Warum unsere Wirtschaft eine neue Moral braucht. Berlin: Rowohlt.

Lindblom, Charles E. 1965. The Intelligence of Democracy: Decision Making Through Mutual Adjustment, New York: Free Press

Lindblom, Charles E. 1977. Politics and Markets: The World’s Political-Economic Systems, New York, Basic Books

Lindblom, Charles E. 1988. Democracy and Market System. Norwegian University Press.

Lindblom, Charles E. 1990. Inquiry and Change: The Troubled Attempt to Understand and Shape Society, New Haven and London: Yale University Press.

Lindblom, Charles E. 2000. The Market System, New Haven, Yale University Press

Lindblom, Charles E. and David Braybrooke. 1963. A strategy of decision: policy evaluation as a social process, New York, Free Press.

Mobil Corporation, Business and Pluralism, New York Times, 9 February 1978, A21

Müller, Albrecht. 2009. Meinungsmache: wie Wirtschaft, Politik und Medien uns das Denken abgewöhnen wollen. München: Droemer Verlag.

Premfors, Rune. 1981. ‘Charles Lindblom and Aaron Wildavsky’. British Journal of Political Science. Vol.11. No.2.

Prüfer, Tillmann. Vorsicht, Opposition! Die Zeit, 27 August 2009, No.36, pp.13-16.

Shorrocks, Anthony, James Davies en Rodrigo Lluberas. 2021. Global Wealth Report 2021. Credit Suisse, Research Institute.

Skocpol, Theda. 2003. Diminished Democracy: From Membership to Management in American Civic Life. Norman: University of Oklahoma Press.

Der Spiegel. „Elon Musk zu Besuch in Berlin Ein begehrter Gast“. 02.09.2020

Supran, Geoffrey and Naomi Oreskes. 2020. Addendum to ‘Assessing ExxonMobil’s climate change communications (1977–2014)’ Supran and Oreskes (2017 Environ. Res. Lett. 12 084019). https://iopscience.iop.org/article/10.1088/1748-9326/aa815f/pdf

Wieczorek, Thomas. 2009. Die Verblödete Republik: wie uns Medien, Wirtschaft und Politik für Dumm Verkaufen. München: Knaur.

Wildavsky, Aaron. 1978. ‘Changing forward versus changing back’. Yale Law Journal. Vol.lxxxviii, p.225.

Wolfe, Alan. 1978. Has social democracy a future?’ Comparative Politics. Vol.11, No.1, pp.100-125.

Eindnoten

[1] Het gaat hier om een 2.9 Miljard zwaar programma (Important Project of Common European Interest – IPCEI) waarmee de Europese productie van auto-accu’s wordt gestimuleerd. Tesla, zo berichtte Der Tagesspiegel in 2021 (5 september), krijgt hiervan dus een derde.

[2] Märkische Allgemeine Zeitung (MAZ). 23 November 2021.

[3] https://www.youtube.com/watch?v=uellmynA34U

[4] (https://www.maz-online.de/Brandenburg/Vor-Brandenburg-Tesla-Bewerbung-aus-Mecklenburg-Vorpommern-was-schief-ging).

[5] De kosten hiervan bedroegen 50 miljoen Euro. Volgens een onafhankelijke expert was dit een verkapte subsidie aan Tesla die eigenlijk aan de Europese Unie gemeld had moeten worden (MAZ 06.09.2021). De regering van Brandenburg ontkent dit echter. Of de EU alsnog stappen zal ondernemen, was in april 2022 onduidelijk.

[6] Daarbij wordt de fabriek precies in een waterwingebied gebouwd. Jaarlijks, in de eerste fase, zal de fabriek ongeveer anderhalf miljoen kubieke meter water verbruiken, ongeveer evenveel als een stad met 40.000 inwoners. In deze hoeveelheid is voorzien, maar waar het water vandaan moet komen wanneer de fabriek groeit tot 40.000 werknemers en wanneer deze werknemers en die van de toeleveringsbedrijven zich in de nabijheid vestigen, is onduidelijk, geeft ook de overheid van Brandenburg toe (MAZ 19.10.2021; 28.10.2021).

[7] Hierbij doen zich diverse problemen voor. In Brandenburg zijn te weinig vaklieden beschikbaar, ook omdat in de komende vijf jaar 20% van de arbeidnemers met pensioen gaat. Zeer grote aantallen mensen zullen dus van elders moeten komen en hebben, wanneer zij niet iedere dag heen en weer naar Polen zouden rijden, nieuwe huisvesting nodig. Daarenboven moeten al deze mensen naar hun werk en de supermarkt rijden. Oder-Spree-Landrat Ralf Lindemann (SPD) stelde in de MAZ: „Wir werden eine Infrastruktur aufbauen müssen für die Menschen, die hier arbeiten – das ahnen wir noch gar nicht … Und zwar in einer Region, die darauf nicht vorbereitet ist.“ (1.11.2021)

[8] „Sehr entspanntes abendliches Treffen mit @elonmusk, #DWoidke und mir, sowie Mitarbeitern auf beiden Seiten. Wir haben uns vertrauensvoll über die noch anstehenden Aufgaben ausgetauscht. Danke für den Besuch der ganzen Familie, Elon! @Stk_Brandenburg.“

[9] Heute hatte ich Glück und konnte am Ende einer Dienstreise während des Landeanflugs diese Fotos von @Giga_Berlin machen.

[10] Der Tesla-Effekt: Experten erwarten von Gigafactory Signalwirkung für andere Projekte. Handelsblatt. 19.08.2020.

[11] https://www.maz-online.de/Brandenburg/Gruenheide-Elon-Musk-besucht-Tesla-Fabrik-in-Brandenburg-zur-Eroeffnung-am-22.-Maerz).

[12] (https://www.maz-online.de/Brandenburg/Produktionsstart-bei-Tesla-Elon-Musks-maerkische-Marsmission).

[13] https://www.maz-online.de/Brandenburg/Tesla-Gigafactory-Eroeffnung-in-Gruenheide-Das-sagen-Tesla-Fans

[14] https://www.maz-online.de/Nachrichten/Wirtschaft/Tesla-Eroeffnung-in-Gruenheide-Ungebremst-begeistert).

[15] Delen van de volgende paragrafen zijn eerder gepubliceerd in het Vlaamse blad De Witte Raaf (Jg.24, Nr.142, 2009).

[16] Voor een overzicht en analyse van deze theorie: zie mijn Pluralisme, Democratie en Politieke Kennis (Assen: Van Gorcum, 2005).

[17] Het laatste punt is ook uitvoerig aan de orde gesteld door onder anderen Max Weber en Joseph Schumpeter: de bureaucratisering voltrekt zich overal, niet alleen binnen de overheid (zie mijn Modernization and its Political Consequences. 2006: 71-2, 183-4). Privatisering is daarom niet noodzakelijkwijze een oplossing voor bureaucratisering en voor de hiermee geregeld gepaard gaande inflexibiliteit en ‘klantonvriendelijkheid’.

[18] Naarmate de markt mondialer van karakter wordt of ondernemers met succes suggereren dat dit het geval is, worden nationale overheden tevens meer en meer tegen elkaar uitgespeeld. Het bedrijfsleven vraagt in een dergelijk geval aan regerin­gen om speciale vestigingsvoorwaarden en belastingfaciliteiten. Omdat nagenoeg alle overheden een dergelijk beleid voeren, ontstaat een neerwaartse spiraal waarbij steeds meer regels en wetten die bedoeld zijn om het gedrag van ondernemers te reguleren, mondiaal worden afgeschaft. Sociale zekerheids- en arbeidsrechtstelsels komen zo wereldwijd steeds meer onder druk te staan. Een voorbeeld vormt het vestigingsbeleid van Slowakije. Grote Duitse (Volkswagen), Koreaanse (KIA) en Franse (PSA) autofabrikanten werden voor andere landen weggekaapt door gratis land en infrastructuur ter beschikking te stellen en gedurende een groot aantal jaren af te zien van vennootschapsbelasting. Slowakije heeft 5 miljoen inwoners, maar produceert inmiddels ruim een miljoen auto’s per jaar, 202 auto’s per hoofd van de bevolking. Een kwart van zijn exportopbrengsten komt van de automobielindustrie (Kafkadesk. 2020. Czech Republic and Slovakia set new car production records in 2019). Slowakije heeft tegelijkertijd een van de minst ontwikkelde verzorgingsstaten van de Europese Unie.

[19] Het is treffend dat vertegenwoordigers van vakbonden of andere maatschappelijke organisaties, ook zelden, zo blijkt uit onderzoek in Duitsland, door de media worden uitgenodigd om deel te nemen aan publieke discussies over zaken die het algemeen belang treffen. Zie: Blokland 2021a.

     [20] Deze socialisatie of enculturatie in de vigerende waarden, gevoelens en opvattingen vindt uiteraard in iedere samenleving plaats, schrijft Lindblom. Maar samenlevingen onderschei­den zich in de mate waarin zij ‘open’ zijn, in de mate waarin burgers kunnen beschikken over en worden geconfronteerd met alternatieve visies op de werkelijkheid. Lindblom merkt in deze overigens terecht op dat de in Amerika en andere polyar­chieën bestaande bereidheid om altijd ‘de twee’ partijen aan het woord te laten om aldus een ‘balans’ in het debat te waarborgen nauwelijks enige plurifor­mi­teit in de bediscussieerde opinies garandeert (1977: 210). Dit omdat de desbetreffende twee partijen in hun waarden en doeleinden en in hun respect voor de status quo vaak ternauwernood van elkaar verschil­len (vergelijk opnieuw Blokland 2021a).

[21] Ik vermeld de collectieve problemen die Lindblom in 1977 onderkende omdat zij, met uitzondering van inflatie en werkgelegenheid, de laatste vier decennia slechts in urgentie zijn gegroeid. Men zou deze ontwikkeling kunnen interpreteren als een indicatie van de aanwezigheid van vetomachten.

[22] Lindblom was hier niet de eerste: het marktsocialisme van mensen als Abba Lerner en Oskar Lange, waarvan Lindblom en Dahl altijd zeer geporteerd zijn geweest, bracht deze scheiding reeds in de jaren dertig aan. Ook de conservatieve econoom Joseph Schumpeter achtte deze scheiding zeer goed verdedigbaar (zie zijn Capitalism, Socialism and Democracy uit 1942).

[23] Het eindrapport, Inequality and American Democracy werd geredigeerd door Lawrence R. Jacobs and Theda Skocpol. Zij concluderen onder meer: “Citizens with lower or moderate incomes speak with a whisper that is lost on the ears of inattentive government officials, while the advantaged roar with a clarity and consistency that policymakers readily hear and routinely follow” (2005: 1). Zie tevens Macedo et al. 2005 en het aan dit onderwerp gewijde themanummer van Political Science & Politics, Vol.xxxix, No.1. 2006.

[24] Overigens verengde Wolfe Lindbloms discussie tot de directe en bewuste machtsuitoefening door ‘het georganiseerde bedrijfsleven’ en ‘de georganiseerde arbeidersklasse’. We zagen hierboven dat dit ten onrechte is.

[25] Zelfs het marktliberale tijdschrift The Economist maakte zich hierover toendertijd grote zorgen (14 aug.1999, vol.352, nr.8132). Het ontwaarde ‘A New Corporatism’ dat bestond uit sterke, niet eerder vertoonde banden tussen de regering-Blair en het bedrijfsleven: “Now that Mr Blair is in power, big business and New Labour are closely entwined in a clammy embrace. There might not be much passion in this relationship … but the connections are strong and likely to prove long-lasting” (1999: 32). Blair verschonk een groot aantal Labourzetels van het Hogerhuis aan topondernemers en benoemde tal van industriekapiteinen tot voorzitter van de vele adviesgroepen en ‘task-forces’ (ongeveer 300) die Labour sinds het begin van zijn regering had ingesteld: “28 of Britain’s 100 biggest public companies … have donated either their chairman or their chief executive, in one capacity or another. This is a departure not just for the Labour Party, but from British government as a whole.” Deze task-forces waren een nieuw fenomeen in de Britse politiek. Een van de officieuze doelen achter hun instelling was de invloed van de traditionele beleidsmakers terug te dringen. Ook The Economist onderkende dat de omstrengeling van ondernemers en overheid tot belangenconflicten kon leiden. Zo kon het moeilijker worden om beleid te ontwikkelen dat de ondernemingen niet aanstond…

[26] In Duitsland is de organisatiegraad inmiddels gedaald tot 17%, in Frankrijk tot 11%. Ook hier zijn de meeste leden te vinden in de publieke sector en in de industrie, en zijn de werknemers in de snelgroeiende private dienstensector het minst georganiseerd. https://www.worker-participation.eu/National-Industrial-Relations/Countries/United-Kingdom/Trade-Unions. In de Verenigde Staten daalde de organisatiegraad van 20.1% in 1983 naar 10.3% in 2021. Veruit de meeste leden zijn hier eveneens te vinden in de publieke sector: de organisatiegraad is in deze sector bijna 40% en slechts 6% in de private sector.  (https://www.bls.gov/news.release/union2.nr0.htm).

[27] https://www.statista.com/topics/8436/inequality-in-the-uk/#dossierKeyfigures

[28] De OECD observeerde reeds in 2015: “Since the 1980s, income inequality has risen in most OECD countries. A quarter of a century ago, disposable income of 10% of earners was on average around 7 times higher than that of bottom 10%; by 2010, it was around 9,5 times higher…In the United States, between 1975 and 2012 around 47% of total growth in pre-tax incomes went to the top 1%. The share was also high in a number of other (mostly) English-speaking countries: 37% in Canada and over 20% in Australia and the United Kingdom” (2015: 33). In het laatste decennium is de groei in ongelijkheid versneld, met de Corona epidemie als laatste aanjager.

[29] Lindblom heeft deze thesen nadien diepgaand uitgewerkt in Inquiry and Change: The Troubled Attempt to Understand and Shape Society (1990) en in The Market System (2000). Zie ook het interview dat de schrijver dezes met Lindblom in 2000 had: Charles Lindblom on the Market, Elites, Inequality and our Inability to Think Clear.

[30] Tot op de dag van vandaag genieten ondernemingen en hun organisaties overigens de mogelijkheid om op deze pagina hun opvattingen over de meest uiteenlopende kwesties aan een breed publiek kenbaar te maken. Ook kranten als de Frankfurter Allgemeine en weekbladen als Die Zeit bieden deze mogelijkheid. Dat het hier om betaalde advertenties gaat is aan de opmaak en de aankondiging nauwelijks af te lezen. Geoffrey Supran en Noami Oreskes (2020) onderzochten in dit verband de “advertorials” die Mobil tussen 1977 en 2014 in de New York Times publiceerde. Deze communicaties “overwhelmingly expressed doubt about climate change as real and human-caused, serious, and solvable, whereas peer-reviewed papers and internal reports authored

by company employees by and large did not”. Mobil en Exxon, waarmee het in 1999 fuseerde, doelbewust “misled the public” over klimaatverandering en de oorzaken daarvan.

[31] Interview van de auteur met Lindblom op 19 maart 1998.

[32] Interview van de auteur met Lindblom op 19 maart 1998.

[33] Vergelijk Blokland 2005: 348-57, Blokland 2008: 199-210, Blokland 2011: 263-71.

[34] Enige van de organisaties die van 1998 tot en met 2021 de meeste gelden aan lobbys besteden waren, in miljoenen dollars: National Association of Realtors (715), US Chamber of Commerce (1731), Business Roundtable (350), the American Medical association (462), American Hospital Association (468), Blue Cross Blue Shied (Health Insurance) (422), Pharmaceutical Research & Manufacturers of America (450), American Hospital Association (468), General electric (376), Boeing (315), Northrop Grumman (309), Lockheed Martin (296), AT&T (284), Verizon (279), Comcast (238), Facebook (70), Amazon (70), Exxon Mobil (280). De cijfers zijn van The Center for Responsive Politics en The National Institute on Money in Politics (OpenSecrets). Tevergeefs zoekt men in deze lijst naar organisaties die opkomen voor de belangen van werknemers, minder bedeelden, huurders of de natuur.

[35] “Scholars are beginning to document”, schreven Jacobs en Skocpol, “the exact degree to which skewed political demands and support are converted by the governing process into policies and activities that disproportionately respond to business, the wealthy, and the organized and vocal” (2005: 11). Een vergelijkbare discussie kwam voor de kredietcrisis in Duitsland op gang. Zie onder meer: Müller 2009, Leif 2006, Leyendecker 2007, König 2007, Adamek and Otto 2008, Friedrichs 2008, Wieczorek 2009. In de jaren daarna verdween deze discussie echter weer van de agenda. Migratie, vluchtelingen, integratie, radicalisering, extremisme werden de hoofdonderwerpen.

[36] De invloed die enkele sociale mediaconcerns op de publieke informatie en opinievorming uitoefenen, is dermate groot dat het niet meer te rechtvaardigen valt, dat deze media “privaat” zijn. Zie de diepgaande historische en juridische analyse van Nicolas Carr (2021): “The public interest standard is more than just a legal principle. It is an ethical principle. It assures the people’s right to have a say in the workings of the institutions and systems that shape their lives — a right fundamental to a true democracy and a just society.”

[37] Niettemin is het Duitse politieke landschap anno 2022, ondanks de prominente aanwezigheid van een schrille rechts-radicale partij, in vergelijking met dat van tal van andere democratieën, een baken van rationaliteit en evenwichtigheid.

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht.