Het virus van de negatieve vrijheid. Trouw. 20 februari 1997

Welke rol vervullen cultuurpolitici vandaag de dag nog? Soms krijg je de indruk dat zij niet meer te doen hebben dan reageren op incidenten. Een toneelstuk over vorstenvriendin ‘Emily’: vragen stellen in de Kamer. Een omstreden kunstaffiche van Serrano in de openbare ruimte van de gemeente Groningen: vragen stellen of een kort geding aanspannen. Geld verdelen: ja, graag. Maar over de grote lijnen, over wat cultuurpolitiek inhoudt, hoor je zeniet meer. Hoe komt dat?

Een cultuurpoliticus heeft, zeker landelijk, weinig meer om handen. Eens in de vier jaar, bij de voorbereiding van weer een Kunstenplan, mag hij zich met de grote lijnen bezig houden. Een kans om met beide handen aan te grijpen, zou je zeggen, maar over de grote lijn heb ik ook vorig jaar weer niemand gehoord. Van de mogelijkheid, ja zelfs de plicht tot controle op wat er met kunstsubsidies gebeurt, ligt geen enkele politicus wakker.

Voor het overige is alles uitbesteed. Ambtenaren en Raad voor cultuur doen het eigenlijke werk en steeds meer oordelend vermogen is uitbesteed / overgedragen aan afzonderlijke fondsen, waarop de politiek in de praktijk geen enkele invloed meer heeft.

Het gevolg is dat een staatssecretaris af en toe iets mag roepen en dat de kunstwereld zichzelf regerend over gaat tot de orde van dag. De kunst is van en voor de professionals in de sector geworden, van en voor de kenners. Kenners beoordelen het werk van kenners en zelfs het publiek wordt een kennerspubliek, een homogeen samengestelde, hoog opgeleide groep mensen. Het is geen wonder dat de kunst periodiek met een legitimatieprobleem geconfronteerd wordt. De professionals zwijgen er liever over – want ze moesten eens buiten hun eigen wereld argumenten gaan zoeken – en de cultuurpolitici doen er al helemaal het zwijgen toe; zij praten in forums over ‘verdelingsvraagstukken’ en laten zich, als het er op aankomt, voor het karretje van de lobbyisten spannen. Het wordt tijd het cultuurspecialisme in de politiek op te heffen.

In zijn zojuist verschenen bundel ‘Publiek gezocht, essays over cultuur, markt en politiek’ (verschenen bij Boom) plaatst Hans Blokland, verbonden aan de Erasmus Universiteit, zeer kritische kanttekeningen bij de zojuist geschetste ontwikkeling, die eigenlijk al jaren het stadium van een status quo bereikt heeft. ‘Overheid op afstand’ en ‘meer markt’ leiden tot versterking van instrumenteel handelen. De markt heeft immers geen doelen, hij bedient slechts en bevestigt bestaande voorkeuren. ‘Meer markt’ zondermeer werkt sterk relativerend en draagt bij aan een negatieve invulling van het begrip ‘vrijheid’. Vrijheid houdt volgens Blokland dan “niet langer de mogelijkheid in om, op basis van een redelijke kennis van de alternatieven, meester over het eigen leven te zijn, maar hoofdzakelijk de mogelijkheid om ongestoord door anderen, datgene te doen wat in zijn vermogen ligt.”

Het is opvallend en kenmerkend dat staatssecretaris Nuis voor zijn cultuurnota ‘Pantser of ruggengraat’, die dinsdag zonder plichtplegingen door de Eerste Kamer is vastgesteld, weinig lof heeft geoogst. ‘Vaag’ en ‘mooie wollige woorden’ luidden de kwalifikaties. De kunstwereld verwachtte vooral meer geld, teneinde hùn verdelingsvraagstuk nu eens opgelost te zien. Om een legitimatie vroegen ze bewust niet.

Toch valt niet te ontkennen dat juist Nuis zich expliciet met een positieve invulling van het begrip ‘vrijheid’ bezighoudt. De hierboven aangehaalde passage van Blokland onderschrijft hij volledig. Dat mag je wollig noemen, de legitimatie van cultuurpolitiek vindt hierin wel zijn basis. Maar het is slechts een begin. ‘Meer markt’ vraagt ook op cultuurgebied om een sterker sturende overheid; niet in details maar steunend op substantiële inhoud. Als Nuis een nieuw fonds voor Kunstedukatie instelt, dient hij dat niet elders in de kunst-bureaucratie onder te brengen, maar er een directe relatie mee te onderhouden. Hij dient, zoals Blokland suggereert, de samenstelling van de Raad voor cultuur ten principale te veranderen, zodat deze niet uitsluitend meer door kenners bevolkt wordt. En hij dient in de Tweede Kamer het debat over culturele waarden vasthoudend aan te voeren en te stimuleren. Zonder dergelijke inhoudelijke maatregelen kan het cultuurspecialisme in de politiek bij het grof vuil gezet worden. Er is slechts één ophaalbeurt voor nodig.

 

Copyright: Trouw

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.